Ga er gerust van uit dat je tachtig wordt... ...dan kan het altijd nog tegenvallen

Wij berusten allang niet meer in een bepaalde voorspelbaarheid van het leven. Wij bepalen zelf onze levensloop: een individueel project dat heel lang kan duren. En ondanks het verlies aan zin en betekenis varen we daar wel bij, schrijft Frits de Lange. We zijn immers rijker, gezonder en vitaler dan ooit tevoren. „Maar elke planning kent de grens van het ongewisse. Ook het leven van controlefreaks kan ooit gierend uit de hand lopen.”

De 12de-eeuwse lezer die aandachtig de ’Hortus Deliciarium’ van Herrad van Landsberg in zich opnam, zag zijn leven afgebeeld als een klim op een jakobsladder. Zijn taak bestond eruit om fase na fase de hemel te bereiken door deugdzaam wereldse verleidingen te weerstaan. Van de wieg tot het graf behoorde hij gericht te zijn op de hemelse zaligheid. Geduld, standvastigheid, nederigheid en liefde hielden hem op de ladder en brachten hem uiteindelijk de hemelse kroon. Liet hij zich verleiden door wellust en hebzucht (een mooie vrouw met een groot bed, de schittering van geld en goud, de verleiding van de macht) dan tuimelde hij van de ladder en liep hij zijn eeuwige bestemming mis. Het aardse bestaan was voor de middeleeuwer een korte, maar cruciale voorbereiding op de eeuwigheid, inzet van een strijd tussen engelen en demonen.

De 17de-eeuwse burger die in zijn huiskamer een Trap des Ouderdoms aan de muur had hangen, wist ook waartoe hij geboren was en wat hem te doen stond. Zijn spaarzame tijd mocht hij niet verlummelen – zie de zandloper in de handen van de dood. Tussen wieg en graf moest hij zijn tijd benutten met het opbouwen van een goede maatschappelijke positie, het vormen van een gezin, het verwerven van een eerbaar burgerschap.

Bedencken leert ons telcken keer

Dat wij doch sterven moeten Heer

Opdat wij daardoor onbedroghen

Terecht verstandig worden mogen.

Niet de vroomheid in het uur van zijn dood besliste over zijn eeuwige lot, maar de totale opbrengst van zijn levensloop. Het ging om verstand en ambitie, niet om liefde of nederigheid. Om vlijt, meer dan om vroomheid. Voor hij het wist, had de burger zijn kansen verspeeld.

De vijftigjarige in de kracht van zijn leven besefte: „Maar op de vijfde is juist dien dagh, / Daer in die Son niet hogher mag.” En: „t eynde zal het paxken dragen.” De levensloop was geen lange ladder omhoog naar een wijze ouderdom, maar richtte zich op de prestatieboog van een volwassene, als een brug.

De Trap des Ouderdoms gold, sinds hij in 1540 voor het eerst op een houtsnede verscheen, als de standaard voor de burgerlijke levensloop, zo’n driehonderdvijftig jaar lang. Hij gaf een ideale stilering, geen feitelijke weergave. Slechts een enkeling bereikte immers een hoge leeftijd, en de krasse vijftiger was in werkelijkheid doorgaans al oud en versleten. Maar de aanblik van de prent gaf rust en zekerheid, verschafte zin en betekenis. Het beeld bezwoer met zijn bedaarde opeenvolging van levensfasen het ongewisse tussen geboorte en dood – al viel niet te ontkennen dat het lot de een goedgunstiger bedeelde dan de ander: „Des menschen op- en nedergangh, valt d’ene soet en d’ander bangh.” Je had het zoet en het zuur gedeeltelijk toch in eigen hand. Door een methodische organisatie van de levensloop kon je als burger redelijk de grillen van het lot bezweren. Alles stond in het teken van de arbeid. De jeugd was er een voorbereiding op, de oude dag een terugblik. Het onderwijs maakte je er geschikt voor, het pensioen deed je er – hopelijk voldaan – op terugkijken. Vanzelfsprekend stond de man model: zijn carrière bepaalde het beeld. De levensloop van de vrouw was daarvan een afgeleide en daaraan ondergeschikt. De zin van haar leven lag in moederschap en huwelijk. Mannen produceerden, vrouwen reproduceerden.

Dit levensideaal ligt voorgoed achter ons. De greep van het collectieve levensloopregime is sinds de jaren zeventig gaandeweg verslapt. Dat is te merken in wet- en regelgeving. Op maat gesneden ’levensloopregelingen’ vervangen de collectieve arrangementen van weleer. De wet maakt sinds mei 2004 leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt strafbaar. Door deeltijdwerk en flexibele uittreding vervaagt de band tussen persoonlijke identiteit en arbeid. En het zal niet lang meer duren of de pensioengrens van 65 jaar wordt helemaal losgelaten.

Achter deze ontwikkelingen voltrekt zich een decollectivisering van de levensloop. Scholing, werk (voor vrouwen: huwelijk en gezin) en pensioen zijn niet meer de norm. De laatmoderne levensloop wordt een serie individuele passages. Het ouderlijk huis verlaten, een baan vinden, werkloos raken, trouwen, scheiden, kinderen krijgen, met pensioen gaan, (hoog)bejaard worden – individuen moeten hun eigen weg daarin vinden, ieder voor zich. Collectieve rituelen ontbreken. Het construeren van continuïteit en eenheid in de levensloop is aan het individu zelf.

Van de standaardlevensloop gaan we naar de keuzebiografie. Hoe ziet zo’n laatmoderne biografie er globaal uit? De burgerlijke idylle van een afgeschermd ’jeugdland’ is al gauw voorbij, kinderen leven in dezelfde wereld als de volwassenen. De moderne media versnellen de ’disappearance of childhood’ (Neil Postman), de digitale snelweg maakt ze vroeg streetwise. In een lange, nieuwe levensfase, de postadolescentie, proberen ze opleiding, werk, relaties, religie en levensstijlen uit. Hun leven is een essay. Ze zijn ’vroeg mondig, laat volwassen’ (Christien Brinkgreve). In de dynamiek van een postmoderne samenleving moeten ze flexibel en mobiel zijn, ook als ze straks als volwassenen beslissende keuzes maken en duurzame verbintenissen aangaan. Hun identiteit blijft noodgedwongen vloeiend en vloeibaar, hun keuzes zijn voorlopig. Echtscheidingen, eenoudergezinnen, patchworkfamilies zijn een gebruikelijk patroon. Niet het echtpaar, maar de single is de norm.

Volwassenen willen ’leven in de breedte’ (A.F.Th. van der Heijden), en zorg, arbeid, vrije tijd en scholing tegelijkertijd combineren. Een hedendaagse volwassene leeft permanent in overgang. Arbeid is niet meer de enige, noch de belangrijkste levensvervulling. De exclusieve normativiteit van de mannelijke beroepscarrière is verleden tijd. Authenticiteit is belangrijker dan prestatie.

Wie met deze cultuur is doordrenkt, zal ten slotte anders ouder worden dan zijn ouders en grootouders. Was je als zestiger vroeger uitgeblust, rijp voor hoogstens nog paar jaartjes Avondrood, nu bruis je nog van energie. ’Memento mori’ sprak de middeleeuwer. Doodgaan kan altijd nog, zei Harry Mulisch eens, en hij is daarvan zelf het levende bewijs.

De laatmoderne levensloop is een individueel project dat heel lang kan duren. Maar wat is in hemelsnaam de zin en betekenis ervan?

Door de cultuurgeschiedenis heen hebben mensen geprobeerd om het onzekere levenslot te bezweren met symbolische middelen. De levensloop werd in drieën, vieren, zessen, zevenen of tienen opgedeeld, verbonden met de gang van de seizoenen of de planeten, met de humeuren, de kalender of de wereldtijdperken. Wij zijn al die duidingen kwijt. In een eeuw waarin we langer leven dan ooit, weten we minder dan ooit hoe we het moeten vormgeven. Ieder wordt maar op zijn eigen manier zalig, zei Frederik de Grote over het leven na dood. Wij zeggen dat nu over het leven vóór de dood. God bepaalde de levensloop van de middeleeuwer. De maatschappij gaf zin en betekenis aan die van de burger. Het 21ste-eeuwse individu moet het helemaal zelf doen.

Waarom worden we niet gek van dat verlies aan zin, dat gebrek aan structuur, die verpletterende verantwoordelijkheidsdruk?

Omdat we er ondanks alle getob toch wel bij varen. We zijn gemiddeld rijker, gezonder, vitaler en leven langer dan ooit tevoren. Geen wonder dat we ook gelukkiger zijn. Wees blij dat het leven geen zin heeft, schreef Jaap van Heerden, en velen kunnen het hem nazeggen. Zij hebben een goed belegde boterham, een dak boven hun hoofd, een mooi boek in de kast en niet te veel chronische pijn in hun gewrichten. De zinvraag is voor hen een luxe die zachtjes indut bij een goed glas wijn. We leven in een liquid society zonder vaste identiteiten, zegt Zygmunt Bauman. Maar postmoderne Nederlanders bezitten zoveel bestaanszekerheid, dat de gemiddelde middeleeuwer en 17de-eeuwse burger er jaloers op zouden zijn. Zij zouden graag hun symbolenrijkdom inruilen voor onze gevulde koelkast. Zelfs de maatschappelijke onderklasse leeft in het Westen in grotere luxe dan de Franse Zonnekoning.

Velen wanen zich vandaag in de wereld die de 16de-eeuwer Francis Bacon in zijn ’Nieuwe Atlantis’ als een verre toekomstfantasie beschreef: „De verlenging van het leven. Het herstel van de jeugd tot op zekere hoogte. De vertraging van de ouderdom. De genezing van ziekten die voor ongeneeslijk doorgaan. De verzachting van pijn.”

Een levensloop is nog nooit zo zeker geweest. Jongens van achttien hebben een kans van 85 procent om vijfenzestig te worden, meisjes 90 procent, berekende het CBS in 2004. De dood, vroeger alom aanwezig onder zuigelingen en kinderen, is de metgezel van de hoge ouderdom geworden. Natuurlijk kan het lot je zomaar treffen met een hartaanval, tumor, hersenbloeding, verkeersongeluk of terroristische aanslag. Maar ga er gerust van uit dat je tachtig wordt. Kan het altijd nog tegenvallen.

Fluitend voltooien we onze levensloop. En met een frisse blos op de wangen kunnen we gemakkelijk nihilist zijn. Is het geen zegen, te kunnen leven zonder zin? Waarom zouden we dan wanhopen of naar de hemel verlangen? Kijk naar een andere jakobsladder, nu op een afbeelding uit 1531. Een ridder met de blik hemelwaarts gericht maakt zich los van ziekte, dood, armoede en wellust. Waarom zouden wij naar de hemel verlangen als de drie eerstgenoemde plagen ons niet langer deren? Er blijft dan wel één aardse verleiding over, de wellust, maar wie zou daarvoor niet nog even in het tranendal willen blijven?

Er is evenwel nog een belangrijker reden waarom we niet méér wanhopen aan de spirituele leegte van de keuzebiografie: we hebben gaandeweg het vacuüm succesvol opgevuld met het geloof in onze eigen planning. Het ongewisse bezweren we niet langer met de goddelijke voorzienigheid of met de collectieve arrangementen van de verzorgingsstaat, maar met technology assessment. De levensloop is een zaak van zelfmanagement geworden. Technologie heeft de taak van de magie overgenomen.

Om te overleven in de risicosamenleving heb je een berekenende houding nodig, moet je de toekomst koloniseren. Dat vraagt om een persoonlijkheidsstructuur waarbij je voortdurend over je eigen schouder meekijkt. Toekomst is niet meer het wachten op de dingen die gaan gebeuren, maar het rationeel afwegen van scenario’s en keuzes. De risicomens runt zijn leven en ’monitort’ zichzelf als een kleine onderneming. Hij is de CEO van zijn eigen planbureau.

Zelfmanagement is inmiddels een religie in beleidsland, een politiek welzijnsideaal. Management, tot voor kort alleen een techniek om organisaties aan te sturen, is nu ook de panacee voor slechtlopende levens.

Zelfmanagement veronderstelt dat je een instrumentele verhouding ontwikkelt tot je eigen angsten en verlangens, talenten en zwakheden. Dat alles zijn we niet meer, we hebben het. Dat we ons eigen leven beheersbaar kunnen maken, is de verlossingsboodschap van de 21ste eeuw. Het is een bevrijdingstheologie zonder God.

Ik geloof er niet in. De dubieuze vooronderstelling is immers dat mensen in staat zijn zich een redelijk beeld te vormen van hun toekomst en de gevolgen kunnen overzien van hun keuzes. In de managementsfilosofie overleeft zo de oude droom van Plato, dat het mogelijk is om met behulp van de ratio (technè) de grillen van het lot (tuchè) onder controle te krijgen. Een hoge opleiding garandeert een goede baan. Een matige levensstijl garandeert een goede gezondheid. Een gestage pensioenopbouw garandeert een aangename oude dag. Is de suggestie.

Maar in werkelijkheid geeft het leven natuurlijk geen garanties. Of je nu pech hebt of geluk, overal ligt het toeval op de loer. Natuurlijk, een slimme jongen of meid is op haar toekomst voorbereid. Probeer dus zoveel mogelijk om je lot in eigen hand nemen. Maar niets is zeker, het leven is onberekenbaar en de toekomst ongewis. Zijn we technisch dan niet veel verder dan Plato? Dat mag waar zijn. Maar ook de techniek heeft weer haar eigen onvoorziene en onvoorzienbare gevolgen. We proberen haar wel met risk assessment en uncertainty management (nog meer techniek dus) onder controle te brengen, maar hoe meer we dat doen, des te onbeheersbaarder lijkt zij te worden. Planning lijkt soms niets anders dan de voortzetting van de chaos met andere middelen (Odo Marquard).

De fantasie van de maakbare levensloop accepteert niet dat levens ook buiten ons om out of control kunnen raken. Dat ons rampen en zegeningen overkomen die we niet aan onszelf te wijten of te danken hebben. Zelfs als jij zelf denkt tamelijk voorspelbaar te zijn, dan toch niet die tegenligger op de verkeerde weghelft. Mensenlevens zijn geschiedenissen, met een plot, een intrige, die pas gaandeweg ontstaat. En geschiedenissen kun je niet plannen, die moet je vertellen.

Het heeft daarom iets potsierlijks om van jonge mensen te verwachten dat ze als ondernemers voor zichzelf een strategisch levensplan maken. Ze kunnen niet alleen niet aan die eis voldoen, het zou ook al hun plezier in het leven vergallen. Door zich krampachtig af te sluiten voor elke onzekerheid, worden ze ook immuun voor het geluk dat hun in de schoot geworpen wordt. Het leven zou hun geen enkele verrassing meer bieden.

Notoire zelfmanagers die blind geloven in de beheersingskracht zouden te rade moeten gaan bij experts in zelfreflectie. Bij filosofen als Montaigne: „We leven bij toeval. [...] Niemand maakt een vast plan voor zijn leven, we beslissen alleen over stukjes ervan.” Of bij Isaiah Berlin, die in een interview ter gelegenheid van zijn 88ste verjaardag benadrukte dat hij ’nooit, maar dan ook nooit’ plannen had gemaakt voor zijn leven. „Ik deed gewoon het ene na het andere en benutte de mogelijkheden die zich voordeden. Ik heb wezenlijk een ongepland leven geleid.”

Jonge mensen moeten vaardig zien te worden in de kunst van de improvisatie, meer dan in de calculatie van een sluitende risicoboekhouding. Zij hoeven geen goden te zijn die zichzelf een wereld ex nihilo scheppen, maar mensen die al laverend en schipperend „doen wat hun hand vindt om te doen”. (Prediker 9:10)

Er is een tweede reden om niet in de maakbare levensloop te geloven: het planningsgeloof is niet alleen onrealistisch, maar ook onbarmhartig.

Het heeft geen enkel oog voor tragiek. Het rekent mensen af op – zo luidt de mantra in beleidskringen – „hun keuzes, die ze in vrijheid gemaakt hebben en waarvoor ze dus verantwoordelijk mogen worden gehouden”.

Vooral ouderen met een minder succesvol leven achter zich worden er het slachtoffer van. De financiële, sociale, fysieke ellende die zij met zich meedragen, heeft zich vaak opgehoopt als gif in een voedselketen. Een aaneenschakeling van pech, falen of allebei, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Maar in de ogen van de planners krijgt iedereen de oude dag die hij verdient. Hij kon er toch op voorsorteren?

De ideologie van de vrije keuze heeft iets pervers, omdat ze uitgaat van een evidente leugen. Keuzes zijn zelden vrij. Ze worden altijd genomen in contexten die min of meer dwingend de alternatieven bepalen.

Neem iemand die dagelijks tal van belangrijke beslissingen neemt, in het Torentje, of ergens in een bestuurskamer op de Zuidas. Hij heeft veel macht, maar is hij ook vrij, in de zin van: ongedwongen? Allesbehalve. Hij is ingesponnen in een web van beperkende condities. Zijn mensen vrij als ze moeten kiezen tussen een zorgpolis van Ohra of Zilveren Kruis, een levensloopregeling of spaarloon, een rode of een blauwe rollator, het ene of het andere verpleeghuis?

Vrij zijn mensen pas in die keuzes waarmee ze zichzelf kunnen vereenzelvigen, waar ze zelf met ziel en zaligheid voor kunnen gáán. Dat zijn er niet zo veel. Waarom dan toch die nadruk op de ’vrije keuze’? Ergens moet de rekening worden gepresenteerd. Nu we haar niet meer in de schoenen van de Voorzienigheid kunnen schuiven en evenmin verhaal kunnen halen bij de overheid, waar leggen we haar dan neer? Bij het individu zelf. Hem rekenen we de volle verantwoordelijkheid toe voor zijn levensloop. Als een Atlas moet hij zijn eigen wereld dragen, ook als hij hem niet heeft uitgekozen.

De ideologie van de vrije keuze is een onbarmhartige strategie, bedacht na de ’dood van God’ en het uitkleden van de verzorgingsstaat. Zij leidt tot een genadeloze afrekeningscultuur doordat ze de mogelijkheid van het tragische niet wil erkennen. Tragiek heeft oog voor de fundamentele ambivalentie van het menselijk handelen en houdt daar in haar oordeel rekening mee. Ze erkent dat mensen vrij kunnen zijn en tegelijk door de omstandigheden gedwongen, dat ze verantwoordelijk gehouden moeten worden en tegelijk onschuldig zijn, dat ze schuld op zich kunnen nemen zonder verantwoordelijkheid te dragen.

Oedipus moet uiteindelijk erkennen dat hij zijn vader heeft gedood. Maar we blijven bij dat proces geen afstandelijke toeschouwer. De tragedies van Sophocles, Aischylos en Euripides bedoelden ooit ook mededogen op te wekken met hen die het noodlot over zich afriepen. Wie als buitenstaander het tragische in andermans leven erkent, verzacht zijn oordeel uit humane verbondenheid.

De ideologie van de vrije keuze is daarentegen meedogenloos. Werkloos? Had je maar een betere opleiding moeten kiezen. Ziek? Had je maar niet moeten roken. De rechtspraak lijkt tegenwoordig barmhartiger dan het sociale verzekeringstelsel; zij heeft nog weet van verminderde toerekeningsvatbaarheid, de sociale wet- en regelgeving niet meer.

Natuurlijk, mensen moeten hun lot zoveel mogelijk in eigen handen willen nemen. Cultuur is niets anders dan een poging tot ’domesticatie van het noodlot’ (Jos de Mul). Daarin ligt onze menselijke grandeur en waardigheid. En heeft het Westen autonomie niet welhaast tot hoogste waarde verheven? We moeten dan ook af van de slachtoffercultuur die Theodore Dalrymple tegenkwam in wat hij de onderklasse noemt. Wie iemand overhoop steekt, en zegt: ’Het mes ging erin’, ’De kop sloeg op hol’, ’Het bier maakte me wild’, ontkent de vrijheid die hij wel degelijk bezat. Zo iemand moet niet op begrip, maar op tegenspraak kunnen rekenen.

De moderne levensloop vraagt om bewuste zelforganisatie, om zelfsturing en – jawel – planning. Als intentie, als vertrekpunt is dat juist. Ook wie geen kinderen ’neemt’, maar vindt dat hij ze krijgt, moet er toch voor kiezen ze te willen krijgen. ’Wie dan leeft, wie dan zorgt’ kon je vroeger uitleggen als een uiting van godsvertrouwen, nu is het gewoon onverantwoord gedrag. Nu je er sterk rekening mee moet houden dat je de tachtig haalt, kun je dat niet op je kinderen of de overheid verhalen.

Maar elke planning kent de grens van het ongewisse. Ook het leven van controlefreaks kan ooit gierend uit de hand lopen. Dat inzicht relativeert de regelzucht. Het leven kan je weer onthutsen of verrassen. De mens achter de zelfmanager wordt weer zichtbaar.

Relativering van de planningskramp is niet alleen goed voor de enkeling, ook voor de maatschappij. Zij maakt het beleid barmhartiger. Wie oog heeft voor het onbedoelde en onvoorziene zal een buffer willen aanleggen voor mensen die in de hoek terechtgekomen zijn. Door eigen toedoen of dat van anderen – of door beide. In het sociale vangnet blijft de schuldvraag in het midden.

De erkenning van het tragische is een typisch Europees inzicht, zegt de Rotterdamse filosoof Jos de Mul. We moeten er trots en zuinig op zijn. Tot nog toe waren we dat, ondanks onze minstens zo grote inzet op de techniek. De traditie van sociaal mededogen steunt behalve op christelijke naastenliefde ook op humanistische lotsverbondenheid. In de zorg- en hulpverlening heeft dat geresulteerd in wat De Mul een hoge graad van ’ambiguïteitstolerantie’ noemt. We laten mensen niet stikken, zelfs al hebben ze zichzelf in de vernieling geholpen.

Dit mededogen dat de schuldvraag in het midden houdt, moet ook het levensloopbeleid blijven bepalen. Een onlangs verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over de toekomst van de verzorgingsstaat pleit voor een ’zachtmoedige samenleving’. Dat klinkt soft, maar is dat allesbehalve. Nederlanders, blijkt uit onderzoek, willen ook zelf graag in zo’n zachtmoedige samenleving leven (SCP, 21minuten.nl).

Technieken van zelfmanagement laten zich goed gebruiken tegen de grillen van het lot. Maar besef dat het lapmiddelen zijn. Voed jongeren dus op tot mondigheid, zorg dat ze hun leven zoveel mogelijk in eigen hand willen nemen. Planning en controle zullen hen helpen bij het weren van ellende en gebrek. Maar laten ze er niet in gaan geloven. Het is geen evangelie. Als het om ons eigen hachje gaat, is ondernemerschap niet meer dan een metafoor. Wie door het lot getroffen wordt, moet niet het verwijt krijgen dat hij zijn leven niet goed gemanaged heeft. Hij verdient mededogen en steun om ervan te maken wat ervan te maken valt.

Wat blijft er over als we ook de planningsmythe hebben afgezworen, en erkennen dat het leven ongewis is en vol tragiek? De symbolische levensloopconstructies uit vroegere eeuwen zijn ons vreemd geworden. Wat rest is de lege huls van de keuzebiografie. We kunnen nu ook dat begrip kritisch stuk willen denken, maar ik doe dat niet. Omdat het in de verte resoneert met wat ik uit de christelijke traditie heb meegekregen.

Het christendom heeft in zijn geschiedenis naar hartelust meegedaan met de inbedding van de levensloop in collectieve symboliek. Maar het kent daarnaast ook een uniek, individualiserend element. Dat zouden we voor vandaag weer vruchtbaar kunnen maken.

In het geloof wordt het leven gezien als een reis van de ziel op weg naar God, een persoonlijke pelgrimage. Die reis nodigt de gelovige uit om de eigen levensgang te overdenken. Daarmee legt het christelijke geloof ook de kiem voor het moderne ideaal van de levensloop als reflexief project.

Niet in welke fase je je bevindt is beslissend voor de zin van een leven, maar hoe ver de ziel van God verwijderd is. Jeugd en ouderdom kunnen dan ook als ’geestelijke’ fasen worden verstaan. Je kunt lichamelijk oud zijn, maar geestelijk jong, en omgekeerd. Volwassenheid is dan niet: lichamelijk of sociaal volgroeid zijn, maar het bereiken van de ’volle wasdom in Christus’ (Efeze 4:3), de spirituele perfectie. In dit geestelijk verstaan van de levensloop valt een mens niet meer samen met zijn fysieke staat. Het geloof dat een mens meer is dan zijn natuurlijke levenscyclus, komt erin tot uitdrukking. Ik verwerkelijk mijzelf, door de kringloop van opgaan, blinken en verzinken te transcenderen.

In het puritanisme speelde dit beeld van de spirituele pelgrimage een belangrijke rol. Generaties protestanten zijn met John Bunyans ’Pilgrim’s Progress’ (1678) groot geworden en hebben de symboliek ervan ingedronken. Het draait in ’s Christens reis op weg naar de eeuwigheid om individuele bekering en heiliging, niet om jong of oud; de held in Bunyans allegorie blijft, ook al reist hij een heel leven lang, merkwaardig leeftijdsloos. Eigenlijk wordt hij nooit volwassen. Hij blijft een eeuwige adolescent.

Al is de wereld van Bunyan niet meer de onze, het pelgrimsmotief is nog steeds vertrouwd. De protestantse traditie spreekt misschien eerder van roeping, de rooms-katholieke van bestemming, maar voor beide geldt: het leven is een reis, waarin een taak moet worden vervuld. Ook wie de religie heeft afgezworen, zal misschien in zichzelf nog dat ’heilige moeten’ herkennen, de onweerstaanbare idee dat er een levensopdracht voor je klaar ligt die vervuld moet worden, speciaal voor jou, alleen door jou. Een innerlijke rode draad die je volgen moet, ook al is er aan je leven soms geen touw meer vast te knopen. Opgaan, blinken en verzinken – het is één kant van het verhaal. De buitenkant.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden