Frank Lodder, hulpverlener dak- en thuislozenzorg

Dit is de zevende aflevering van een korte serie ter gelegenheid van de vertaling van Schopenhauers hoofdwerk: De wereld als wil en voorstelling.

JAN WARNDORFF

En dan is het gesprek natuurlijk gauw afgelopen. Om een of andere onbegrijpelijke reden ben ik op jonge leeftijd in de filosofie geïnteresseerd geraakt, dan lees je eerst eens een overzichtswerk om een beetje een beeld te krijgen van wie wat wanneer heeft gezegd - en degeen die je het meest aanspreekt daar ga je je dan in verdiepen. Voor mij was dat Schopenhauer, eigenlijk omdat hij zo'n beetje de enige is uit die periode van de Duitse filosofie die begrijpelijk schrijft. Dat is de periode net na Kant, wanneer de filosofie wordt beheerst door het metafysische ge-orakel van Fichte en natuurlijk ook van Hegel. Voor Hegel is alles de Geest, die hij tot volledige ontplooiing ziet komen in de toenmalige Pruisische staat. Dat primaat van de geest boven de materie wordt door Marx aangevochten met zijn dialectisch materialisme, en ook door Schopenhauer. Schopenhauer grijpt terug op de degelijkheid van Kant: wat kunnen we weten, hoe weten we dat en wat kunnen we niet weten. Maar Kant was een beetje een lafaard, die durfde bijvoorbeeld ook niet het bestaan van God te ontkennen en die laat het een beetje in het midden: als puntje bij paaltje komt kunnen we dus eigenlijk niets zeggen.

Schopenhauer echter ziet het ding an sich ook in de mens zelf en hij noemt dat de wil. Daarmee introduceert hij in de filosofie niet alleen de hartstocht, de blinde drift, maar ook het individu dat hieruit bestaat. Tot dan toe gold het subject als een soort telescoop dat kijkt naar het object, waardoor het zelf buiten beschouwing blijft. En hij heeft ook het boeddhisme in de filosofie geïntroduceerd, de interesse voor andere culturen. Al met al dus geen geringe prestatie. Hij vond zichzelf natuurlijk ook geniaal en hij sprak geloof ik ook zes of zeven talen.

Maar hij was schijnbaar een vreselijke man, hij hield alleen maar van zijn poedel en hij was ook tot de meest vreselijke uitspraken in staat. Bijvoorbeeld “een mens is bereid een ander de schedel in te slaan omwille van wat vet om zijn schoenen in te smeren.” Iemand die er ook een groot genoegen aan beleefde om het menselijke handelen met een scheermes te ontleden om daarin de meest vreselijke abcessen en zweren vakkundig uit te vergroten.

Toch vind ik in Schopenhauer wel een zekere troost. Want zijn weergave van het menselijk bestaan is zo donker en pessimistisch, het kan gewoon niet erger, terwijl het leven volgens mij zo erg nog niet is. Ik heb bijvoorbeeld net in een winkel boodschappen gedaan en die mensen daar zijn heel vriendelijk, daar sta ik dan mee te grappen en te geinen en volgens mij niet omdat ze me zo wat extra centen afhandig kunnen maken. Maar als alles me weer eens tegen zit en ik heb er helemaal geen zin meer in, dan is er altijd nog Schopenhauer als een soort vangnet. Dan ben ik blij dat tenminste al iemand die ellende heeft beschreven.

Wat ik bij Schopenhauer echter helemaal niet begrijp, is hoe hij plotseling met medelijden op de proppen komt. Misschien wel onder invloed van het boeddhisme, of omdat hij op oudere leeftijd wat sadder but wiser is geworden - maar ik snap niet waar hij dat vandaan haalt. Medelijden kan pas vanuit een positie van macht, dan sta je boven een ander, terwijl het begrip juist er-naast-staan impliceert. Het is dus een volstrekt letterlijk zin-loos begrip waar de wereld nog nooit iets mee is opgeschoten. Dat is dus jammer voor Schopenhauer, een beste man, maar dit is een smetje op zijn blazoen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden