FRANS HAKS Mendini, Groningen en de rest van de wereld

In het water, schuin tegenover het NS-station, verheft zich Gronings hedendaagse glorie: het nieuwe museum van de Italiaanse gebroeders Mendini. Ogenschijnlijk is het een uitvergroot nichtenkabinet. Een zooitje poederdozen in pasteltint, een zilveren hoedendoos, een zachtgelig torengebouw met ranke en blauwe diamanten op alle vier de hoeken, en een zeepsopgroen geschilderde jongensophaalbrug. Er wordt nog flink op los getimmerd, de bouwborden melden dat hier de 'Nieuwbouw Groninger Museum' plaatsvindt, waarna de naam van de aannemer en diens credo 'Meer dan bouwen' volgt.

Waarschijnlijk beseft de aannemer niet half hoe weids en desalniettemin trefzeker zijn zelfverzonnen credo is. Bij nader inzien blijkt het museum toch niet helemaal uit roomsoezenarchitectuur te zijn opgetrokken. Eenmaal binnen overvalt je de ene raadselachtige openbaring na de andere. Een buitenplein wordt lopenderwijs een gewichtige esplanade, een trap draait in de motoriek van een slakkenhuis zo kloek en tegelijkertijd sierlijk op- en neerwaarts, dat je na het betreden ervan wel even een walsje maken moet, desnoods met jezelf.

In de gangen - net onder waterniveau - die de tentoonstellingsgebouwen onderling verbinden, ben je opeens even in een strak-noordelijk moors paleis. En eenmaal gewend aan al die pastelzoetheid moet toch ook de knoestigste Groninger gaandeweg beseffen: wat ruim is het hier, wat verfrissend, nergens een spoor van geestelijke mufheid te bekennen, wat spookachtig intiem, mag ik misschien - al dan niet in het voetspoor van Santiago-Jakob - blootsvoets doorlopen? De aannemer kortom, die kent met dat 'Meer dan bouwen' zijn klassieken.

Nu de rest van de mensheid nog. In het dankwoord dat architect Alessandro Mendini bij de uitreiking van de Theo Limpergprijs (voor industrieel ontwerpen) aan zijn bevriende directeur van het Groninger Museum, Frans Haks, richtte, luidt het: “ (...) kunst als meditatief schouwspel, kunst als document en verzameling van ervaringen, niet kunst als necrofiele opslagplaats van de culturele macht. Hetgeen aan een museum ten grondslag ligt, is het produkt van twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zaken die beide van evengroot belang zijn: de architectuur en de beleidsvoering. In het geval van het Groninger Museum is het beleid vernuftig en subjectief: men ziet het museum niet zozeer als een neutrale plek maar als idee, als passende plek voor een voortdurend wisselende enscenering van kunstwerken, met bijzondere aandacht voor uiteenlopende vormen van zeer recente kunst die op iedere plek van de wereld die antropologisch interessant is, voorbij de zwaartepunten van de officiële kennis, gezocht wordt.”

Dat zijn behalve amicale ook tamelijk betonnen en dus onwankelbare woorden, die Frans Haks zelf niet beter gezegd zou kunnen hebben. Want met Mendini's 'kunst als necrofiele opslagplaats van de culturele macht' raken we de ziel van Haks, en dus ook die van het Groninger Museum.

De directiekamer van het nieuwe museum biedt uitzicht op het centrale plein en is, op de bezemkast na, het bescheidenste vertrek van het museum. De smalle rechthoek is bekleed met een felrood tapijt van Gaultier waarop een tafel met glazen blad van Mendini. Hij draagt een Swatchhorloge met tomaatrood bandje; de tijd, die hijgt nou eenmaal vurig voort.

Hij behoort, om het onderkoeld te stellen, tot het mensentype dat zich niet gauw met een kluitje het riet in laat jagen. En mocht dat al eens gebeuren, dan komt hij onverschrokkener uit het riet terug dan hij er in terecht kwam. Iedereen met een visie, leerde hij al van Willem Sandberg, die iets tot stand wil brengen, moet oppassen. “Ook als je een visie hebt, een duidelijke koers uitstippelt, dan nog zijn er altijd mensen die de koers willen wijzigen of tegenhouden. Het wekt een enorme agressie als je mensen over kunst of over een museumbedrijf in het onzekere houdt.”

Hoe ziet die visie van Haks er dan uit? Kan hij bijvoorbeeld een karakteristiek van De Groninger geven? Het Groninger Museum is toch allereerst voor bezoekers uit de gelijknamige hoofdstad en provincie bestemd? En daar is het eerste misverstand al weer geboren; nee, hij weet geen omschrijving van De Groninger te geven en dat hoeft ook helemaal niet, aangezien zijn museum voor iedereen is. Laat het luid en duidelijk verstaan zijn: Haks heeft zowel regionale als nationale als internationale zoniet ook universele ambitie. Het een bestaat altijd naast het ander, dat valt vanaf de opening van het museum - eind oktober - uit vier opeenvolgende tentoonstellingen te lezen: de expositie 'Studio Mendini 1990-1994', de regionale tentoonstelling over 18e en 19e eeuwse streekdrachten, de nationale tentoonstelling met werk van de jonge Nederlander Peiling en de internationale tentoonstelling die de werktitel 'Idolen/Idols' draagt en over hedendaagse helden annex heiligen in sport, godsdienst, film, theater en overige kunstdisciplines gaat. Die laatste expositie moet volgens Haks een 'manifest worden van datgene waar de mens zich nu mee bezig houdt'.

Daarmee zijn we terug bij Mendini's 'necrofiele opslagplaats'. Een van de conflicten die Haks met z'n eigen conservatoren moest zien te beslechten, ging over zijn uitspraak dat bijschriften bij een schilderij of object in zekere zin onesthetisch zijn. Een museum dient immers een aaneenschakeling van belevingswerelden en nou uitgerekend geen schooljuffrouw te zijn. De presentatie van kunstwerken, vindt Haks, mag fantasie noch verbeelding storen, integendeel. De werken zelf en de schakering daarvan roepen, als het goed is, al vragen genoeg op. De toeschouwer moet de vrijheid houden om te ontdekken 'wat hij aan z'n eigen beleving heeft', hij moet nieuwsgierig gemaakt worden, aan het werk worden gezet teneinde z'n eigen 'kijkervaring' te ontdekken. Ellenlange begeleidende teksten vormen daarbij eerder hinderpalen dan hulpmiddelen.

De stand- of collectie-catalogus ('Zelfportret van het Groninger Museum') spreekt wat dat betreft boekdelen. Haks ging - weer eens - haaks op de heersende gewoonte staan en liet een catalogus ontwerpen die 'louter' uit kaarten bestaat. Onderverdeeld in de categorieën Kunstnijverheid, Historie, Beeldende Kunst 16e eeuw-1950, Archeologie en Beeldende Kunst 1950-heden. De afzonderlijke kaartenmapjes, allemaal met een eigen, uitgesneden en groengoudgeelzilverblauwglitterende Memphisomslag, passen parmantig in een kartonnen keg met zilveren ruguitsnede.

Aldus houdt Haks vriend en vijand listig bijeen: de verstokten van geest kunnen niet meer om een courante catalogus weeklagen want ze hebben nu een bijou in de boekenkast die je al vanaf verre toefonkelt, de notoire verzamelaars beschikken over het kaartenbakje waar ze hun hele leven al naar snakten, en de verlichten kunnen tot het eind der tijden prachtprenten naar hun geliefden versturen. Proef de taalkundige beknoptheid bijvoorbeeld bij Kaart 24 uit de sectie Archeologie: “Overwambuis of kolder, geiteleer. Gevonden in 1981 tijdens het archeologisch onderzoek in de Sledemennerstraat te Groningen (gem. Groningen.) Een kolder behoort in de zestiende eeuw tot de basisuitrusting van zeelieden, soldaten en leden van schutterijen. Thans is zo'n wambuis een zeldzaam museumstuk.”

Helemaal van goud - maar ja, dat verhaalt ook dubbel en dwars van het eigen huis - is het mapje over het uiterlijk van het 'nieuwe/the new Groninger Museum'. In het voorwoord (gouden pagina's met zwarte, schreefloze letter) vertelt Haks hoe Mendini van onderdeel naar geheel en terug, van functionaliteit naar 'nutteloze' kunstzinnigheid en vice versa werkt. “Aan Alessi adviseerde hij om aan de belangrijkste jonge architecten opdracht te geven om een zilveren koffie- en theeservies te ontwerpen, op te vatten als een plein (het dienblad) met een aantal gebouwen. Zo is er een serie van elf serviezen ontstaan in de vorm van postmoderne architectuur die in Amerika voor het eerst gepresenteerd werd als Architecture in silver.”

Sommigen conservatoren morden om dat karige bijschriftenbeleid, maar Haks zette zijn visie onverdroten voort: een overvloed aan informatie stoort het kunstwerk zelf, de noodzakelijke gegevens (naam kunstenaar, titel, datum) zeggen voldoende. De historische staf van het museum kwam in opstand toen Haks het prehistorische skelet van een hunnebedpaard voorgoed naar de kelder wilde verbannen. En weer was het de visie van Haks die de doorslag gaf: “We houden ons niet met botten bezig, maar met wat mensen maken. Zodra van een bot een schaats gemaakt wordt exposeren we die natuurlijk. Als het museum in Assen gespecialiseerd is in veenlijken, wat zullen wij dan nog een oerpaard neerleggen? Trouwens: als je eenmaal met oude paarden begint, moet je met pitbulls eindigen. Het paard gaat terug naar de universiteit, van wie wij het in bruikleen hadden. Begrijp me goed, ik ben niet vies van beesten, maar die moeten wel in het concept passen. We hebben een prachtige hond van Carel Visser die op voorruiten en motorkappen van een VW-kever staat.'

Standkaart 30: “Charly II (1985) is een portret van de hond van Vissers zoon. Het is samengesteld uit kartonnen rollen, die met touwen aan elkaar gebonden zijn en die romp en poten verbeelden; een blik met een gat erin is de kop geworden. Visser schreef er zelf over: Dit beeld heeft te maken met het gevoel ouder te worden, veel willen, weinig kunnen. Merkwaardig is dat dit werk mooi en kleurrijk is, zelfs opgewekt, misschien komt dat door het ene, knalgroene autodak?”

Al in zijn sollicitategesprek, zestien jaar geleden, liet Haks weten naar het gezicht van de eigen tijd op zoek te willen gaan. Mocht Groningen dat niet bevallen, dan moest er meteen maar naar een andere directeur worden uitgekeken. Haks is uitgerekend geen man van status quo; vanaf den beginne wilde hij met het Groninger Museum iets toevoegen dat vanaf de lijn Amsterdamse Stedelijk/Kröller-Müller in het noorden ontbrak. Zijn museum moest van alles worden maar zeker niet provinciaals. “Van een boekhandel eis je toch ook niet dat er alleen streekromans worden verkocht, een symfonieorkest speelt toch ook niet alleen deuntjes uit de buurt?”

Om de haverklap wordt hij van modieusheid beticht, hij zou te vluchtig, oppervlakkig en tijdgebonden handelen. Die beschimping heeft hij inmiddels tot geuzebenaming omgesmeed. “Modieus heeft de bijklank: met de mode meedoen en gauw weer vergeten. Ik vat modieusheid op als dat wat zich essentieel in een tijd voordoet, dat kan dus snel van opvatting en karakter veranderen. Iets is alleen goed als het zich weerspiegelt in de tijd. Alles wat beklijft, was ooit modieus.”

Maar wat de massa op een gegeven moment wenst is doorgaans niet zo interessant voor een museum. Een willekeurig voorbeeld. De hamburger, is dat misschien niet het toppunt van massale modieusheid? Haks veert op: “Wat is er eigenlijk mis met een hamburger! In het vlees zitten eiwitten, in het broodje zetmeel, ziedaar de essentialia van voedsel. Net als cola, en dan citeer ik Andy Warhol: cola is de Amerikaanse drank, of je nou bedelaar om de hoek of president bent, het is lekker en iedereen kan het betalen. Cola is niet statusgebonden. In Europa ligt die hiërarchie veel strakker: de arme sloeber drinkt water of bier, de beter gesitueerde champagne of wijn. Cola is de formule voor alle klassen, je zou het zelfs een socialistisch drankje kunnen noemen, ja. Als ik in de Verenigde Staten ben, lunch ik altijd met een hamburger en voel me dan buitengewoon tevreden met het feit dat ik veel gegeten heb voor weinig geld. Voor het diner heb ik natuurlijk behoefte aan iets anders, maar dat neemt de tevredenheid over de hamburger niet weg.”

Een paar jaar geleden exposeerde het Groninger Museum uitgebreid over graffiti en kocht werk van onder anderen Keith Haring aan. Toen Wim Crouwel nog directeur van het Boymans was, zei hij steeds dat graffiti nooit zijn museum binnen zou komen. Niet omdat hij de schrijfsels nu wel of niet mooi vond, maar omdat ze overal ter wereld identiek zijn, en daarvoor hoef je niet naar het museum. (Geestverwanten kun je de functionalist Crouwel en de momentjager Haks overigens moeilijk noemen; Crouwel vindt dat het grootste deel van de moderne aankopen in het Groninger Museum zo met de vuilnisman mee kan.)

Haks recht z'n rug: “Dat is een gebrek aan onderscheidingsvermogen. Zeggen dat graffiti overal hetzelfde is, is hetzelfde als: alle Chinezen lijken op elkaar. Als je je er niet in verdiept, kun je ook niet onderscheiden. De periode van graffiti op metrostellen is voorbij, ik vind dat een aantal gangmakers zich uitstekend ontwikkelt, andere zijn bleven steken. Maar dat is niets bijzonders. Als een stroming min of meer voorbij is, wil dat nog niet zeggen dat het niet waardevol was. Jugendstil begon ook als modegril en is nu een instituut geworden.”

Hij vindt ook niet dat het Groninger Museum (te) laat met aankopen van De Ploeg-bent is begonnen. Zijn voorganger De Gruijter begon daar in 1954 al mee, voor de oorlog was er niet eens een directeur, en veranderde het 'Museum voor oudheden' in het 'Groninger Museum voor Stad en Landen'. “De Ploeg is overigens wel streekgebonden maar niet regionaal. Er is een inhaalmanoeuvre verricht, niet als verplicht nummer maar als investering.”

Heeft hij enig zicht op het huidige en toekomstige publiek? “Mijn verwachting is groot: ik ga er van uit jaarlijks 100 000 tot 150 000 bezoekers te halen tegen 50 000 tot 70 000 van een paar jaar geleden. De helft komt uit Groningen (vooral in het weekend), de andere helft van elders, uit binnen- en uit buitenland.”

Is het nieuwe Groninger Museum, nu hij zo veel obstakels en tegenstanders gepareerd heeft en straks samen met de koningin en haar commissaris het museum gaat openen (de Mendini's zijn vanzelfsprekend aanwezig, ruimhartig begeleid door een gevolg van zo'n honderd man), is dat museum gaandeweg geen Frans Haks-museum geworden?

“Het gebouw komt uit één visie voort: uit oost en west, uit oud en nieuw, uit regionaal en internationaal. Met het gebouw herken je die visie. Ach, als ze met een 'Haks-museum' visie bedoelen, dan hebben ze nog gelijk ook. Nu en straks weerklinkt nog wat lawaai, maar over een paar jaar is de naam Haks, net als Sandberg bij het Stedelijk, vergeten. Misschien dat men het dan over het Mendini-museum heeft. En vergeet de gastarchitecten niet hè: Philippe Starck, Michele De Lucchi en Coop Himmelblau.”

Hoe dan ook, hij beschouwt de verrijzenis van het Groninger Museum niet als z'n opus gran. Weliswaar heeft hij er zeven jaar aan gegeven, 'nou ja, dat is - even rekenen - een achtste van m'n leven.' En wat als alle feestmuziek verstorven is en de champagneflessen zijn opgeruimd? Opnieuw een oogverblindend gebouw, en dit keer wel degelijk een Haksmuseum oprichten? “Dat weet ik niet. Ik moet eerst maar eens doen wat ik af te maken heb, daarna zie ik wel. Goethe zei tegen Eckermann: 'Als je één keer iets groots gedaan hebt, wordt er dusdanig gereageerd dat je het wel uit je lijf laat om het nog eens te doen.”

Dan maar beter helemaal niets doen? Hij zou de stad en provincie Groningen, het land en niet te vergeten de wereld zelf, op de achterste benen van verontwaardiging en in ieder geval verwondering krijgen indien hij plotseling aan het raffiavlechten zou slaan, gaan hengelen of het anderszins op een klaverjassen zou zetten.

“Dat niet, nee. Maar je kunt ook iets anders doen. Van wetenschap naar literatuur overstappen, bijvoorbeeld.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden