Franse pijpenpracht

Het Orgelpark is af. Vanaf morgen glorieert er het Verschueren-orgel: gloednieuw, maar oud van klank. De perfecte aanvulling op de vier orgels die de concertzaal al bezit.

Op het balkon van het Amsterdamse Orgelpark, tegenover de vroegere preekstoel, is de afgelopen maanden een kolossaal, gloednieuw orgel verrezen. Het oogt eigentijdser dan het Sauer-orgel (1922) ertegenover, maar het klankbeeld is ouder: het nieuwe orgel is door de firma Verschueren nagenoeg compromisloos gebouwd in de Frans-symfonische stijl, zoals Aristide Cavaillé-Coll die in de negentiende eeuw ontwikkelde.

De nieuweling is een belangrijke aanvulling: naast het prachtige Sauer-orgel dat oorspronkelijk al in de voormalige kerk aanwezig was, staan er het neobarokke Van Leeuwen-orgel uit 1954, het Weense Molzer-salonorgel uit circa 1910 en een klein, verplaatsbaar kistorgel. Het nieuwe Verschueren-orgel is met drie klavieren en 41 sprekende stemmen verreweg het grootste. Morgen wordt het in gebruik genomen met wereldpremières van, in opdracht van het Orgelpark geschreven, composities van Peter-Jan Wagemans en Klaas de Vries; die laatste laat de vier grote orgels samenspelen.

Het uiterlijk van het nieuwe orgel wordt gedomineerd door twee asymmetrische, forse, vrij in de ruimte opgestelde pijpgroepen op een zachtrode, houten onderbouw. Het ontwerp is van Bas van Hille, als architect verantwoordelijk voor de spectaculaire metamorfose van de stijve, protestantse kerk naar het weelderige Orgelpark. Omdat de pijpen niet in een houten ombouw zitten, roept het orgelfront eerder associaties op met Duitse orgels, uit de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, dan met negentiende-eeuwse Franse.

„Mede vanwege het ontbreken van deze ombouw willen we niet van een Cavaillé-Coll-kopie spreken, een pretentie die alleen maar tot nodeloze discussies zou leiden”, vertelt Johan Luijmes, artistiek leider van het Orgelpark. Enkele dagen voor de ingebruikname toont hij trots het nieuwe orgel, dat hem als programmeur in de gelegenheid stelt ook muziek van Franse meesters te laten spelen.

In Timbres, het magazine van het Orgelpark, behandelt Wim Diepenhorst de voornaamste kenmerken van dit orgeltype: „Een orgel moet kunnen klinken als een orkest, dat was wat Cavaillé-Coll voor ogen stond. Om dat te bereiken bedacht hij een aantal geniale technische oplossingen. In de eerste plaats zocht hij middelen om de orgelklank expressiever te maken. Om de organist net als bespelers van blaasinstrumenten en strijkers de mogelijkheid te geven een crescendo en decrescendo te maken zonder hoorbare klankovergangen, voorzag hij één of meerdere manualen van een zwelkast.”

Cavaillé-Coll realiseerde zich dat in het symfonieorkest een trompettist meer winddruk moet produceren dan een fluitist, terwijl in de orgelbouw de registers fluit en trompet dezelfde hoeveelheid wind krijgen. Daarom ontwikkelde hij een systeem waarbij de krachtige registers hogere winddruk krijgen dan de zachtere grondstemmen.

Johan Luijmes staat de verslaggever toe het orgel een uurtje uit te proberen. Het heeft een klank die van fluisterzacht nagenoeg traploos is uit te bouwen tot overweldigend maar net niet té krachtig. De lichte speelaard is voortreffelijk. Door het bedienen van de combinatietreden voelt de organist zich als een dirigent die strijkers, koper en houtblazers met één voetbeweging laat meespelen of het zwijgen kan opleggen.

Bij het indrukken van de meest linker trede klinkt een donderend geluid. Dit effectregister, Orage genaamd, is een concessie die Cavaillé-Coll deed aan de (wan)smaak van de Franse organisten die graag programmatische natuurtaferelen imiteerden. Serieuze orgelmuziek waarin dit onweersregister wordt voorgeschreven is er niet, maar aangezien improvisatie een belangrijk thema is in de Orgelpark-programmering, kan het nieuwe orgel letterlijk wel eens ’gedonder’ gaan geven.

Waarom koos het Orgelpark, dat al het representatieve laatromantisch Sauer-orgel bezit, er niet voor om daarnaast een barokreplica te laten bouwen? Daarop kunnen de grote zeventiende- en achttiende-eeuwse orgelwerken gespeeld worden. „In ons land, en zeker in Amsterdam, zijn genoeg historische instrumenten waarop oude muziek voortreffelijk kan worden vertolkt”, aldus Luijmes. „We wilden daarmee niet concurreren. Het is de filosofie van het Orgelpark het orgel uit zijn isolement te halen door het te integreren in het hedendaagse muziekleven. We verstrekken regelmatig compositieopdrachten. In dat licht was de keuze voor een drieklaviers, Frans instrument als een tegenhanger van het Duitse Sauer-orgel, het meest voor de hand liggend.”

De nieuwbouw is gefinancierd door Utopa, de ideële stichting die de exploitatie van het Orgelpark sinds de oprichting in 2007 mogelijk maakt. Luijmes: „We hoeven geen gekunstelde cross-overs te bedenken om te voldoen aan subsidie-eisen van overheden. In de twee jaar die we open zijn, hebben een plaats op de kaart verworven. Van gemiddeld veertig stegen we naar zestig bezoekers per concert. Dat is vergelijkbaar met de bezoekcijfers van reguliere orgelseries, met dat verschil dat die in de regel zo’n zes tot acht concerten per seizoen houden en wij honderd!”

Luijmes, naast concert- en kerkorganist ook theatermaker, kiest graag voor interdisciplinaire programma’s, waarin jazz, moderne dans of elektronica met orgelmuziek worden gecombineerd. „Geweldig om te zien hoe een jazzpianist helemaal in vervoering raakt van het orgel.” De akoestiek van het Orgelpark nodigt uit om orgelspel te combineren met vocalen. „Door dergelijke projecten zien we dat steeds meer mensen in de ban van het orgel raken, en daar is het ons allemaal om te doen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden