Gasten bescherm je, desnoods ten koste van je eigen leven

Albanië telde na de Tweede Wereldoorlog meer joden dan ervoor. De besa, de traditionele belofte tot bescherming van een gast, speelde daarbij een rol.

Veel Albanezen zijn trots op het feit dat bijna alle joden op Albanees grondgebied de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd. Door het decennialange isolement van het land onder de marxistische dictator Enver Hoxha bleef dit gegeven lang binnen de kring redders en geredden.

Mevrouw Luci Petrovic-Mevorah (82) is een van de overlevenden van de Holocaust. De afgelopen zes jaar werd ze elke donderdag door haar vaste taxichauffeur naar het huis van de joodse gemeente in Belgrado gebracht, een kolossaal gebouw in neobyzantijnse stijl in het hart van de voormalige joodse buurt, aan de voet van het voormalige Turkse Kalemegdan-fort. Tot de Tweede Wereldoorlog was dit het centrum van een bruisende gemeenschap van meer dan tienduizend met name sefardische joden. Met nog zes andere joodse bejaarden boekstaafde Petrovic de verhalen van de overlevenden. Binnenkort verschijnt het vijfde en laatste deel.

Petrovic overleefde de oorlog in Albanië, na een gevaarlijke vlucht vanuit haar vooroorlogse woonplaats Belgrado. Albanië was al vanaf 1933, toen nog onder koning Zog, een belangrijk doorgangsland voor joden uit Duitsland en Oostenrijk, die verder wilden naar de Amerika’s.

In haar flat, waarvan de wanden bedekt zijn met de schilderijen van haar vader, de bekende schilder Mosa Mevorah, vertelt Petrovic haar verhaal.

„We waren nog verdoofd van het totaal onverwachte Duitse vernietigingsbombardement, van 6 tot 9 april 1941, waarbij duizenden slachtoffers vielen, toen er ineens bordjes op de tram verschenen met ’Verboden voor joden, zigeuners en honden’. Mijn vader was reserve-officier en werd als krijgsgevangene gedeporteerd naar Duitsland. Mijn moeder bleef met mij en mijn oudere zus achter.”

De joodse mannen uit onder meer Belgrado werden geïnterneerd in het Topovske Supe-kamp. Onder de eerste honderd die daar gefusilleerd werden, waren neven en vrienden van de familie. Moeder Mevorah besloot te vluchten naar Kosovo, dat in de Italiaanse bezettingszone lag.

„Per trein reisden we via Skopje naar Pristina. Meteen na aankomst werden we opgepakt en onder begeleiding van een gewapende gendarme op de eerstvolgende trein teruggezet. Moeder wist de conducteur te vertellen wie we waren. Hij zei: ’We stoppen zo in Lipljan, net voor de Servische grens, springt u daar snel uit de trein.’ Op het station riep een jongen, gestuurd door de joodse gemeente in Pristina, in het Ladino: Quen es giudio que salga!, wie jood is moet nu uitstappen! Zij waren de eersten die ons het leven redden.”

Met een Italiaans militair konvooi belandde het gezin uiteindelijk in Albanië. „We werden terug in de tijd geplaatst, zo arm en achterlijk was het daar. Maar de gastvrijheid en het gevoel van veiligheid maakten alles goed.”

Een van de verklaringen voor de ruimhartige opvang van de vluchtelingen was de relatief grote religieuze tolerantie in het vooroorlogse Albanië, tussen katholieken, orthodoxen en moslims. Die strekte zich ook uit tot de joden. Ook de traditionele besa, de belofte tot bescherming van de gast, desnoods ten koste van je eigen leven, speelde een rol.

Aan het gevoel van veiligheid van de familie Mevorah kwam een eind toen Italië capituleerde en Albanië in september 1943 bezet werd door de Duitsers. Er verschenen posters met het bevel dat alle niet-Albanezen zich bij de Duitse politie moesten melden, zo niet dan betekende dat de doodstraf voor de vreemdeling en zijn Albanese gastheer. Het Albanese marionettenregime weigerde echter mee te werken aan het actief uitleveren van de joden.

De familie Mevorah vluchtte naar de bergen, waar het verzet zat. „Toen de winter inviel raakte het eten op en dreigden we in te sneeuwen. Verzetsstrijder Nu Pali smokkelde ons in het holst van de nacht langs een Duitse controlepost naar zijn geboortedorp Miloti. Daar was het leven nog primitiever. Een vrouw van de Pali-familie ging dagelijks met een houten ton op haar rug gebonden, zeven kilometer verderop water voor ons halen.”

In de herfst van 1944 wordt Albanië bevrijd. De familie Mevorah bereikt op 4 januari 1945 Belgrado. In de rest van Joegoslavië had 18 tot 28 procent van de joden de oorlog overleefd. „Ons geluk was compleet toen twee maanden later ook vader plots in levende lijve voor ons stond.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden