Review

Freud: joden vermoordden Mozes

Emanuel Rice, Freud and Moses: The Long Journey Home. SUNY Press, 1990, 266 blz. 50,25. ISBN 0791404536. Josef Hayim Yerushalmi, Freud's Moses: Judaism Terminable and Interminable Yale, 1991, 159 blz. 68,. ISBN 0300049218.

Deze grap is te vinden in het begin van het onlangs verschenen boek Freud's Moses: Judaism Terminable and Interminable door Josef Hayim Yerushalmi. Nu is dit niet het eerste boek dat aandacht besteedt aan de bijzondere relatie Freud-Mozes. Marthe Robert deed dat al eens eerder in D'Oedipe a Moise: Freud et la conscience juive (1974) en in 1990 verscheen Freud and Moses: The Long Journey Home door Emanuel Rice. Freud moet levenslang hebben geworsteld met de figuur van Mozes en hij heeft lang geaarzeld alvorens hij het derde gedeelte van Der Mann Moses und die Monotheistische Religion, dat vlak voor de oorlog verscheen, aan de openbaarheid prijsgaf. Het bleek het meest controversiele en merkwaardige boek dat Freud ooit geschreven had. "Een volk de man betwisten, die het als de grootste onder zijn zonen bewierookt, is niet iets, wat men zomaar doet, vooral niet als men zelf tot dit volk behoort" , luidt de openingszin. Ronduit verbijsterend is het opschrift dat daarboven staat: 'Moses ein Aegypter'.

Tijdens zijn leven afficheerde Freud zich liever als een rationele zielvorser dan als een gelovige jood. De Amerikaanse historicus Yerushalmi en de psychiater Rice presenteren echter nieuwe gegevens waaruit blijkt dat Freuds leven wel degelijk in de joods-orthodoxe traditie stond. Eerst bij de opkomst van Hitler en de nazi's liet Freud, aldus Yerushalmi, zijn joodse identiteit meer tot gelding komen.

Voor veel mensen is het altijd een raadsel gebleven waarom Freud (1856-1939) in zijn laatste levensjaar het boek over Mozes publiceerde. Nog in maart 1938, toen Freud in Wenen verbleef, durfde hij dat niet, mede omdat hij vreesde de bescherming van de katholieke kerk te zullen verliezen. Pas toen hij in Engeland was durfde hij het boek in zijn geheel te publiceren. De kern van Der Mann Moses wordt gevormd door de verdringing van de vadermoord door het joodse volk op zijn 'stamvader' Mozes. Freud twijfelde aande juistheid van zijn opvatting. In zijn ogen bleef het een waagstuk, maar zonder deze opmerkelijke interpretatie zou het volgens hem ongeschreven hebben moeten blijven.

Men kan over de bijbelse figuur Mozes van allerlei beweren. Zeker is in ieder geval dat hij vaak de grootste moeite had zich te beheersen. Een bekend voorbeeld is het doodslaan van een Egyptische slavendrijver. Maar het meest bekend is hij om het feit dat hij als kind door zijn moeder - uit vrees voor farao die vooral de joodse jongetjes naar het leven stond - in een kistje in het riet aan de oever van de Nijl was gelegd. De Egyptische prinses voedde het kind als haar zoon op aan het hof en zij noemde de jongen Mozes, "want" , zo zei ze, "ik heb hem uit het water getrokken" (Exodus 2: 10). Hoewel Mozes een Egyptische naam draagt, was hij volgens de bijbel beslist geen Egyptenaar. Maar volgens Freud was hij dit laatste nu juist wel. Omdat het de Egyptische prins Mozes niet lukte om de door Amenhotep IV ingevoerde monotheistische Aton-cultus uit te dragen in Egypte, zocht hij zijn heil bij het daar woonachtige joodse volk, dat hem tenslotte - aldus Freud - vermoordde. Freud greep hier terug op zijn oerhorden-theorie, die hij in Totem und Tabu uiteengezet had: de zonen van de horde rebelleerden tegen de tyrannieke vader die alle vrouwen in zijn bezit genomen had, doodden hem en aten hem rauw op. Na enige tijd werd deze collectieve vadermoord in het onderbewuste van de mensen verdrongen. De oorspronkelijke groep joden trok ongeveer een eeuw later naar Qades, waar ze zich aansloten bij een andere groep joden, die niet in Egypte waren geweest en die de Midianiet-Mozes als leider hadden. Deze tweede Mozes was een uitvinding van Freud.

Volgens Freud werd de vermoorde persoon verhoogd tot leider. Beide auteurs tonen aan dat Freuds levenslange preoccupatie met Mozes te maken heeft met zijn eigen joodse achtergrond. Terecht merken ze op dat Freud als jood niet zo geassimileerd was, dat hij nauwelijks kennis had gemaakt met de joodse orthodoxie. Zo was zijn vader Jakob bij voorbeeld veel orthodoxer dan dat Peter Gay ons in zijn veel geroemde biografie Freud: A Life For Our Times (1988), wil laten geloven. Volgens Rice bleef Freuds moeder Amalia zelfs tot haar dood in 1930 zeer religieus en streng orthodox. In tegenstelling tot wat Freud daar zelf over beweerde, moet hij uitstekend in staat zijn geweest hebreeuws te lezen. Het bewijs hiervoor vindt Rice in de onderstreepte passages in de bijbel van de familie Freud in verschillende kleuren, die volgens Rice onmiskenbaar van de hand van Freud zelf moeten zijn. In zijn jeugd heeft Freud vele jaren godsdienstlessen gehad, onder meer van Samuel Hammerschlag. Bij diens overlijden in 1904, schreef Freud een necrologie.

In beide boeken draait het om de familiebijbel, een moderne uitgave van Ludwig Philippson, die Jakob aan zijn zoon gaf toen deze 35 jaar werd. Tot nu toe werd deze bijbel altijd gezien als het bewijs dat Jakob een geassimileerde, verlichte jood was, maar volgens beide auteurs waren er genoeg andere (verlichte) orthodoxe joden die hem lazen. Destijds al wilde Freud niet veel meer van religie weten. Zijn vader schreef voorin het boek, waaruit hij Freud nog had leren lezen, een inscriptie samengesteld uit verschillende bijbelse en joodse fragmenten, melitzah genoemd, waarmee hij een krachtig beroep deed op zijn zoon, terug te keren tot de religieuze tradities van zijn voorvaderen. Het is net als bij Mozes, die vlak voor hij sterft, zijn volk nog eens vermanend toespreekt, trouw te blijven aan God.

Het te pas en te onpas verwijzen naar de vaderlijke inscripties in de familiebijbel doet wonderlijk aan, maar na lezing van beide boeken kent men ze in ieder geval uit het hoofd, zoals bij voorbeeld: "Wel op, gij bron, zingt haar in beurtzang toe" . In de visie van Yerushalmi deed Sigmund zich vanaf 1934 bijna onafgebroken te goed aan deze bron en zong hij haar naar hartelust toe, alleen misschien niet op een manier, waarin Jakob zich zou hebben herkend. "Sindsdien is het Boek in mij bewaard gebleven zoals de brokstukken van de Stenen Tafels in een ark" , zo luidt het begin van deze regel. Bij Stenen Tafels heeft Freud vanzelfsprekend aan Mozes moeten denken.

Het was deze Mozes door wie Freud bij zijn eerste bezoek aan Rome in 1901, geboeid raakte toen hij het standbeeld zag dat Michelangelo vervaardigd had. Nadien is Freud nog vele malen in Rome geweest en telkens weer moest hij het beeld van de zittende Mozes zien. Na de breuk met Adler en Jung, schreef hij zelfs een verhandeling over de Mozes van Michelangelo (1914) in wie hij de ingehouden woede meende te herkennen over de afvalligheid van het joodse volk tijdens de afwezigheid van Mozes op de berg Sinai. Zojuist heeft Mozes het Gouden Kalf - het bewijs van de ontrouw van het volk - gezien. Hij is net op het punt gekomen de Stenen Tafels kapot te smijten. Hierin herkent men echter ook Freud zelf die geen afvalligheid van zijn leer verdroeg.

Robert verklaart Der Mann Moses uit het opduiken van het verdrongene. Freud moest het gevoel dat hij steeds meer op zijn vader ging lijken, afweren door zichzelf te identificeren met een Egyptische Mozes. Maar Yerushalmi ziet het als de victorie van de 'familieroman' van de vroegere schooljongen, hetgeen in contrast staat met de volwassen rijping die hoort bij een afgeronde psychoanalyse. "Je schrjft toch niet aan het eind van een analyse: "U bent mijn vader niet, en ik wil u nooit meer zien?" schrijft hij, waarna hij zich haast te zeggen dat integratie van de persoonlijkheid wel degelijk tot stand kan komen door terug te keren tot het verdrongene, niet om het bestaan van vaders te loochenen, maar om tenminste te proberen deze relatie op een hoger niveau te brengen. Yerushalmi ziet Der Mann Moses het liefst in het licht van de oproep die Freud's vader deed in de familiebijbel. Alleen wilde Freud onafhankelijk van zijn vader blijven door de historische wortels van het joodse geloof te onderzoeken. In de ogen van Yerushalmi staat Der Mann Moses niet Mozes' identiteit en de oorsprong van het monotheisme centraal, maar de wijze waarop de overlevering tot stand kwam. Terecht stelt deze auteur dat Freud in zijn studie een verklaring zocht voor het feit dat de joodse identiteit door de eeuwen heen bewaard gebleven was.

Helaas wordt de diepere bedoeling van Freuds Der Mann Moses in geen van beide boeken echt bevredigend beantwoord. Zou hij nu echt deze verhandeling hebben geschreven om het antisemitisme de wind uit de zeilen te nemen, zoals Yerushalmi beweert? Als men het joodse volk minder belangrijk maakt door een van zijn stamvaders uit de geschiedenis af te nemen, zou tevens de prikkel tot het anti-semitisme worden weggenomen. Ik vraag me af of Freud dit gedacht heeft, maar mocht dit laatste het geval zijn geweest, dan bleek het in ieder geval een kwalijke misrekening.

Een groot deel van zijn leven was Freud gepreoccupeerd met de vadermoord, zoals beschreven in Sophocles' Oedipus Rex en Freuds Totem und Tabu (1912). Door deze preoccupatie besteedde hij nauwelijks aandacht aan de dreigende moord op onnozele joodse kinderen die zo opvallend is in het bijbelse Mozesverhaal. Het was alsof Freud, die zelf nog maar kort geleden uit Wenen had weten te ontsnappen aan de nazi's, deze waarschuwing niet wilde zien. Een eventuele verklaring voor deze veronachtzaming zou Freud's Moses: Judaism Terminable and Interminable en Freud and Moses: The Long Journey Home ongetwijfeld een stuk interessanter hebben gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden