GARAUDY, ABBü PIERRE EN DE GANGEN VAN DE OUDE MOL

Le Monde diplomatique, juni, 22FF. Rekenschap, juni; uitg. Stichting Socrates, postbus 114, Utrecht; ¿ 17,50. Filosofie, juni/juli, uitg. Damon, postbus 223, Best; ¿ 12.

Videlier gebruikt zijn pagina in Le Monde diplomatique vooral om Garaudy én diens vriend Abbé Pierre in de context te plaatsen van het 19e- en 20e-eeuwse Franse antisemitisme. Met verbijstering haalt hij een recente brief van Abbé Pierre aan, waarin deze een parallel lijkt te trekken tussen de holocaust en het optreden van de Israëlieten in het bijbelboek Jozua. Bij zijn eerste kennismaking met Jozua had de abbé, zo schreef hij, tot zijn ontsteltenis ontdekt “hoe zich (volgens dat geschrift) een ware Shoah voltrok over alle levende wezens in het Beloofde Land”.

Videlier reconstrueert verder de reclamecampagne die de groezelige uitgeverij La Vieille Taupe ('De Oude Mol') voor Garaudy's boek heeft gevoerd. De eerste editie verscheen eind vorig jaar als speciaal nummer van een tijdschrift dat eveneens La Vieille Taupe heet. Tevoren waren de abonnees lekker gemaakt met de aankondiging dat 'een bekend academicus' (de naam Garaudy werd niet genoemd) een bijzondere verrassing voor hen in petto had. Bij het nummer in kwestie kregen ze twee toegiften, een antisemitische sticker en een dito brochure getiteld 'Zionisme, revisionisme en democratie'.

Videlier beweert (en Garaudy ontkent) dat de uitgever en de schrijver vorig jaar al afgesproken hadden dat er een publieke (tweede) editie zou uitkomen. Die zou met tamtam zijn gepresenteerd, als niet het dekselse weekblad Le Canard Enchaîné er lucht van had gekregen en de zaak voortijdig wereldkundig had gemaakt. Pas toen, suggereert Videlier, zou Garaudy besloten hebben het boek voor eigen rekening te publiceren. De historicus bestrijdt tevens dat Garaudy een vreemdeling zou zijn in extreem-rechtse kring. In 1991 en 1992 al werkte hij mee aan 'het neofascistische tijdschrift Nationalisme et République'.

TWEEERLEI WEEGSTEEN VOOR CHRISTENEN EN HUMANISTEN?

Sinds een jaar woedt in Rekenschap, kwartaalblad van de stichting Socrates, een debat over de toekomst van het min of meer georganiseerde humanisme. Prof. dr. Harry Kunneman begon - onder het motto 'weg met het expliciete humanisme, leve het impliciete'. Hij wilde het Humanistisch Verbond omgeturnd zien tot een organisatie die mensen helpt hun kijk op levensvragen te verhelderen maar geen antwoorden aanbeveelt.

Kunneman gaf zijn betoog cachet met enig taalfilosofisch jargon. Het is onder andere op dit punt dat hij in het jongste nummer van Rekenschap op beschaafde wijze in de grond gestampt wordt door prof. mr. Jan Glastra van Loon, oud-voorzitter van het verbond. Deze stelt vast dat Kunneman 'niets begrepen' heeft van de taalfilosofische ideeën - ontleend aan de zg. taaldaden-theorie - waarvan hij zich meende te bedienen.

Die theorie probeert onderscheid te maken tussen twee soorten uitspraken. Soort A bestaat uit beweringen - zoals 'het Humanistisch Verbond heeft zo'n 14 000 leden' -, die waar of onwaar kunnen zijn. Soort B beweert niet zozeer maar doet iets, brengt iets tot stand. Standaardvoorbeelden zijn 'ik doop dit schip Sarita' of 'ik beloof trouw aan de Koningin'. Op zulke uitspraken is het criterium 'waar of onwaar' in het algemeen niet van toepassing.

Een van de dingen die de ene hoogleraar (K.) volgens de andere (G. v. L.) niet doorheeft, is dat je met dit onderscheid een fundamenteel verschil tussen orthodoxe christenen en humanisten kunt blootleggen. Orthodoxe christenen doen - b. v. over de zin van het bestaan - uitspraken van categorie A, die aanspraak maken op waarheid. Dit geldt niet voor levensbeschouwelijke uitingen van humanisten. Die behoren tot categorie B. “Humanisten beschouwen uitspraken over de zin van ons bestaan niet als (ware of onware) uitspraken over de wereld en henzelf, maar als uitspraken die iets bewerkstelligen.” Anders gezegd, humanisten halen hun zingeving niet van elders, maar scheppen die zelf, (ook) door erover te praten. Ook wanneer ze formuleren wat ze onder humanisme verstaan, doen ze geen (ware of onware) beweringen, maar zijn ze bezig met “afspraken die iets - b. v. een vereniging op humanistische grondslag - tot stand brengen.”

Het wachten is nu op een theoloog die in een volgend nummer van Rekenschap komt uitleggen dat Glastra van Loon op zijn beurt bijles behoeft over de status van (christelijke) geloofsuitspraken. Of op een taalfilosoof die de indruk bevestigt dat de taaldadentheorie van John Searle en diens discipelen in dit debat door beide partijen nogal versimpeld is.

Ten slotte. Wie deze zomer over uitspraken van Studio Sport wil filosoferen, kan voor bijles terecht in een olympisch themanummer van het tijdschrift Filosofie. Te oordelen naar een essay van de Belgische hoogleraar Frans de Wachter kun je net zo goed naar het journaal of Nova kijken. Sport en samenleving zijn immers veelszins elkaars evenbeeld. Beide zijn erop uit, iedereen aan de start gelijke kansen te geven, maar in beide gevallen zit daar het streven achter om vervolgens de ongelijkheid van prestaties des te beter te kunnen meten. “In de sport wordt de formele structuur gevierd van een samenleving die erin slaagt tegelijk egalitair te zijn en prestatiegericht.”

Vrouwen zal misschien eerder een andere overeenkomst opvallen. Zowel in de sport als in de rest van de maatschappij “mogen vrouwen tegenwoordig meedoen, maar niet of nauwelijks meebeslissen”. In Filosofie trachten bewegingswetenschapper Agnes Elling en sportsociologe Annelies E. Knoppers mannen ervan te overtuigen dat ze ook op dit gebied nog veel bijscholing van node hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden