... gaven de Antillen massaal geld aan Nederland

In de Nederlandse Antillen begon de Tweede Wereldoorlog op 9 mei 1940. Vanwege het tijdsverschil van zes uur met Nederland was het op Curaçao zeven minuten voor middernacht toen gouverneur Gielliam Wouters een telegram ontving over de Duitse inval in Nederland. Direct werden alle eilandbewoners met een Duitse of Oostenrijkse nationaliteit plus de NSB'ers van hun bed gelicht en overgebracht naar een inderhaast opgezet interneringskamp op Bonaire. Zonder aanzien des persoons, dus ook de joden die Duitsland ontvlucht waren maar nog wel de Duitse nationaliteit hadden. Pas na een paar maanden zagen de Antilliaanse autoriteiten in dat de combinatie van joden en Duitsers niet bepaald ideaal was - er waren klachten over mishandeling. Daarom werden de joodse geïnterneerden op een gegeven moment ondergebracht in het Bonaireaanse landhuis Guatemala, waar ze een vrijer regime hadden en hun eigen groenten konden kweken.

Van echte oorlogsstrijd was in de West nauwelijks sprake, al kreeg Aruba (toen nog deel uitmakend van de Nederlandse Antillen) wel de eerste torpedo op zijn dak die de Duitsers op het westelijk halfrond afvuurden. Onder de naam Operatie Paukenschlag torpedeerden Duitse onderzeeërs in februari 1942 zeven tankschepen tussen Aruba en Venezuela, waarbij de nodige Antillianen het leven lieten. Aruba was niet toevallig een Duits doelwit. Net als Curaçao beschikte het namelijk al enkele jaren over een olieraffinaderij en tijdens de oorlogsjaren draaiden die twee op volle toeren om de geallieerde luchtmacht van brandstof te voorzien. In 1941 betrokken de geallieerden maar liefst 85 procent van hun vliegtuigbenzine uit de Curaçaose en Arubaanse raffinaderijen. De vraag was zo groot, dat tot verbijstering van de lokale bevolking benzine op de bon ging. Engelsen, Schotten en - na Pearl Harbour - Amerikanen vestigden zich op Curaçao om de kostbare olie te beschermen en er werden verduisteringsmaatregelen afgekondigd. ,,Je mocht nog geen sigaret opsteken, uit angst dat de vijand dat vanuit de lucht zou zien'', herinnert de Antilliaanse schrijver Jules de Palm zich. ,,Maar wat bleef er altijd branden? Juist, de fakkels van de raffinaderij. Je kon het eiland zonder enige moeite van verre zien liggen en wij maar smoren achter de verduistering die geen zuchtje verkoelende wind toeliet.''

In het licht van de huidige financiële ellende op de Antillen is de geldelijke - en morele - steun aan Nederland misschien nog wel het meest opvallende van die oorlogsjaren. Vrijwillig spendeerde de Antilliaanse regering een slordige zeven miljoen gulden aan de verdediging van de eilanden. Verder werd vrij spoedig na 10 mei het Comité Steun aan Nederlandse Oorlogsslachtoffers Curaçao opgericht dat volgens de initiator in één dag 270 000 Antilliaanse guldens ophaalde - op een eiland van circa 70 000 inwoners. Daarna werd nog menig bedrag ingezameld tijdens feestelijke fancy fairs met schiettenten en grabbeltonnen. Aruba en Sint-Maarten kenden soortgelijke inzamelingen en van al dit geld werd na de oorlog in Laren een studentensanatorium gebouwd voor tbc-lijders als gevolg van de oorlog.

Er waren meer initiatieven om de nood in Nederland te lenigen. Zo hadden de werknemers van de oliemaatschappij Shell een eigen fonds, het Comité Nederland. Aanvankelijk bedoeld voor de Shell-collega's in het moederland, maar dat bleek onhaalbaar. Daarom stuurde men het spontaan bijeengebrachte geld aan koningin Wilhelmina in Londen. Zij moest maar bepalen wat ermee zou gebeuren. Humanitaire hulp aan de noodlijdende Nederlanders lag voor de hand, totdat op Curaçao een pleidooi hoorbaar werd voor de aanschaf van oorlogsmaterieel. Vóór alles - zo viel te beluisteren - moest immers de vijand uit Nederland worden verdreven en daar waren wapens en ander oorlogstuig voor nodig. Dat bleek een schot in de roos, temeer daar prins Bernard terzelfder tijd in Londen zon op de oprichting van een Nederlands Spitfire Squadron, waarvoor het geld hem helaas ontbrak. Zo kon het gebeuren dat met de collecte van de West op 10 augustus 1940 het Prins Bernard Fonds werd opgericht, aanvankelijk het Spitfire Fonds geheten. In de Curaçaose kranten verschenen regelmatig tekeningen van een Spitfire met daarop aangegeven welk deel al bijeengespaard was. De Shell-werknemers droegen daarna zelfs structureel een percentage van hun maandsalaris af voor de bevrijding van Nederland.

In oktober 1942 vloog prins Bernard hoogstpersoonlijk naar Curaçao. Hij was veel te vroeg, dus maakte hij eerst een rondje boven de raffinaderij. Tot schrik van de militairen, die het onbekende toestel beschoten. Daarop vloog de prins maar door naar vliegveld Hato, nog steeds te vroeg, zodat het welkomstcomité in geen velden of wegen te bekennen was. Doodgemoedereerd stapte de prins uit zijn vliegmachine en het duurde even voor men op Hato doorhad wie hij was. Daarop werd ijlings de gouverneur gewaarschuwd en terwijl de erewacht werd opgesteld kreeg de prins het vriendelijke verzoek terug te keren naar zijn toestel, zodat men hem tenminste fatsoenlijk kon ontvangen. In 1953 keerde hij weer, nu om een standbeeld te onthullen dat de Nederlandse regering aan de Antillen aanbood uit dank voor de hulp tijdens de Tweede Wereldoorlog (en de Watersnoodramp, waarvoor drie miljoen gulden werd opgehaald.)

De steun van genoemde en soortgelijke fondsen - het Joods Noodfonds bijvoorbeeld - bleef niet beperkt tot geldinzamelingen. Er werden op de eilanden ook kleding en andere goederen bijeengebracht voor de arme Hollanders die 9 000 kilometer verderop in de kou zaten. Warme truien en sokken waren er weliswaar niet, maar die werden volgens Wim Ellis, oud-bisschop van Curaçao, door Curaçaose vrouwen hoogstpersoonlijk gebreid. Bij die goedgeefsheid steekt de opbrengst van de Nederlandse actie voor slachtoffers van orkaan Luís op de Bovenwindse Eilanden (1995) wel erg magertjes af. Toen brachten bijna 16 miljoen Hollanders niet meer dan 1 557 854,30 gulden bijeen voor de ontredderde bevolking van de Antillen.

Een dubbeltje per Nederlander tegenover bijna vier guldens per eilandbewoner in 1940, toen de gulden bovendien heel wat meer waard was. Dat de bereidheid tot hulp nog steeds groot is, blijkt uit een grootschalig onderzoek in 1998 naar de mening van Antillianen en Arubanen over het Koninkrijk. Zo'n 80 procent gaf toen aan dat in geval van oorlog de Antilliaanse jeugd Nederland moet helpen.

Wat dat betreft is er dus weinig veranderd in de West.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden