Frankrijk kan oude dag niet meer betalen

,,We rijden op een muur af'', zei Ernest-Antoine Seillière over de betaalbaarheid van het Franse pensioenstelsel. Als geen ander is de voorzitter van Medef, de grootste werkgeversvereniging in Frankrijk, symbool voor de modernisering van de Franse economie. Deze week was hij weer eens kop van jut voor de vakbeweging.

Remco Pols

Vijf grote vakcentrales demonstreerden donderdag tegen een pensioenvoorstel van de werkgevers. Als de vakcentrales het niet accepteren, betalen wij de premie voor het aanvullend pensioen tussen 60 en 65 jaar niet meer, had Seillière gedreigd. Maar ook zonder dat 'dictaat' was de actiebereidheid onder de werknemers groot. Het pensioendebat is een mooi voorbeeld van de moeizame manier waarop Frankrijk afscheid neemt van zijn systeem van staatskapitalisme met bijvoorbeeld in menig opzicht wel erg goede arbeidsvoorwaarden, opgebouwd na de Tweede Wereldoorlog.

De beste manier om het Franse pensioenstelsel betaalbaar te houden, is de omvorming naar een systeem op 'Angelsaksische leest': een stelsel waarin een flinke plaats in ingeruimd voor een spaarsysteem met pensioenfondsen zoals Groot-Brittannië, Nederland en tot op zekere hoogte ook de VS dat kennen.

Frankrijk heeft een zogenoemd omslagstelsel. De werkenden betalen de gepensioneerden. Een kind kan zien dat dat stelsel met de terugtreding vanaf 2010 van de 'babyboomers', onbetaalbaar wordt.

Op dit moment betalen elke tien werknemers vier gepensioneerde collega's, in 2040 zijn dat er zeven. Het Franse stelsel komt dan 264 miljard gulden per jaar te kort.

Opeenvolgende Franse regeringen hebben geprobeerd die sociale ramp voor te zijn. De rechtse premier Edouard Balladur slaagde er in 1993 in om de periode dat een werknemer in het bedrijfsleven premie moet betalen voor een maximaal pensioen, van 37,5 naar 40 jaar te krijgen. De pensioenleeftijd bleef 60 jaar. Bij de overheid, waarvoor Balladur zelf werkgever was, durfde hij die ingreep niet aan.

Balladur liet het principe van het Franse systeem nog ongemoeid. Zijn opvolger en geestverwant Alain Juppé wilde in 1995 een stap verder gaan. Niet alleen morrelde hij aan de pensioenleeftijd van zelfs 50 jaar (voor rijdend pesoneel) bij de spoorwegen, hij kwam ook met een wetsvoorstel dat de invoering van pensioenfondsen mogelijk maakte.

De omstandigheden leken gunstig: Juppé diende anders dan Balladur onder een rechtse president (Jacques Chirac), had een comfortabele meerderheid in het parlement. Maar er kwam niets van terecht: de voorzienbare staking bij het spoor luidde zijn einde in.

Afgezet tegen deze achtergrond zijn de voorstellen die Franse werkgevers eind vorig jaar op tafel hebben gelegd weinig spectaculair. Zelfs moderniseringskampioen Seillière verkiest vooralsnog om binnen het bestaande systeem te blijven.

De werkgevers willen de periode voor premieafdracht tussen 2002 en 2024 verlengen tot 45 jaar. Alweer: alleen in de particuliere sector.

De huidige premier, de linkse Lionel Jospin, ziet de confrontatie tussen Medef en vakbeweging vanaf de zijlijn aan. Dinsdag waarschuwde hij Seillière: terugtreden bij 60 jaar ,,is geen slogan of een achterhaalde situatie''.

Een jaar geleden verkondigde de premier nog dat de periode voor premieafdracht bij de ambtenaren toch écht naar 40 jaar moet. Jospin, die bij zijn aantreden aankondigde de Franse economie langs sociale weg verder te zullen hervormen, pleitte ook voor een à la carte-systeem dat werknemers de keuze laat langer door te werken. Op dat punt is Seillière het roerend met hem eens.

Maar Jospin herinnert zich de val van Juppé. Na zijn uitspraken gaf hij het pensioendossier in handen van werkgevers en werknemers. Daar is het veilig, in ieder geval tot de gemeenteraadsverkiezingen in maart.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden