Review

Frederik had macht, ümilie talent

Vriendschap, ook tussen verlichte geesten, wordt vaak doorkruist door tegengestelde belangen. Zo blijkt uit de 601 brieven tellende correspondentie tussen Voltaire en Frederik de Grote, de vorst die zich liet voorstaan op zijn verlichte ideeën. Als Frederik aan de macht komt, bekoelt de vriendschap. Die krijgt ook concurrentie van Voltaire’s liefde voor de wiskundige ümilie du Châtelet. ’Hoe zeldzaam, zoveel intelligentie bij een vrouw’, meende Frederik. Twee nieuwe uitgaven plaatsen Voltaire tussen zijn tijdgenoten.

,Die smoes dat u zo nodig in Plombières moet gaan kuren, had u niet nodig om mij te verzoeken u te laten vertrekken. U kunt mijn dienst verlaten wanneer u dat maar wilt, maar laat mij nog voor u vertrekt het contract van uw aanstelling, de sleutel, het kruis en de bundel gedichten die ik u heb toevertrouwd, terugbezorgen.’’ Dat schrijft koning Frederik II van Pruisen op 15 maart 1753 aan Voltaire. Deze was halsoverkop vertrokken van het hof aan Berlijn, waar hij verbleef bij de vorst die zo’n vijftien jaar eerder nog de meest verlichte heerser van Europa beloofde te gaan worden.

In 1753 leek daar weinig meer van over. Frederik had een satirisch geschrift van Voltaire laten verbranden en die laatste was op hoge poten vertrokken, zeer tegen de zin van Frederik. Zelfs een verlicht vorst strijkt men niet ongestraft tegen de haren in.

Dat briefje van Frederik staat in correspondentie tussen de scherpste denker uit de Franse verlichting en de Pruisische koning, die zojuist volledig in het Nederlands is vertaald. Op de kop af 601 brieven zijn bewaard gebleven. Tezamen geven zij het beeld van een turbulente vriendschap die doorkruist werd door uiteenlopende belangen en intriges. Voltaire hoopte in Frederik de koninklijke beschermer te vinden die de Franse koning niet wilde zijn. En Frederik droomde ervan zijn hof even illuster te maken als dat van de grote buur ten westen van de Rijn.

Het waren niet alleen die belangen die Voltaire en Frederik tot elkaar veroordeelden. Er was ongetwijfeld sprake van authentieke genegenheid en bewondering. Die is niet altijd direct zichtbaar onder de strijkages en vleiende plichtplegingen die in de achttiende eeuw gangbaar waren.

Niet altijd is het daarom gemakkelijk in deze brievenverzameling van ruim duizend bladzijden te blijven doorlezen. Maar de moeite loont het wel. Om Voltaire bijvoorbeeld geduldig de Franse taal- en stijlfouten van de nog jonge Frederik te zien verbeteren (,,U maakt van amitié vier lettergrepen, maar het heeft er slechts drie.’’). Of om te merken hoe de toekomstige vorst met kloppend hart zijn dichtwerken voorlegt aan de beroemde schrijver.

Tot er plotseling een harde toon in de brieven komt. Frederik heeft in 1740 de troon bestegen en dat stelt ándere eisen. Jaren later zal hij dat Voltaire nog eens onder de neus houden, in de versvorm die zij in hun correspondentie vaak hanteerden. De gedichten zijn door J.M. Vermeer-Pardoen (eerder al verantwoordelijk voor hooggeprezen vertalingen van Voltaires Filosofische vertellingen en Filosofisch woordenboek) steeds knap en gewetensvol in rijmende verzen vertaald: ,,Mijn koningschap stelt mij de wet, / Daar ligt mijn plicht, dat spoort mij aan / In dapperheid zo ver te gaan / Dat ’t ambt gevrijwaard is van smet.’’ Daaruit spreekt een ándere roeping dan die van de vrijdenker, die het tot zijn grootste deugden rekent altijd te zeggen wat hij denkt.

En ook al was Voltaire niet te beroerd om ter wille van zijn eigen carrière te vleien, te intrigeren en zelfs te bedriegen, een geduchte ruziezoeker was hij wel. Door de vorst laat hij zich niet onder de duim houden, ook niet in 1753, wanneer hij in zijn schotschrift een lid van Frederiks wetenschappelijke academie – en daarmee dus de vorst zelf – belachelijk heeft gemaakt. Hij vlucht, wordt achterhaald en zelfs gevangengezet, want de koninklijke gedichten die Frederik in zijn kattebelletje van de 15 maart terugeist heeft Voltaire – al dan niet met opzet – in zijn bagage gestoken. Frederik weet wat die in handen van een malafide drukker als roofdruk financieel kunnen opbrengen – zoals ook Voltaire dat weet. Zélf heeft hij die truc al vaker gebruikt om voor zijn eigen geschriften de censuur te omzeilen (voor een roofdruk kan híj immers niet verantwoordelijk worden gesteld), en toch het geld op te strijken van een door die clandestiniteit flink opgedreven verkoopsprijs.

Toch was het in 1736 zo idyllisch begonnen met de vriendschap tussen Voltaire en Frederik, die in de zomer van dat jaar als 24-jarige een bijna schroomvallig briefje schrijft. Eerbiedig verzoekt hij zijn idool hem alles toe te zenden wat hij schrijft. Als tegengebaar belooft hij hem een vertaling te sturen van de Verhandeling over God, de ziel en de wereld van de internationaal befaamde filosoof Christian Wolff. Dat was niet zonder betekenis. Frederiks vader, de ’soldatenkoning’ Frederik Willem I, had Wolff wegens zijn moderne denkbeelden uit zijn hoogleraarsambt laten zetten, waarna die laatste prompt de Duitse martelaar werd van het vrije woord. Zijn zoon zal hem, als ware verlichtingsvorst, direct na zijn troonsbestijging in zijn waardigheid herstellen.

In de intensieve correspondentie die vrijwel direct tussen de denker en de kroonprins op gang komt, wisselen filosofische discussies – bijvoorbeeld over de vraag of de vrijheid van de mens in strijd is met die van God – af met niet aflatende loftuitingen op elkaars dichtwerk.

Voltaire, die vandaag de dag in de eerste plaats als denker wordt geëerd, dankte zijn roem tijdens zijn leven vooral aan zijn literaire productie. Naam maakte hij als toneelschrijver en als auteur van historische werken, vaak eveneens in versvorm. Maar zelf zag hij zich liefst als philosophe, in de breedste zin van het woord, en daar viel ook de wetenschap onder. Gefascineerd was Voltaire door het werk van Newton, die hij vlak voor zijn dood het grootste genie noemde dat ooit had bestaan.

Graag had Voltaire op diens inzichten doorgewerkt. Ook intrigeerden hem de experimenten van de Leidse geleerde Willem Jacob ’s-Gravesande, die de valwetten en de traagheid van bewegende lichamen onderzocht.

Maar wiskunde was niet Voltaires grootste kracht. Daarin werd hij verre voorbijgestreefd door ümilie du Châtelet, de markgravin met wie hij zo’n vijftien jaar lang, tot aan haar dood in 1749, een stormachtige verhouding had. Samen voerden zij natuurkundige experimenten uit op het kasteel van Cirey, dat ze grondig hadden verbouwd en uitgebreid en waar ze zich voor de roddelzucht van het mondaine Parijs verborgen.

Over hun liefdesgeschiedenis heeft David Bodanis een boek geschreven dat vooral als een rehabilitatie van die half vergeten vrouwelijke genie bedoeld is. ümilie vertaalde niet alleen het werk van Newton in het Frans, aldus Bodanis, ze wist dit ook toegankelijker te maken door Newtons vindingen op een elegantere wijze in wiskundige formules te vatten. Daarmee gaf ze de Franse natuurkunde een eeuw lang een voorsprong die de Engelse geleerden maar moeizaam wisten in te halen.

Bodanis geeft een gepassioneerd dubbelportret van twee hoogbegaafde mensen die het elkaar (en zichzelf) in het leven voortdurend moeilijk maken. Dat levert een opwindend verhaal op, waarin Bodanis sterke effecten niet schuwt en ümilie van de weeromstuit een halve heilige wordt. Dat daarop wel wat valt af te dingen, bleek uit de vorig jaar verschenen biografie ’Voltaire de almachtige’ van Roger Pearson, die dezelfde periode wat afstandelijker en minder geromantiseerd beschrijft.

Ook Frederik was zich bewust van ümilies uitzonderlijke gaven en van de grote rol die zij in het leven van Voltaire vervulde. Voortdurend laat hij zijn groeten overbrengen aan ’dit wonder van intelligentie en kennis. Hoe zeldzaam zijn dergelijke vrouwen!’ Maar gaandeweg sluipt er rivaliteit zijn brieven binnen. Hij vermoedt dat zij Voltaire ervan weerhoudt naar Pruisen af te reizen, omdat zij vreest voor de bezitsdrang van de vorst.

Vier jaar na haar dood zal blijken hoezeer zij daarin gelijk had gehad. Maar ook dat zal de band tussen Frederik en Voltaire niet verbreken. Hun correspondentie zal nog bijna een kwart eeuw worden voortgezet. Met het boze kattebelletje van Fédéric, zoals hij zijn brieven steevast ondertekende, is de lezer in dit dikke boek pas op tweederde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden