Fundamentalisten glimlachen helaas nooit

De auteur is hoogleraar godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit te Amsterdam

De naam van deze Egyptische schrijver wordt sinds 1989 vaak in verband gebracht met Salman Rushdie, de auteur van 'De duivelsverzen', die een doodvonnis tegen zich hoorde uitspreken. De aanklacht tegen deze laatste had vooral van doen met de wijze waarop hij in zijn boek over de profeet Mohammed had geschreven.

In de ogen van 'fundamentalisten' zou Nagib Mahfoez onder een dergelijk verdict moeten vallen. Maar net zoals in het geval van Rushdie zijn er weinig moslims die het boek waar het om gaat gelezen hebben. In Mahfoez's geval gaat het om het in 1959 in afleveringen in het Egyptische dagblad al-Ahram verschenen werk Kinderen van onze wijk (Awlad Haritna). Daarin beschrijft hij in een aantal allegorische vertellingen de geschiedenis van de wereld én van de godsdiensten (jodendom, christendom en islam). Hij laat de hele geschiedenis zich als het ware afspelen in de 'moeder van de wereld' (umm al-dunya), zoals de bijnaam van Caïro luidt.

In een vijftal verhalen treden onder meer Mozes, Jezus en Mohammed op. Ieder van hen heeft geprobeerd recht en gerechtigheid in de wijk (wereld) te vestigen dan wel te herstellen, zodat de wereld geregeerd zou worden zoals God het bedoeld heeft. Maar steeds is er weer de tirannie die het wint en de regeerders weten zich wederrechtelijk meester te maken van de goederen van deze wereld die voor allen bestemd zijn. Zijn niet alle mensen kinderen van één vader? Alle drie: Mozes, Jezus en Mohammed hebben sociale gerechtigheid trachten te brengen. Maar wat heeft het geholpen?

In het laatste verhaal, over 'de moderne mens' (de mens van wetenschap), stelt Nagib Mahfoez de geloofscrisis aan de orde: Wat hebben die godsdiensten aan de mensen voor goeds gebracht? Moet de moderne mens een weg naar verlossing/bevrijding zoeken via de wetenschap en is het dan maar niet beter de godsdienst achter zich te laten?

Nagib Mahfoez stelt impliciet de machthebbers en hun onrechtvaardige praktijken in het Egypte van zijn tijd aan de kaak (uit de tijd van Gamal 'Abd al Nasser). Hij oefent kritiek uit op de godsdienst(en) en raakt daarbij gevoelige punten aan, maar hij doet dat heel wat subtieler dan Salman Rushdie het heeft gedaan.

Toen de Egyptische overheid de publikatie van het werk als boek in Caïro verhinderde (het werd uiteindelijk in Beiroet in 1967 gedrukt) geschiedde dat vanwege de vermeende aantijgingen aan het adres van de profeten, maar vermoedelijk meer of mede om de impliciete kritiek op het eigen bewind niet als aanleiding te hoeven noemen.

Als ik zeg dat Nagib Mahfoez subtieler te werk is gegaan kan dat met het volgende voorbeeld verduidelijkt worden. In beider boeken komt de kwestie van de omgang van de profeet Mohammed met zijn vrouwen aan de orde. Dat is de eeuwen door een kwestie geweest die een rol speelde in de polemiek tussen christenen (vooral in Europa) en moslims, waarbij de christenen er vooral op wezen hoezeer Jezus gunstig afsteekt bij Mohammed. Salman Rushdie drijft op een bepaalde manier met Mohammed en diens vrouwen de spot wanneer hij een beschrijving geeft van een bordeel in Medina, waar hij de bewoners met de namen van de vrouwen van Mohammed siert. Hij vertelt hoe de 'cliënten' van het bordeel een 'kick' krijgen bij de gedachte dat ze als het ware met de vrouw van de profeet naar bed gaan. Deze beschrijving kan mijns inziens een voorbeeld van (op zijn zachtst gezegd) slechte smaak genoemd worden. (Uiteraard geen reden om de veroordeling à la imam Khomeini te verontschuldigen!)

Nagib Mahfoez, die op een allegorische wijze over de profeten schrijft, geeft de volgende dialoog tussen Mohammed (in het boek Qasim genoemd) en diens oom weer, waarbij de vergelijking getrokken wordt tussen Jezus en Mohammed.

“Eens zei Qasim (Mohammed) tegen Yayha (zijn oom): “Ik ben een tevreden arme man. Ik steek geen vinger uit om iemand kwaad te doen. Denk je niet dat ik als Rifa'a (Jezus) ben?” De man schudde ontkennend zijn hoofd en zei: “Jij als Rifa'a? Rifa'a zette zijn leven in om zijn broeders geluk te brengen en hen te bevrijden van diegenen die kwaad in de zin hadden.” Toen lachte de oude man en zei verwijtend: “Jij bent een jonge man gek op vrouwen. Jij loert stiekem op meisjes.” Qasim vroeg met een glimlach: “Is daar iets verkeerds aan, mijn meester?” Yayha zei: “Dat is jouw zaak. Maar zeg niet dat je als Rifa'a bent.”

Toen ik indertijd Nagib Mahfoez vragen stelde omtrent zijn uitleg van de christelijke en islamitische traditie in dit boek glimlachte hij en zei: “U bent de lezer . . .”

Maar fundamentalisten glimlachen helaas nooit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden