Review

Galbraith geeft werklozen weinig hoop

John Kenneth Galbraith: The World Economy Since the Wars - A Personal View. Sinclair-Stevenson, Londen; geb., xiv + 274 blz. - Fl. 63,60. Imp. Nilsson & Lamm.

Zijn scepsis berust vooral op de overweging dat invloedrijke groepen in de westerse samenlevingen ten eerste zelf doorgaans werk en/of inkomen genoeg hebben, en - ten tweede - bang zijn voor de fiscale gevolgen, als de staat zich werkelijk zou inspannen om iedereen aan een baan te helpen. Dat zou immers het begrotingstekort vermeerderen, en daarmee ook de kans op belastingverhoging. Het zijn o. a. de bureaucraten van het bedrijfsleven en de overheid, de beoefenaars van vrije beroepen en de academici die daar, denkt Galbraith, zwaarder aan tillen dan aan de werkloosheid van hun medeburgers. Van hen gaat nogal wat politieke pressie uit en mede daarom vreest hij dat het geïndustrialiseerde Westen wel eens geruime tijd genoegen zou kunnen nemen met werkloosheidscijfers waarvan vrijwel iedereen in het openbaar schande spreekt.

De voor Amerikaanse begrippen linkse Galbraith overschat dus het altruïsme van zijn medemensen niet. Hij heeft dan ook bijna zeventig jaar hun economisch gedrag bestudeerd. In 'The World Economy Since the Wars' brengt hij daar verslag van uit. Het boek - vaak geestig getoonzet en niet vrij van venijn - geeft een kritische schets-in-hoofdlijnen van de economische ontwikkeling van (vooral) het Westen in de jaren 1914-1993.

De rest van de wereld blijft wat op de achtergrond. Niet dat haar lot Galbraith koud laat. Zo toont hij zich ernstig bezorgd over de toekomst van de ontwikkelingshulp. Vooral in de Verenigde Staten berustte dit hulpbetoon decennia lang op “een niet bepaald oogstrelend verbond tussen mensen die bezorgd waren over de Derde Wereld en lijders aan paranoia” oftewel mensen die geregeld onder hun bed keken om te zien of zich daar geen rode schavuiten schuil hielden.

Nu het communistische spook verdwenen is, zou, vreest Galbraith, de hulpvaardigheid van het Westen wel eens aanmerkelijk kunnen verflauwen. Het klinkt misschien wat paradoxaal, maar hij zou dat des te triester vinden omdat de ontwikkelingshulp tot dusver zo weinig effect heeft gehad, behalve op het geweten van de gevers. Hij wijt dit deels aan het Westen zelf. Het heeft zich te lang blind getoond voor cruciale ontwikkelingscondities, die vroeger ook voor de economische verheffing van westerse landen golden: een behoorlijk geschoolde bevolking; een stabiele, niet-feodale, tamelijk eerlijke regering; prioriteit voor de agrarische produktie. Gelukkig komt daar langzamerhand enige verandering in, constateert hij met een mengeling van hoop en geloof.

Als economisch geschiedschrijver heeft Galbraith veel voor op zijn concurrenten. Hij schrijft onderhoudend en toegankelijk, met een minimum aan vakjargon, dat hij nog helder uitlegt ook. Hij heeft de periode die hij bestrijkt, zelf helemaal meegemaakt, o. a. als hoogleraar, departementsambtenaar, ambassadeur in India en adviseur van diverse regeringen. En hij is oud genoeg - inmiddels 88 - om zich een maximale vrijheid van meningsuiting te kunnen permitteren. Hij maakt daar geregeld gebruik van, bijvoorbeeld door zijn landgenoten van hoog tot laag ongenadig te kritiseren. “Niets is voor de meeste Amerikanen zo vanzelfsprekend als het schadelijke effect van geld op de armen.” “De financiële wereld is alleen te begrijpen als men inziet dat daar de grootste bewondering ten deel valt aan de degenen die de weg effenen voor de grootste catastrofe.” “De meeste mensen hebben een overdreven indruk van de intelligentie van hen die dagelijks met grote sommen gelds omgaan.”

Een kernthema van het boek is de relatie tussen economie en bewapening. Het was niet de wijsheid van economen, maar de Tweede Wereldoorlog die een eind maakte aan de crisis van de jaren dertig. Die Great Depression bezorgde de westerse geallieerden naar Galbraith's overtuiging een voorsprong op Duitsland: ze schiep in Amerika, Engeland en Canada enorme reserves aan industrieel en menselijk potentieel, die voor de oorlog en de oorlogsindustrie konden worden ingezet. Hitler-Duitsland, dat de depressie al in 1936 te boven was gekomen, miste die reserves.

De oorlog bracht de Verenigde Staten een onverwachte economische bloei. Hij legde echter ook de basis voor een verschijnsel dat later de groei van de Amerikaanse economie zou remmen: de ongehoorde macht van het militaire establishment, dat een derde van alle technologisch en natuurwetenschappelijk talent in het land zou recruteren voor de ontwikkeling van steeds exotischer wapentuig. Zo kregen de landen die de oorlog verloren hadden, Duitsland en Japan, de kans om de vrede te winnen. Want wat zij aan kapitaal, arbeid, research en infastructurele steun investeerden in de normale industrie, werd in Amerika opgeslokt door het militair-industriële complex.

'The World Economy Since the Wars' is een instructief boek, dat ook aan lezers zonder economische vakkennis kan worden aanbevolen. Ze kunnen er onder andere uit leren hoezeer de economie soms mede gestuurd wordt door prestigieuze stupiditeit. Voor wie vooral daarover meer wil vernemen, is de 88-jarige econoom al bezig aan een volgend boek, met de werktitel 'The Lighter Side of Life'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden