'Fuchs benadert buitenkunst eenzijdig'

AMSTERDAM - De opmerkingen van Rudi Fuchs over kunst in de openbare ruimte gaan voorbij aan de huidige praktijk van opdrachtenverstrekking aan kunstenaars in Nederland. Volgens directeur H. Walgenbach van het Rotterdamse Centrum voor Beeldende Kunst roert de directeur van het Stedelijk Museum maar een klein deel van de momenteel op grote schaal gevoerde discussie over openbare kunst aan.

Fuchs zei zaterdag tijdens een symposium in Utrecht dat kunstenaars op straat minder vrijheid moeten krijgen dan in het museum. Opdrachtgevers zouden een kunstenaar moeten benaderen met een strikte omschrijving van het gewenste werk. Dat vindt de kunstenaar niet erg en je voorkomt bezwaren van mensen die met zo'n werk moeten leven.

Walgenbach: “Het is niet meer mogelijk dit onderwerp in een eenduidig mainstream-beleid te vatten. Op elke plek is weer iets anders aan de hand. Want Fuchs gaat uit van een autonoom beeld dat ergens wordt neergezet. Wij werken allang precies andersom, door eerst de omgeving intensief te bestuderen: een kunstwerk voor een woonwijk is een heel ander verhaal dan een kunstwerk voor het centrum van de stad. Het gaat niet alleen om het beeld, maar ook om het proces waarbinnen het totstandkomt, vanuit een veel bredere sociale setting. Er zijn ook veel kunstenaars op die manier bezig: vanuit een sterke sociale betrokkenheid. De discussie voert ook steeds verder: over kunst áls openbare ruimte, openbare ruimte als kunst.”

Volgens Walgenbach is het begrip openbare ruimte sterk aan het veranderen door de opkomst van multidisciplinaire kunstvormen en de nieuwe media. “Er ontstaan nieuwe vormen van openbare ruimte waartoe bijvoorbeeld ook vliegvelden en Internet behoren. Dat betekent dat er goed nagedacht moet worden over de rol die kunst daarin speelt.”

Dat het thema hevig in de belangstelling staat is een feit: niet alleen in Utrecht boog men zich over het onderwerp, ook de Universiteit van Amsterdam organiseerde onlangs een congres onder dezelfde titel, en in Eindhoven wijdde cultuurcentrum de Witte Dame er deze zomer een symposium aan. Het Rotterdamse Centrum voor Beeldende Kunst werkt samen met de Erasmus Universiteit aan een groot congres over kunst en openbare ruimte in het jaar 2001.

De tijd dat kunstenaars hoofdzakelijk bronzen beelden op sokkels op straten en pleinen neerzetten is inderdaad voorbij. Kunstenaars treden in de openbare ruimte steeds meer op als sociologen, antropologen, als stedenbouwkundigen die de bebouwde omgeving en hun bewoners onderzoeken en daar met hun kunst een uitspraak over doen. Zo maakte beeldend kunstenaar Sjaak Langenberg dit voorjaar op verzoek van de gemeente Zoetermeer het 'Kappersharnas': een tijdschrift waarin hij door middel van gesprekken met de kappers van Zoetermeer de culturele identiteit van de inwoners probeerde te vangen. In Gorinchem ging Martijn Engelbregt deze zomer met een enqueáe van deur tot deur, op zoek naar het 'meest democratische kunstwerk ter wereld'. Niet het eindresultaat, maar de enqueáe an sich vormde het kunstwerk.

In Den Haag kropen Arno van der Mark en Jan van Grunsven met het project '301 steps' recentelijk in de huid van de planoloog door een stuk snelweg bij Den Haag opnieuw in te richten. Directeur Lily van Ginneken van het Haagse centrum voor beeldende kunst STROOM vindt een dergelijke opdracht typerend voor de manier waarop er tegenwoordig over kunst in de openbare ruimte wordt gedacht. “Ik ben het wel eens met Fuchs, die uit zijn eigen ervaringen put, maar dan gaat het om één van de manieren waarop kunst totstandkomt. De huidige praktijk ziet er heel anders uit. Daarom noemde ik zaterdag tijdens het symposium ook de engelenzender van Moniek Toebosch op de Afsluitdijk - een fm-frequentie waarop automobilisten naar engelengezang kunnen luisteren, red. - als een geslaagd voorbeeld van een andere vorm van kunst in de openbare ruimte.”

Interim-directeur Jos Wilbrink van de Nieuwe Brabantse Kunststichting vindt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen “hedendaagse kunst in de openbare ruimte en historisch/traditionele objecten als boerinnetjes of de generaals te paard waar Fuchs het over had. Voor hedendaagse kunst is de openbare ruimte de enige plek om het aan een breed publiek te laten zien. Dus mag je de kunstenaar daar ook behoorlijk vrijlaten. Je moet omwonenden wel voorbereiden en informeren, maar echte inspraak heeft nooit gewerkt. Een goed voorbeeld is Hans van Houwelingen, die wel gesprekken met omwonenden voerde voor zijn Perzisch tapijt op de Utrechtse Amerhof, maar uiteindelijk zijn eigen ontwerp uitvoerde.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden