Gay

De uitbundige publiciteit rond de zogeheten 'gay games', de dolle pret en het opgelegde vertoon van ruimhartigheid daaromheen dwingen zelfs een totaal niet sportieve geest daarover een ogenblik te reflecteren.

Naar goed vaderlands gebruik moet je daarbij een standpunt voor of tegen innemen. Ik zie daar liever van af, want ik heb geen verstand van sport; en van sociologie weet ik te weinig om te beoordelen, of misschien meer afzonderlijke groeperingen met het oog op een broodnodige emancipatie aparte sportwedstrijden of andere manifestaties zouden moeten organiseren of daar recht op hebben.

Dat ik de neiging heb het allemaal flauwe kul te vinden, zegt dus waarschijnlijk niets. Mijn afkeer van collectieve aanstellerij geef ik in elk geval niet prijs voor sportieve of sociologische overwegingen. En wat ik het minst begrijp en het dichtst bij aanstellerij localiseer is het ingeburgerde gebruik van het woord gay. Daar kan ik mij als woordenfreak over verbazen met een verwondering die tegen de ergernis aan ligt. 'Wat is er toch zo vrolijk aan homoseksualiteit? Want dat is de betekenis van het woord in het Frans en het Engels: vrolijk, levendig, opgewekt.

Als ik zo vrij mag zijn meteen de gedachte te verwerpen dat de homoseksuelen inderdaad Gods uitverkoren volk zijn en daaraan een permanente vrolijkheid ontlenen, kan ik naar aanleiding van dat ontleende en in mijn ogen alleen al daardoor wat dubieuze woord maar twee dingen bedenken.

Het eerste is dat 'gay' een soort van geuzennaam is. Het begon zijn loopbaan als een scheldwoord voor wat als een decadente, louche en luchtige manier van leven werd beschouwd. Op het moment dat er geen geheim meer van werd gemaakt, kreeg zij in de ogen van anderen een beetje de status van artistieke en onburgerlijke onbekommerdheid, het bruisende leven en het wufte uitgaan in de grote stad, zeg maar de gaieté parisienne.

Ik weet niet, hoe dat precies gegaan kan zijn, maar mij dunkt dat zo'n verschuiving moet betekenen dat die manier van leven voor veel anderen, gevangen in hun burgerlijke netheid en hun saaie huwelijk, stiekem een zekere vorm van aantrekkelijkheid gehad moet hebben en enige jaloersheid opwekte. Zo zouden zij ook wel willen leven, zo gezellig onder elkaar, zo gevoelig en zo begaafd. Als het zo gegaan is, moet die naam van buiten af aan die groep zijn gegeven.

Nu geloof ik niet van harte dat de gays te bedeesd zijn om zich zelf een leuke naam te geven of aan de naam die hun door anderen is gegeven, een andere betekenis te hechten. Ik neem dus als tweede mogelijkheid aan dat de naam van binnen uit komt en ik vermoed dat daar het oude en bekende mechanisme van de schijnheilige blijdschap een rol bij speelt.

Zoals ook de zwaar gepredestineerden en de suf gemoraliseerde roomsen naar buiten toe altijd een aanstekelijke blijdschap aan de dag moesten leggen, eventueel tegen beter weten in, en zoals de negerslaven moesten uitblinken in vrolijk zoemen en dansen, zo moest ook de onderdrukte groep van de homoseksuelen zich wel afficheren als een bijzonder levenslustig volkje.

Het was een vrolijkheid ondanks een veroordeling van buiten af en gericht tegen een zieligheid of somberheid van binnen uit; en ze moest er dus een beetje dik en guitig opgelegd worden om toch een minimum aan overtuigingskracht uit te stralen, iets van 'heel gewoon' of zelfs van 'hupsakee' en 'faldera' waar buitenstaanders onwillekeurig kippenvel van krijgen. Ik weiger hardnekkig dat in verband te brengen met een gebrek aan sportiviteit of een ander ernstig tekort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden