Gebruik moedertaal op school naast Nederlands

Het is weer druk in onderwijsland. Het overzicht van de Schoolprestaties 1999 in Trouw, het rapport Zeker Weten van de Onderwijsraad, de Rapportage Minderheden 1999 van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Alle geven ze stof tot nadenken: hoe komt het toch dat er nog steeds grote verschillen zijn tussen autochtone en allochtone leerlingen?

De grote belangstelling voor de onderwijsachterstand bij allochtone leerlingen is terecht. Want de kansen voor allochtone kinderen zijn nog lang niet gelijk aan die van autochtone kinderen. Het is misschien leuk om te weten wat de beste havo van Amersfoort is, maar de meeste Marokkaanse kinderen uit Amersfoort zullen daar niet toegelaten worden. Omdat ze 'niet toelaatbaar' zijn, met andere woorden: niet voldoen aan de toelatingseisen. Ik ben dan ook meer geïnteresseerd in de allochtone kinderen die in Amersfoort momenteel - terecht overigens - niet op die havo zijn toegelaten. Terwijl hun motivatie en intelligentie, zeker in het begin van hun schoolloopbaan, wel in orde zijn. Maar door andere factoren, waarvan taalbeleid de belangrijkste is, raken ze al vanaf groep 1 achterop en daardoor gefrustreerd.

Dit leidt tot de vraag in hoeverre er een causaal verband is tussen het aantal allochtone kinderen op een school en de score van de desbetreffende school zoals weergegeven in het overzicht van Trouw. Immers, scholen hebben zonder uitzondering de maatschappelijke plicht om een evenredige taak te vervullen in de opvang van de allochtone kinderen. Veel van die kinderen komen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (het voormalige ivbo, vbo en mavo) terecht. Op zich niet erg, maar wel vreemd, als je ziet dat allochtone leerlingen daar onevenredig veel meer in terecht komen dan hun Nederlandse leeftijdsgenoten. Deze eenzijdige opbouw zal zich later herhalen op de arbeidsmarkt.

Ik vind dat een inadequaat taalbeleid in de eerste jaren van de basisschool de enige echte hoofdoorzaak is van slecht lerende allochtone kinderen. De meeste allochtone kleuters komen anno 1999 op vier- en vijfjarige leeftijd de basisschool binnen met een dubbele woordenschat. Gemiddeld zo'n duizend Nederlandse woorden maar ook nog zo'n duizend 'moedertaalwoorden': Turks, Arabisch, Berbers, Surinaams enzovoorts. Vervolgens krijgen zij de leerstof, waaronder het vak Nederlands, in het Nederlands aangeboden. Een methode die prima aansluit bij de woordenschat van Nederlandstalige kinderen, die overigens al starten met een voorsprong op hun allochtone leeftijdgenootjes van gemiddeld zo'n drieduizend Nederlandse woorden. Deze zogenaamde Nt1-methode (Nederlands leren als je eerste taal) is echter voor de meeste allochtone kinderen niet doeltreffend. Voor hen werkt die methode slechts voor de helft. Maar als daarnaast tevens de woordenschat in de moedertaal wordt verzilverd (via de methode Nt2), dan is de verwachting dat zij geen achterstand zullen oplopen. Met als belangrijk nevenresultaat: een positief zelfbeeld, zelfvertrouwen en 'zin om te leren'. Tel uit de winst voor later.

Bij de allochtone kleuters dienen beide woordenschatten dus bij binnenkomst op de basisschool getoetst te worden, en de eerste vier leerjaren zou het Nederlands via de combinatie van Nt1 én Nt2 aangeboden moeten worden. Toetsen op achtjarige leeftijd en op twaalfjarige leeftijd, zoals de Onderwijsraad voorstaat, zijn alleen in deze context instrumenten om tijdig en doeltreffend achterstand te voorkomen. Eigenlijk meer als toetsing van het taalbeleid van die school, dan van het niveau van de kinderen.

Overige oplossingen als opvoedcursussen, verlengde schooldag, de leerplicht voor allochtone kinderen verlagen naar drie jaar, zijn in mijn ogen pas effectief als ze worden gecombineerd met en gerelateerd aan het genoemde taalbeleid. Anders leiden ze eerder af van de hoofdoorzaak dan dat ze helpen. Zwarte scholen of scholen met een lage Cito-score sluiten, is evenmin een adequate oplossing: dergelijke scholen dienen van taalbeleid te veranderen. Dat is de hoofdopdracht voor het schoolmanagement. Hierop dient de leiding binnen drie jaar afgerekend te worden, met de mogelijke personele consequenties vandien.

Ik zie overigens wel verbeteringen van het taalbeleid. Er wordt aan gewerkt. Maar tegelijkertijd hoor je politieke opvattingen als ,,ze moeten zich aanpassen: ze moeten thuis alleen Nederlands met elkaar praten''. En we hebben op de basisschool te maken met personeel dat nog niet deskundig genoeg is in de gecombineerde aanpak van Nt1 en Nt2. Het management van de school moet erg goed kunnen en willen organiseren.

Ik pleit voor een standvastige koers in de komende vijf jaar op het punt van taalbeleid. Want een mooie Brede School, met onderwijs dat past bij de kinderen en met veel enthousiaste ouders, maar met een onvoldoende voor taalbeleid, zal nog steeds kinderen afleveren met een achterstand die niet meer is in te halen in het voortgezet onderwijs. Wat de mensen van de basisvorming en het studiehuis met al hun goede bedoelingen ook zullen proberen. Kinderen met een gebrekkige woordenschat die daardoor onvoldoende begrijpend kunnen lezen, zullen vroeg of laat struikelen. Ze worden er hun hele verdere onderwijsloopbaan door achtervolgd.

Daarom wil ik pleiten voor de registratie van de leerlingen op basis van etniciteit. Dit heeft een dubbelfunctie: enerzijds het toetsen van de effectiviteit van het gevoerde taalbeleid en anderzijds het gericht inzetten van voor deze leerlingen bestemde financiële middelen om hun onderwijsachterstand weg te werken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden