Galante theatergrapjes op het doek

Cornelis Troost (1696-1750): Wie nog kon lopen ging heen; wie dat niet meer kon, viel om, pastel en gouache, 1739. (Coll. Mauritshuis, Den Haag. ) Beeld
Cornelis Troost (1696-1750): Wie nog kon lopen ging heen; wie dat niet meer kon, viel om, pastel en gouache, 1739. (Coll. Mauritshuis, Den Haag. )

Schilder Cornelis Troost laat zich in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede van zijn humoristische kant zien.

Cees Straus

In tegenstelling tot de kunst van de 17de, dat wil zeggen de Gouden Eeuw die al decennia lang volop in de belangstelling staat, is de interesse voor de 18de eeuw veel minder omvangrijk. Het Rijksmuseum Twenthe in Enschede wil daar graag wat aan doen, heeft de hoofdstroom van zijn bezit er op af gesteld (zo hangt hier de 18de eeuwse kunst die ooit in het Frans Halsmuseum in Haarlem werd verzameld) en zoekt wat de wisseltentoonstellingen betreft meer dan eens per jaar naar nieuwe invalshoeken om de mentaliteit die uit de kunst van deze periode spreekt te leren begrijpen.

Dat leidt regelmatig tot charmante ontdekkingen, zoals al eerder met de Brugse neoclassicisten het geval was en ook nu, met relatief onbekende pastels en tekeningen van Cornelis Troost. Vijfendertig tekeningen uit de collecties van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap dat hiermee zijn 150-jarig bestaan viert, aangevuld met passende schilderijen uit de musea, tonen aan dat Troost in het theatrale genre een heel eigen specialisme heeft gevonden. Omdat Troosts portretten (en historiestukken) ontbreken – waarschijnlijk zijn voornaamste bron van inkomsten – is het geen overzichtstentoonstelling. Het maakt het karakter van deze op en top 18de eeuwse kunstenaar er niet minder om.

Dat Troost zo vaak scènes uit theaterstukken in een verhalende stijl verbeeldde, ligt voor de hand als je zijn grote passie voor het toneel er bij betrekt. Troost was met de theaterwereld in contact gekomen door zijn schoonfamilie – hij was in 1720 getrouwd met Susanna Maria van der Duyn – waarin allerlei bohémiens uit de wereld van de kunsten (dichters, musici, acteurs en schilders) voorkwamen. Bovendien moet hij zelf een niet onverdienstelijk acteur zijn geweest. Net als zijn vrouw speelde hij toneel bij de Amsterdamse schouwburg die toen aan de Keizersgracht stond. Troost hield van galante rollen in blijspelen en kluchten. Pas na vier jaar huwelijk concentreerde hij zich volledig op de beeldende kunst, met het verbeelden van scènes uit theatervoorstellingen als zijn belangrijkste onderwerp.

Bijzonder aan het werk van Troost is de situering van de voorstelling in een alledaagse context: de kijker ziet mensen van vlees en bloed in een alledaagse omgeving. Geen moment heb je de idee dat je kijkt naar iets dat wordt opgevoerd: het perspectief van het podium ontbreekt volledig. De verschillende figuren – het gaat altijd om gezelschappen van uiteenlopende personages die vol vaart en nooit stijfjes worden uitgebeeld – nemen deel (of houden zich juist afzijdig daarvan) aan een bijzonder gebeuren. Relletjes, opstootjes, dronkemansgelal, publieke bespotting, het is bij deze schilder aan de orde van de dag. Omdat blijspelen en kluchten in deze tijd altijd een morele onderlaag kenden waaraan het opgeheven vingertje niet ontbrak, moeten we er wel van uitgaan dat Troost met zijn keuzes voor bepaalde scènes de mores van zijn tijd wilde belichten.

Nu waren de zeden (en hun verval, want daar ging het Troost om) in de 18de eeuw niet veel anders dan in de eeuw daar voor. Troost had dan ook geen nieuwe voorbeelden waaraan hij zich kon optrekken om een nieuwe beeldtaal tot stand te brengen. In tegendeel, want zijn verfijnde wijze van tekenen en schilderen (vaak in gouache of pastel) grijpt terug op die van de Leidse fijnschilders uit de Gouden Eeuw. Het werk van Gerrit Dou werd hem doorgegeven door zijn leermeester Arnold Boonen die het vak had geleerd bij Godfried Schalcken, zelf een leerling van Dou. Wat Troost van Dou heeft geleerd, is de wijze waarop deze het licht in interieurstukken tot stand brengt. Dou’s licht-donkerwerking (ook wel clair-obscur genoemd) keert bij Troost terug in scènes die door kaars- en lamplicht worden aangeschenen. Troost doet dat zowel bij situaties die zich afspelen tussen de vier muren van een vertrek, als bij nachtelijke taferelen, ook als die zich in de buitenlucht afspelen.

Een goed voorbeeld daarvan is het sluitstuk van de zogeheten Nelri-serie, werken waarin de lotgevallen van een groepje heren in en rond een sociëteit centraal staan. Als het gezelschap eenmaal stomdronken het pand verlaat en de taxi (in dit geval een koets door twee paarden getrokken) wacht, worden de belangrijkste ’actors’ met een kaarsvlam belicht. Dat we hier toch echt met een 18de eeuwse voorstelling hebben te maken, blijkt uit het feit dat de schilder op de achtergrond een neoclassicistisch gebouw weergeeft. Dat wordt belicht door een lantaarn wat aan deze situatie een voorname glans geeft, in weerwil van het feit dat het hier toch om een liederlijk gezelschap gaat.

Behalve door Dou (en in mindere mate de Engelsman William Hogarth, die even verhalend was ingesteld) is Troost in sterke mate beïnvloed door de Franse schilders van zijn tijd die in de periode van de rococo eigenlijk in heel Europa gezocht waren. Boucher en Lancret waren meesters van de ’galante tijd’, ze kozen ook voor het soort theaterscène waar Troost zo van hield. Na zijn dood vermeldde de veilingcatalogus van Troosts collectie uiteenlopende mappen met prenten naar Lancret en ook zat er een album bij waarin illustraties zaten naar de ’Oeuvres van Molière’ door Boucher. Zo’n elegante schilder als Troost met zo’n Franse smaak (waar de tijd natuurlijk ook naar was, kijk naar het werk van Troosts tijdgenoten als Cornelis Pronk, Nicolaas Verkolje, Jan Maurits Quinkhard en diens leerling Tibout Regters) moet ook wel naar Jean Antoine Watteau en diens Fêtes galantes hebben gekeken. Maar schijn bedriegt, want het werk van Troost draagt opvallend weinig overeenkomsten met dat van Watteau. De laatste mag dan wel talloze theaterscènes hebben gemaakt, de humoristische ondertoon die Troost zo graag in zijn werk liet binnensluipen, ontbreekt totaal bij Watteau.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden