Gabriela Montero speelt pittige Prokofjev

Klassiek

Rotterdams Philharmonisch Orkest olv Juraj Valcuha mmv Gabriela Montero op 14/2 in de Doelen, Rotterdam.

Het Derde pianoconcert van Prokofjev is een van de lijfstukken van de Argentijnse pianiste Martha Argerich. Donderdag klonk dit werk onder de handen van een andere Zuid-Amerikaanse, Gabriela Montero uit Venezuela, bijna net zo pittig als in Argerichs uitvoeringen. Behalve haar solide techniek en temperament heeft de veel jongere Montero met Argerich gemeen dat ze een beeldschone podiumverschijning is.

In Prokofjev schroomde ze niet de hoogst haalbare tempi te kiezen en wist ze toch nog helder te spelen. In de rustige momenten, met name de dromerige variatie 4, had haar aanslag klankschoonheid en draagkracht. Met uitzondering van de openingspassages, die in vrijwel alle live-uitvoeringen door het orkest overwoekerd klinken, was haar toon krachtig genoeg om met die van het orkest te wedijveren.

Gabriela Montero bezit een gave waarmee weinig klassiek geschoolde pianisten zich op het podium manifesteren: de kunst van het improviseren. Als toegift liet ze daar een knap staaltje van horen. Voordat ze dat ging doen, zei ze tot het publiek: „Als ik u om een thema zou vragen, zou het een chaos van door elkaar zingende mensen worden. Vandaar dat ik een orkestlid gevraagd heb een thema voor te spelen.” Daarop speelde de aanvoerder van de altviolisten de openingsfrase van het populaire liedje ’La Cucaracha’. Wie op Montero’s website kijkt, ziet haar in een trailer van haar pas verschenen improvisatie-cd over het ditzelfde thema improviseren, dus ra ra wie heeft dit thema bedacht? Ook vraag je je dan af hoe spontaan haar improviseren was. Overigens doet ze dat in het filmpje in een heel andere stijl dan in de Doelen. Daar zette ze donderdag haar improvisatie op in de streng polyfone stijl van J.S. Bach, waarin het Cucaracha-motief subtiel verborgen opdook in een Lutheraanse klankomgeving. In de tweede helft kwam de dans volledig los in een virtuoze fusion van een barokke toccata en een Latijns-Amerikaanse dans.

Het Rotterdamse Philharmonisch Orkest werd geleid door de jonge Slowaak Juraj Valcuha, die oktober jongstleden in de Doelen grote indruk maakte als invaller voor André Previn. Dit keer was zijn dirigeren soms minder overtuigend. Zijn directie oogde wat schools. In Prokofjev lukte het hem, overwegend in het eerste deel, in de hoge tempi niet altijd alle partijen recht onder elkaar te krijgen. Ravels ’Une barque sur l’océan’ wist na de pauze matig te boeien. Maar zijn gloedvolle, fraai uitgewerkte vertolking van Debussy’s ’La Mer’ maakte alles goed. Hij was trouwens het concert subliem gestart met het realiseren van grote spanningsbogen in een lastige, moderne compositie: ’Apex’ uit 1995 van Dusapin. Hoewel minder toegankelijk dan de andere uitgevoerde stukken, paste dit homogene, spannende werk goed in het program.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden