Gadji beri bimba, zei de dadaïst

Een eeuw na Dada verschijnt de Nederlandse vertaling van de autobiografie van dadaïst Hugo Ball

Zürich, 23 juni 1916. Bij een voorstelling van het mede door hem opgerichte dadaïstencabaret Voltaire komt Hugo Ball (1886-1927) op in een bijzondere uitdossing. Van nek tot knieën is hij gehuld in een koker van blauw karton. Over zijn schouders hangt een grote papieren kraag, van binnen rood en van buiten goudkleurig. Als hij zijn armen optilt lijkt hij op een reusachtige vogel die zijn vleugels uitslaat. Zijn hoofd is getooid met een hoge, blauwwit gestreepte hoed. Van drie gereedstaande muziekstandaards begint hij zijn teksten voor te lezen. Zonder dat hij daar bewust op uit is, neemt zijn voordracht de toon aan die hij herkent van de gezongen Latijnse mis, 'de oeroude cadans van de priesterlijke lamentatie'. "Gadji beri bimba, glandridi lauli lonni cadori, gadjama bim beri glassala.'"

Aan het eind van zijn optreden gaat het licht uit en wordt hij door assistenten het podium afgedragen, 'als een magische bisschop de diepte in'.

Over de bedoeling van deze befaamde act is naderhand druk gespeculeerd. Veelal ziet men er een ondermijnende provocatie in, tegen de gevestigde orde die zich handhaaft dankzij een strak in het pak zittende taal waarin ze haar wetten en regels heeft geformuleerd.

Als dadaïst van het eerste uur zou Ball een speelse en treiterbeluste anarchist zijn geweest, vastbesloten om met zijn nonsensikale poëzie verwarring te stichten.

Helemaal onwaar is dat niet. Uit afkeer van zijn Duitse vaderland, dat zich in 1914 zo vastberaden en vrolijk in een miljoenen levens verslindende oorlog had gestort, was Ball uitgeweken naar het neutrale Zwitserland en had daar kennisgemaakt met gelijkgezinden die behalve de kunst ook de maatschappij op zijn kop wilden zetten. Cabaret Voltaire werd hun uitvalsbasis, Publikumsbeschimpfung hun voornaamste wapen.

Wat Ball betrof waren de normdoorbrekende performances nog maar het begin. Het uiteindelijke doel neemt gestalte aan in de dagboekaantekeningen uit de jaren 1914-1921, die hij kort voor zijn dood in 1927 publiceerde. Ze zijn nu beschikbaar in een mooie vertaling, precies een eeuw na de oprichting van Dada.

Als 'De vlucht uit de tijd' iets duidelijk maakt, dan is het wel dat de door Ball gepropageerde revolutie niet moest stoppen bij de afbraak van oude vormen en gedachten. Niet voor niets vergeleek hij zijn geruchtmakende vertoning met de liturgie van de mis en het ritueel van een sjamaan. Ball wilde de dictatuur van logica en rede plaats laten maken voor de geestelijke vrijheid die mystiek en magie hem boden. Daarom veegde hij bij het componeren van zijn klankgedichten het woordenboek van tafel, vereenzelvigde zich met brabbelende peuters en raaskallende gekken en schiep een taal die doet denken aan de talen die de apostelen spraken toen ze tijdens het Pinksterwonder de geest kregen.

In het werk van schilders als Kandinsky en Klee vond Ball de inspiratie om op zoek te gaan naar ongehoorde, in het onderbewuste sluimerende woorden die bij wijze van toverspreuk de poort naar het paradijs konden openen.

Toen Ball zich op die drieëntwintigste juni 1916 inleefde in de rol van een Gregoriaans zingende celebrant, kwam hij thuis in de katholieke kerk van zijn jeugd.

Zijn dagboekaantekeningen laten zien dat die kerk en de boodschap die ze uitdraagt voor hem steeds belangrijker werden. Nadat hij zich lang had afgezet tegen de conservatieve politici, filosofen en wetenschappers die hij verantwoordelijk achtte voor de massale slachtpartij die zich tussen 1914 en 1918 voltrok, keerde hij ook de linkse revolutie van communisten en anarchisten de rug toe, en koos voor 'een christelijke republiek'.

Dat utopische ideaal leunde sterk aan tegen het Heilige Roomse Rijk van de Duitse keizers die als opvolgers van Karel de Grote eeuwenlang Midden-Europa hadden beheerst. Luthers reformatie van 1517 daarentegen verwierp Ball hartstochtelijk; hij zag er niets anders in dan een splijtzwam die zowel het anti-religieuze rationalisme als het Pruisische militairisme had voortgebracht.

In 1919, kort voor zijn definitieve terugkeer naar de kerk van Rome, begon Ball aan 'Byzantijns christendom', een boek waarin hij drie vroeg-christelijke heiligen als 'dwarsliggers' portretteerde. In zekere zin zijn het ook zelfportretten.

Terwijl hij eraan werkte, begon hij op een avond het Credo te zingen, en voelde zich in een roes verzinken. 'De kinderwereld staat op. Er wordt in mij gestreden en gewoed."

De magische bisschop die op 23 juni 1916 de duistere diepte ingedragen werd, zag eindelijk het licht.

Hugo Ball: De vlucht uit de tijd. Vert. Hans Driessen. Vantilt; 352 blz.. euro 22,50

Hugo Ball in 1916

Jonge mannen die weigerden als kanonnenvoer te dienen zochten tijdens de Eerste Wereldoorlog asiel in Zwitserland. Een tiental van deze ballingen, afkomstig uit Duitsland en Roemenië, trof elkaar in Zürich en ontdekte dat ze naast hun hekel aan de soldateska ook hun artistieke aspiraties gemeen hadden. Begin 1916 riepen ze een beweging in leven die ze Dada noemden. De naamgeving is het onderwerp van mythevorming. Dada is Frans voor 'hobbelpaard', maar kan ook verwijzen naar kinderlijk gestamel. Mede-oprichter Hugo Ball beweerde later dat hij ermee verwees naar de vroeg-christelijke mysticus Dionysius Areopagus.

Dada kantte zich tegen alles en iedereen, tegen oude en moderne kunst, tegen rede en logica, tegen de burger, tegen de staat. In plaats van orde wilden de dadaïsten chaos, in plaats van te bouwen braken ze af, in plaats van ja zeiden ze nee. Ze wilden, zoals dadaïst Tristan Tzara zei, 'overal demoraliseren, hemel en hel overhoop halen en de fantasie van ieder individu in ere herstellen.'

Hoewel Dada slechts vijf jaar actief was, heeft de beweging een enorme nawerking gekend. Na 1918 exporteerden de dadaïsten hun handel en wandel naar Parijs en Berlijn. Nederlandse kunstenaars als Theo van Doesburg, Otto van Rees en Paul Citroen lieten zich er graag bij betrekken. Dichter Paul van Ostaijen en later ook Lucebert toonden zich ontvankelijk voor de zuigkracht van het mystieke niets dat de opruimwoede van Dada had blootgelegd. De Amsterdamse provohappenings van de jaren zestig werden georganiseerd naar dadaïstisch recept. En de Amerikaanse popband Talking Heads zette in 1979 Hugo Balls gedicht 'Gadji beri bimba' op de plaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden