Freud op de sofa

’Freud maakte ons op onverbloemde wijze duidelijk hoe verhuld en verwrongen de menselijke motieven soms zijn, hoe weinig we op onze bewust beleden intenties kunnen vertrouwen en hoe belangrijk maar ook hoe moeilijk het voor ons is om onszelf te kennen.’

Sigmund Freud, 150 jaar geleden geboren, wordt tegenwoordig in diskrediet gebracht als wetenschapper. Maar volgens de psychiater en essayist Theodore Dalrymple was Freud, met al zijn tekortkomingen, een genie wiens invloed op het zelfbewustzijn van de mens vandaag de dag nog altijd voelbaar is.

De koers van de aandelen Sigmund Freud, wiens 150-jarige geboortedag we in mei vierden, is nooit lager geweest dan nu. Er bestaat vrijwel geen intellectuele fout of karakterzwakte die niet aan hem is toegeschreven. Terwijl het ooit modieus was om hem te vereren, is het tegenwoordig modieus om hem te beschimpen. Hij wordt beschouwd als weinig meer dan een charlatan die beter Fraude dan Freud had kunnen heten.

Zijn theorieën zijn nauwgezet ontzenuwd en zijn levenswerk is door overtuigend historisch en biografisch onderzoek zodanig ondermijnd dat het punt van de volledige vernietiging nadert. En ondanks alles wat er tegen hem is geschreven, ondanks de talloze boeken die hem hebben ontmaskerd, vermoedt toch vrijwel iedereen dat hij een man is die al zijn critici in grootheid overtreft. Want als hij echt de onbeduidende figuur was waarvoor hij tegenwoordig wordt gehouden, waarom zou je hem dan zo heftig en gedurende zo lange tijd moeten bestoken?

Natuurlijk is historisch belang niet helemaal hetzelfde als intellectuele verdienste. Iemands ideeën kunnen volstrekt waardeloos zijn maar toch veel invloed hebben, of briljant zijn maar zonder noemenswaardige weerklank blijven. Het valt niet mee om precies onder woorden te brengen wat Freud heeft bereikt; maar iemand die, om de Engelse dichter W.H. Auden aan te halen, een denkklimaat voor de hele wereld creëerde moet heel bijzonder zijn geweest.

Hij is beticht van tal van ernstige vergrijpen. Hij was allesbehalve de eenzame pionier van het onbewuste waarvoor hij zichzelf uitgaf, maar eerder de voortzetter en navolger van de ideeën van anderen en hij was zo onoprecht om hun invloed te verzwijgen. Freud was, kort gezegd, een mythomaan van reusachtige proporties die het verleden zonder scrupules herschreef.

Hij was intellectueel oneerlijk. Hij wist heel goed dat zijn patiënten niet werd genezen op de manier waarop dat in zijn gepubliceerde ziektegeschiedenissen werd beweerd (iets waarover hij ruzie kreeg met zijn scrupuleuzere collega en co-auteur Josef Breuer) en dat de argumenten die hij voor zijn methode aandroeg dus niet deugden; zijn hele getheoretiseer over de structuur van de geest was dus gestoeld op geen enkele vorm van wetenschappelijk bewijs. Hij beweerde dat hij natuurwetenschap bedreef maar in feite had hij weinig op met wetenschappelijke methodiek en gedroeg hij zich eerder als de leider van een cultus of nieuwe religie dan als belangeloos zoeker naar de waarheid.

Wanneer een volgeling, bijvoorbeeld Jung of Adler, met hem van mening verschilde, ondernam hij geen pogingen om diens ideeën te weerleggen, maar probeerde hij hem te beschadigen door de banvloek van de ’ware kerk’ der psychoanalyse over hem uit te spreken, en door zo met kritiek om te gaan stelde hij zich eerder op als theocraat dan als ware wetenschapper. Freud zocht onkritische bewondering en instemming bij zijn navolgers of discipelen; hij zocht geen eerlijke kritiek, die, zo geloofde hij (of pretendeerde hij te geloven) voortkwam uit een onopgelost oedipuscomplex.

De invloed van zijn ideeën – zij het in gevulgariseerde en gesimplificeerde vorm – op de cultuur was desastreus en zelfs catastrofaal. Zo heeft bijvoorbeeld de gedachte dat disfunctioneel gedrag tijdens het volwassen leven zijn oorsprong vindt in trauma’s uit de baby- of kindertijd, geleid tot het algemene geloof in een begraven psychologische schat, die er, als hij maar eenmaal in heldere bewoordingen is opgediept en onthuld, automatisch en volstrekt op eigen kracht voor zorgt dat het disfunctionele gedrag ophoudt, zonder dat de patiënt verder ook maar enige bewuste moeite hoeft te doen om dat gedrag aan banden te leggen.

Freud versterkte dus de neiging van mensen om de schuld voor hun ondeugden allereerst bij hun ouders te leggen en vervolgens bij de artsen die hen niet van die ondeugden konden ’genezen’. Hij was een van de machtigste moderne vernietigers van het idee van de persoonlijke verantwoordelijkheid.

Zijn opvatting dat de onderdrukking van de kinderlijke seksualiteit neuroses en zelfs psychoses veroorzaakte of kon veroorzaken, resulteerde in een grove seksualisering van de cultuur, want ze hield in dat zelfbeheersing niet alleen ongezond was maar ook gevaarlijk. Zo werd Freud de belangrijkste intellectuele kracht achter ons tegenwoordige libertinisme.

Ook verzwakte hij de positie van de rationele argumentatie in menselijke aangelegenheden. Hij stelde de mensen in staat om bij voortduring de redenering op te hangen dat lieden met wie ze van mening verschilden niet zozeer de verkeerde bewijsvoering of logica hanteerden als wel gedreven werden door onbewuste neuroses. Marx en Freud zijn de twee beschermheiligen van het ad hominem-argument, dat onvermijdelijk tot intellectuele luiheid en onoprechtheid leidt. Marx redeneerde dat zijn tegenstanders verblind waren door economische belangen; Freud dat ze verblind waren door hun neuroses – die alleen de psychoanalyse, zoals die door hem werd gepropageerd, kon genezen. De wetenschapsfilosoof Sir Karl Popper kwalificeerde hun denksystemen, het marxisme en de psychoanalyse, als ’zelfbevestigende dogmatische systemen’, omdat alle pogingen tot weerlegging door aanhangers worden gezien als bevestiging van hun waarheid.

Maar veel van de aanklachten tegen Freud mogen gerechtvaardigd zijn, een mens is niet noodzakelijk verantwoordelijk voor het gebruik dat er van zijn ideeën wordt gemaakt. Bovendien was Freud duidelijk uitzonderlijk begaafd.

Hij maakte aanvankelijk studie van de neuroanatomie en de neurofysiologie, waaraan hij belangrijke bijdragen leverde, en toen hij vervolgens een tijdlang neuroloog werd, schreef hij een klassiek werk over spastische verlamming. Bijna had hij de plaatselijk verdovende effecten van cocaïne ontdekt, als hij op een onfortuinlijk moment niet van koers was veranderd en het middel ging aanbevelen als remedie tegen opiatenverslaving, waarmee hij en passant het leven verwoestte van een verslaafde collega, Dr. Fleischl-Marxow. Toch is het zonneklaar dat hij van meet af aan een zeer briljante man was, en dan niet alleen in de zwarte kunst van de zelfpromotie.

Hij beschikte over uitzonderlijke literaire gaven. Hij was zonder enige twijfel een groot schrijver: hem lezen is door hem betoverd worden. Net als bij Sherlock Holmes (met wie wijlen prof. Michael Shepherd van het Maudsley Hospital hem eens op een amusante manier vergeleek), ben je geneigd om de fouten in zijn logica en de lacunes in zijn bewijsvoeringen over het hoofd te zien omdat hij zo vurig argumenteert. De sprongen van zijn verbeelding doen je duizelen; zijn vermogen om betekenis te ontlenen aan kleine details – bijvoorbeeld versprekingen (en wie gebruikt het idee van de freudiaanse verspreking niet?) – laat ons achter met het gevoel dat we in de aanwezigheid van een genie hebben verkeerd. Freud was ook een zeer ontwikkeld man. Hij was een goed taalkundige en zijn kennis van literatuur, vooral die van Shakespeare (die hij las en uit het hoofd leerde), was enorm. Zeer intelligente mensen, zoals de grote Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig, waren diep van hem onder de indruk; toen Freud na de Anschluss in 1938 als vluchteling in Engeland arriveerde, bewees de Royal Society hem onmiddellijk de hoogste eer. In de Royal Society, daar hoef ik vermoedelijk niet op te wijzen, zitten geen stomkoppen. Als Freuds dwalingen echt zo duidelijk zijn als ze zijn criticasters nu toeschijnen, waarom werden ze dan niet veel eerder ontdekt? Om dat te kunnen verklaren kom je bij een haast psychoanalytische redenering uit. We kunnen ons van de manier van denken van Freud dus niet zo gemakkelijk afmaken als we wel zouden willen.

Freuds opvattingen waren niet simplistisch. Zijn visie op het menselijk leven was eerder tragisch dan gemakzuchtig optimistisch. In weerwil van de manier waarop zijn geschriften en ideeën soms zijn gebruikt, was hij geen pleitbezorger van het libertinisme. Zijn eigen publieke gedrag was zelfs opvallend terughoudend. Hij geloofde zeker niet dat een mens een leven kon leiden dat voor altijd vrij was van frustratie en verdriet als hij maar de vrije loop gaf aan zijn instincten, wanneer en hoe dan ook.

Integendeel: als een door en door beschaafde Weense burgermansintellectueel geloofde hij dat frustratie een deel was van de prijs die de mens voor de cultuur moest betalen; maar daar kreeg hij dan ook heel wat voor terug. Hij meende dat we maar een vernislaagje verwijderd waren van de barbarij – en wie kan zeggen dat hij geen vooruitziende blik had, in het licht van alles wat er in de twintigste eeuw vervolgens gebeurde?

Hoewel zijn geschriften in zeer strikte zin niet wetenschappelijk zijn, en hoewel hij niet de eenzame pionier was die hij pretendeerde te zijn, iemand die een volslagen onbekend psychologisch continent in kaart bracht, was hij zonder twijfel de man die ons, op onverbloemde, samenhangende wijze, duidelijk maakte hoe verhuld en verwrongen de menselijke motieven soms zijn, hoe weinig we op onze bewust beleden intenties kunnen vertrouwen en hoe belangrijk maar ook hoe moeilijk het voor ons is om onszelf te kennen.

Freud was geen groot wetenschapsman, en hij deed ook geen ontdekkingen als Robert Koch, die de tuberkelbacterie ontdekte, of als Watson en Crick, die de dubbele DNA-spiraal ontdekten. Hij droeg geen massa’s positieve feiten bij aan de menselijke kennis. De wetenschap zou praktisch niets hebben gemist als hij niet had bestaan. Zijn theorieën worden tegenwoordig door iedereen verworpen, omdat ze niet te weerleggen zijn en dus helemaal geen wetenschappelijke theorieën zijn.

Toch oefende hij op ons allemaal enorme invloed uit, en het zou even onmogelijk zijn om terug te keren tot een prefreudiaanse denkwijze als tot de preheliocentrische theorie van het zonnestelsel. Freud lijkt een beetje op de Natuur in de fameuze regel van Horatius: je kunt haar met een hooivork wegjagen, ze keert toch terug. Het is alsof hij onbewezen maar diepe waarheden over onszelf verkondigde die nog nooit eerder zo helder waren uitgedrukt. Hij ontdekte die waarheden niet met wetenschappelijke middelen, maar intuïtief, zoals een groot schrijver dat doet. Als ik zelf eens een beetje op mijn intuïtie mag afgaan, dan denk ik niet dat je naar foto’s van Freud kunt kijken zonder te beseffen dat hij een belangrijk mens was. En van de twee woorden die hij in zijn dagboek noteerde toen de Gestapo arriveerde om hem Wenen uit te zetten (hij was zo wereldberoemd dat ze hem met geen vinger durfden aan te raken) gaat een schrijnend, ontroerend en eindeloos waardige grootheid uit: Finis Austriae.

Vertaling Jabik Veenbaas, © The Times

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden