Essay

Gastvrijheid is het nieuwe elitegeloof

Beeld Kwennie Cheng

Waarom vragen ‘Gutmenschen’ zich niet af welke en hoeveel migratie we aankunnen? Omdat mensenrechten hun geloof zijn geworden.

Het migratievraagstuk verdwijnt de komende jaren politiek en maatschappelijk niet van de agenda. Een gewaagde voorspelling is dat nauwelijks. Te hopen valt dat de discussie zindelijk blijft. Dat kan als twee valstrikken worden vermeden.

Vooreerst dienen we onderscheid te maken tussen vluchtelingen en migranten. Vluchtelingen moeten hun land verlaten omdat ze vervolgd worden. Daarvoor kunnen vele redenen bestaan, waaronder ras, nationaliteit, godsdienst, politieke overtuiging, geslacht of seksuele geaardheid. Ze genieten bescherming op basis van de Conventie van Genève. Die bescherming geldt voor iedereen, niet enkel voor aaibare, maar ook voor lastige, onaantrekkelijke personen.

Daarnaast zijn er migranten. Nu eens worden ze, enigszins pejoratief, gelukszoekers genoemd, dan weer economische migranten. Hun motieven hebben geen belang. Ze kunnen ook heel persoonlijk zijn, liefde bijvoorbeeld.

Mensenrechten

Migranten genieten minder bescherming dan vluchtelingen, maar mensenrechten blijven uiteraard op hen, zoals op ieder mens, van toepassing. Sommigen noemen vluchtelingen migranten, om hun de bescherming waarop ze recht hebben te ontzeggen. Anderen noemen migranten vluchtelingen, waardoor zij een (ongegronde) juridische upgrading verkrijgen.

Dit stuk handelt enkel over migranten.

Als dat eenmaal duidelijk is, duikt de tweede valstrik op. Sommigen vinden migratie geen probleem maar enkel een kans. Ze beschouwen haar als noodzakelijk om onze economie recht te houden en onze pensioenen te betalen. Of ze wijzen op de culturele verrijking. Die gunstige effecten zijn mogelijk, doch niet zeker.

Een opengrenzenbeleid kent weinig uitgesproken voorstanders. Toch zijn er velen die het terugsturen van een individu, geval per geval, telkens weer onaanvaardbaar achten. Ondertussen voeren de meeste Europese landen een terugkeerpolitiek, terwijl ze tegelijk een aantal mensen opnemen.

Is zo’n politiek geoorloofd?

Ja, indien ze verzoenbaar is met de mensenrechten. Belangrijk is artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” Bij elk terugkeerbeleid geldt deze regel. Het verbod van folteringen is absoluut, wat voor geen enkel ander mensenrecht het geval is, ook niet voor het recht op leven, dat tussen haakjes wordt gezet in geval van wettige zelfverdediging.

Grens

Dit is de grens van elke humane uitzettingspolitiek. Toch is een precisering noodzakelijk: het gaat bij de keuze tussen toelaten of niet om mensenrechten met een zuiver juridische inhoud, die de hoeksteen vormen van de democratische rechtsstaat. Daarvan zijn ze niet los te zien. Democratie betekent dat de meerderheid weliswaar regeert, maar dat minderheden bescherming genieten en individuen over een vrije zone beschikken waar overheden hen met rust moeten laten.

Een probleem ontstaat wanneer mensenrechten een ruime, filosofisch of ideologisch geladen betekenis verkrijgen. Rechtsregels ogen schraler dan morele beginselen. Precies daarom hebben mensen de neiging verheven principes te verkiezen boven pragmatische rechtsregels. Daarbij vergeten ze één ding: simpele rechtsregels beschikken over een democratische legitimatie die bij verheven principes ten enenmale ontbreekt. Daarin zit een paradox: hoe nobeler het begrip ‘mensenrechten’, hoe minder consensus het vergaart - wat het beginsel vanuit een democratisch oogpunt dan weer minder sterk in plaats van sterker maakt.

Bij democratie en mensenrechten verkies ik sobere denkers boven bevlogen, hooggestemde idealisten. Neem de Amerikaan Richard Rorty (1931-2007). In 1984 hield hij een toespraak over godsdienstvrijheid: ‘The Priority of Democracy to Philosophy’. In een glashelder betoog belicht Rorty een filosofisch dilemma: hoe diep moeten de fundamenten van de mensenrechten reiken?

Eigenlijk zijn er twee mogelijkheden. Een eerste weg bestaat erin op zoek te gaan naar heel sterke wortels. Dan gaat het algauw over ‘onvervreemdbare’ mensenrechten en is er op de meeste vragen over morele en politieke kwesties maar één antwoord dat dan ook absoluut juist is.

Absolute waarheid

Daarin zit iets dubbels. Enerzijds wordt in de hedendaagse filosofie vaak aangenomen dat metafysische vragen er sinds de Verlichting niet langer toe doen. Anderzijds is er, bij wie voor de eerste weg kiest althans, sprake van mensenrechten die voor alle mensen van alle tijden dezelfde zijn. De mensenrechten zijn zo een manier om filosofische ‘absolute waarheid’ die theoretisch niet meer houdbaar is via de omweg van de mensenrechten toch binnen te smokkelen.

De tweede weg is pragmatischer en zoekt een fundament voor de mensenrechten in cultuur en geschiedenis. Die zijn onvermijdelijk lokaal en particulier. Rorty noemt ze zelfs etnocentrisch, waarmee hij allerminst ‘eigen volk eerst’ bedoelt, maar wel vaststelt dat mensenrechten altijd in een bepaalde context tot stand komen en dus moeilijk metafysische aspiraties kunnen hebben. Vandaar ook de titel van zijn essay: mensenrechten berusten op diepe democratische overeenstemming, niet op filosofie. Het spreekt vanzelf dat ze niet zomaar door een parlementaire meerderheid kunnen worden weggeveegd. Rorty relativeert ze niet. Er zijn bijzondere meerderheden en internationale verdragen om ze te beschermen. Maar een onderliggende consensus over het wezen van de mens of de zin van het leven behoeven mensenrechten niet.

Zo kiest Rorty partij in een lopend debat: kiezen we bij migratie voor de formele democratie die het terugsturen van concrete personen verlangt, of voor mensenrechten met een diepere filosofische inhoud die dat verbieden? Politieke keuzes over migranten dienen op basis van de theorie van Rorty aan de juridische vereisten van de mensenrechten te beantwoorden, zonder diepere fundamenten.

Toch is de discussie hiermee niet afgelopen. Naast recht is er moraal. Het migratiedebat dwingt ons om na te denken over de vraag wat anderen voor ons betekenen en wie we zelf zijn. En ook: hoe gastvrij we ons moeten en kunnen opstellen.

De Fransman Jacques Derrida (1930-2004) reflecteerde daar diepgaand over, maar anders dan Rorty ging hij niet uit van mensenrechten, maar van gastvrijheid die, schreef hij, als idee grenzeloos was, maar in de praktijk anders uitpakte. Dat Derrida de tegenstelling erkent, werkt bevrijdend.

Machtsuitoefening

Ondertussen stelt hij aan gastvrijheid hoge eisen. Ze mag niet verzanden in een verkapte vorm van machtsuitoefening. Dat leidt tot een dilemma dat hij in alle scherpte beschrijft. Waar en hoe begint gastvrijheid precies? Misschien door aan de vreemdeling te vragen wie hij is, hoe hij heet. Via een naam ontstaat de mogelijkheid tot verder contact. Maar ware gastvrijheid kan net zo goed inhouden: helemaal niets vragen. Waardoor twee dingen tegelijk verdwijnen: de vraag en de naam. Beide mogelijkheden zijn valabel. “Is het beter en prettiger om er wel naar te vragen, of juist niet?” Het pleit voor Derrida dat hij de vraag stelt. En dat hij ze niet beantwoordt.

De identiteit is bij migranten vaak een heikel punt. Mag wie gastvrijheid vraagt zijn papieren verbranden? Andersom, mag wie gastvrijheid biedt tot identificatie overgaan, wat de kans vergroot dat de betrokkene wordt teruggestuurd?

Conceptueel ziet Derrida de gastvrijheid als onvoorwaardelijk, maar in werkelijkheid erkent hij haar grenzen. Enerzijds is er de Wet, die onbegrensde gastvrijheid verschaft, anderzijds zijn er de wetten die haar in regels gieten. Die wetten maken de gastvrijheid zowel kleiner als concreter. De Wet staat boven de wetten, maar heeft ze tegelijk nodig om niet in abstractie te verzanden. En natuurlijk blijft de Wet altijd een inspiratiebron voor de wetten, ook nadat ze tot stand zijn gekomen.

Rorty en Derrida pleiten allebei voor een concrete, pragmatische aanpak van grote principes, met veel aandacht voor de context. Maar terwijl voor Rorty onderliggende grote principes niet eens bestaan, blijft Derrida er op een ontroerende manier in geloven.

Met die vaststelling zou ik kunnen eindigen. Toch is er een ultieme vraag die blijft intrigeren: waarom willen heel wat mensen die tot de culturele elite (en vaak tegelijk tot de politieke linkerzijde) behoren aanmerkelijk verder gaan in het beoefenen van gastvrijheid dan nochtans respectabele en niet meteen conservatieve filosofen als Rorty en Derrida suggereren?

Zingeving

Een eenduidige verklaring hiervoor is er niet. Maar ik sluit niet uit dat hun genereuze houding iets met zingeving en geloof te maken heeft. Waarin kan de hedendaagse westerse mens die geen genoegen neemt met de dubieuze geneugten van het neoliberalisme immers nog vervulling vinden? Religie scoort laag bij vele Europese intellectuelen, hun bevrijding ervan is te recent. Ideologieën liggen op apegapen. Traditionele familieverbanden kreunen onder de suprematie van de individuele keuze en de optimalisatie van het persoonlijk geluk.

De mensenrechten zouden die zingevende rol kunnen vervullen. Het geloof in het onvoorwaardelijke en het goede als transcendent concept. In die zin is de smalende benaming Gutmensch die linkse denkers vaak naar het hoofd krijgen geslingerd op een dieper niveau juister dan ze lijkt. Goedheid is dan niet zozeer een morele attitude, maar een punt van geloof. Ze is alles wat overblijft nadat de traditionele ankerpunten die het leven van de westerse mens schraagden, zijn verdwenen.

De transcendente betekenis van goedheid verklaart ook dat activisten van onvoorwaardelijke gastvrijheid een essentiële morele vraag niet stellen: kun je een waarde nastreven enkel en alleen omdat ze intrinsiek goed is, zonder rekening te houden met mogelijk negatieve consequenties ervan?

Wie gastvrijheid als een juridisch en moreel vraagstuk ziet, zal die gevolgen wel degelijk in rekening brengen. Hij blijft niet steken bij een getuigenisethiek die diepe gevoelens uitdrukt, maar kiest voor een bredere verantwoordingsethiek. Met vragen als: hoeveel generositeit kan de samenleving aan? Hoe groot is haar draagkracht, financieel en mentaal? In welke mate speelt onbegrensde gastvrijheid in de kaart van mensenhandelaars? Helpt het migranten vooruit om hen in de illegale en onzekere overtocht naar het Verenigd Koninkrijk te steunen, of is het beter hen aan te sporen hier asiel vragen? Allemaal vragen die een genuanceerd antwoord verdienen.

Geloofspunt

Wie, gedreven door metafysisch heimwee, gastvrijheid als een geloofspunt beschouwt waaraan hijzelf zijn identiteit ontleent, zal eerder geneigd zijn die lastige vragen niet te stellen, omdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de zuiverheid van zijn geloofsovertuiging. Ongetwijfeld speelt die ‘religieuze’ gedrevenheid niet voor iedereen die vandaag compromisloos een zeer ruime, boven-juridische inhoud aan mensenrechten wil geven. Er zijn ook zuiver politieke drijfveren. Of nog andere. Maar voor velen speelt religieuze gedrevenheid wel.

Zo kom ik tot een voorzichtige conclusie. Vooreerst: het migratiedebat blijft, en confronteert ons met diepe vragen over democratie en mensenrechten, recht en moraal.

Vervolgens: begrijpen is belangrijker dan oordelen. Migranten zijn op zoek naar een beter lot. En wij naar verschillende dingen: een bijna religieus houvast, zelfreflectie, behoud van onze vrijheid. Dat leidt tot harde debatten. Hopelijk worden wij op die manier geen vreemdelingen voor elkaar. Toen, in 399 voor Christus, Socrates zich tijdens zijn proces tegenover de Atheners moest verantwoorden, stelde hij zich bewust als vreemdeling op. In het juridische systeem en de rechtstaal van toen kon en wilde hij zich niet thuisvoelen. Dat verzwakte niet enkel Socrates, maar ook het systeem. Hoe meer mensen het kan herbergen, hoe sterker het is.

Iemand kan vreemdeling zijn, vreemdeling blijven, vreemdeling worden. 

Kerkjurist en publicist Rik Torfs was leider van de CD&V-fractie in de Belgische Senaat (2011-'13). In 2016 schreef hij ‘Fear of Happiness’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden