FRANCIGENA X: U ziet mijn baard

Ik ben geen uitgeplozen boek, maar een man vol tegenspraak

In het wandelboek van Giancarlo Corbellini, Camminaeuropa 1; 1800 kilometer te voet van Canterbury naar Rome (uitg. Mondadori, 1996) gaat men bij San Quirico d'Orca rechtdoor en blijft zo in het tegemoetkomend spoor van aartsbisschop Sigeric, passeert zijn pleisterplaats nr. XII, op weg naar het einde.

Het kan ook anders: laten we ons nog eens verplaatsen naar het geliefde Sant'Antimo in het jaar 800. We groeten de cipres naast de toren met de tetramorf en reizen met onze voorman Karel de Grote, die gekroond zal worden in Rome, naar de Benedictijnse kloosterkerk San Salvatore. Vijftig jaar eerder kreeg de Longobardenkoning Rachis een vizioen tijdens een jachtpartij op de Monte Amiata (domein van stekelvarkens): hij zag de Verlosser en besloot meteen een klooster onderaan de oostelijke helling te stichten. En het bouwwerk kwam er. Een kerk met maar liefst 27 zuilen, vol longobardische motieven en dito kapitelen, alles dicht opeen. Zuil nummer elf toont de koning met naast zich een paardenhoofd en een vrouw met diadeem en aureool, ongetwijfeld zijn echtgenote Tasia.

Eeuwen later werd van orde gewisseld (van Benedictijns naar Cistercinzer) en een bovenbouw van grote omvang aangelegd, zodat het Longobardenkerkje een crypte werd.

Niet ver hier vandaan bereiken we de officiële route, de Via Cassia. We werpen een nadenkende blik op de puist in het landschap, de barre rots Radicofani, alom zichtbaar, de burcht van roofridder Ghino di Tacco. Dante had een zwak voor hem: de man met de woeste armen, braccia fiere, omdat hij een prelaat en verrader uit Arezzo zijn verdiende loon gaf (Louteringsberg, Canto VI). Boccacio maakte van deze Robin Hood een smakelijk verhaal (Decamerone, 10de dag, aflevering 2): de abt van Cluny, een notoire smulpaap, heeft aan het hof van Paus Bonifatius VIII zijn maag bedorven en krijgt het advies genezing te zoeken in het bronwater in Siena; Ghino, incognito, laat hem in een hinderlaag lopen, neemt hem gastvrij op en geneest hem niet met Pellegrino, maar met droge toast en een glas Corniglia per dag; als de abt volledig hersteld is, maakt Ghino zich bekend en stuurt zijn danig vermagerde gast naar Rome met het verzoek een goed woord voor hem te doen; de Paus geeft gehoor: de weldoener kan voortaan zonder gevaar voor zijn leven op bezoek komen.

Voor we weer afdwalen volgen we de weg naar het drielandenpunt Acquapendente: Toscane, Umbrië en het Patrimonium Petri. Waterval werd de stad gedoopt, maar er valt zelden nog een druppel en de in de bronnen genoemde, nabije Rocca Wenair, door de geleerden nog altijd niet gevonden, is zelfs van de aardbodem verdwenen.

De huidige Dom is tengevolge van de typisch Italiaanse rampen, verbouwingen, stijlloze restauraties en zelfs bombardementen, niet om aan te zien. Maar in de crypte komen we ondergronds aan onze trekken: negen beukjes onder één dak; mooie, eenvoudige ribben, kapitelen van tufsteen met veel groeisel-motieven. Die omwikkelde ribben zie je vaak in Cisterciënzer-kerken, maar die hebben nooit een crypte en de ruimteverdeling ziet er veel minder speels uit dan bij de waterval. Kortom een verrassing.

Het ligt nu voor de hand en voet rechtdoor te gaan en Sigerics aftelvoorbeeld te volgen: Acquapendente, submansio IX; Sce Cristina in Bolsena, submansio VIII; Sce Flaviane in Montefiascone, submansio VII, enzovoorts.

De verleiding is groot, want het natuurpark op de Monte Rufeno is prachtig, de Christina-kathedraal alleen al om de Matilde van Canossa-poort (een corniche die in de kerk is aangebracht) de moeite waard. En het verhaal van de jonge martelares, door haar vader vermoord, ik geloof in de 3de eeuw, later van het eiland Martana in het Bolseense meer, waar nog een paar van die geheimzinnige en noodlottige eilandjes liggen, naar de kerk gebracht en bijgezet door Matilde en vriend Hildebrand, de latere Paus.

Deze Gregorius wint, maar waarschijnlijk anders dan u dacht: we gaan niet rechtdoor, we slaan eigenwijs rechts af, op weg naar zijn geboorteplaats Sovana. Niet vanwege de Etruskische graven in Sorano, Pitigliano, Poggio Bucco, Ghiacco Forte en dus Sovana, waar nochtans de tympaan van de tombe van Sirena op de helling van Costone, met zijn bijna vergane Skylla en twee gevleugelden naast zich (200 jaar voor christus) niet te versmaden is. Maar we moeten ons vanzelfsprekend aan de Romaanse eeuwen houden en nemen dus de wijk, iets buiten het stadje, naar een van de mooiste kerkportalen langs de Francigena.

Een Longobardische equippe, gecharterd door Hildebrand denk ik, heeft de hand gehad in een tympaantje met alleen maar voorchristelijke motieven, fabeldieren op de pilaren en in de archivolte ( de boog om het tympaan) een uniek spartelend wezentje. Het is ontroerend en vermakelijk tegelijk. Het is niet te analyseren, je hoeft geen discussie te voeren over humor of geen humor in de middeleeuwen, over betekenissen of nonsens....je hoeft alleen maar te kijken.

Langs de verkeerde kant van het meer van Bolsena komen we in Montefiascone, een druk, hooggelegen stadje. De kerk die we zoeken ligt beneden en buiten de muren, vlakbij de weg naar Viterbo, we staan weer voor de Via Cassia.

Een dubbele kerk, één boven, één beneden in een open verbinding. Het gaat ons om de begane grond. Daar speelt het verhaal van een drinkebroer die hier sinds het jaar 1111 (dit is geen eendenmop) begraven ligt. Op zijn grafsteen staat deze tekst, opgetekend uit de mond van zijn slaaf Martino:

“Est Est Est, het werd teveel voor mijn heer Giovanni Deuc.”

U kent waarschijnlijk de strogele wijn in de verre omtrek van Montefiascone. Op elke fles staat de uitleg: een ruiter stroopte de streek af om de lekkerste wijn te vinden; waar hij de beste vond, zette hij Est Est, Hier is het, op de muur, net zolang tot hij er geweest was. Maar dan ook echt. Zijn feest wordt tot op de dag van vandaag in de eerste helft van augustus gevierd en nagespeeld.

De andere, minder anekdotische bezienswaardigheid in de kerk, die wat de kapitelen betreft iets weg heeft van de crypte in Acquapendente, staat goed zichtbaar op een pilaar: een geinig mannetje steekt zijn vinger op en trekt aan zijn baard. Waarom? De clou staat in het latijn gebeiteld boven zijn hoofd en zal ons dwingen om de pilaar heen te lopen:

mirantes aulam vestram/respicite barbam aulae sum custos/sculptus deludere stultos.

Een kwatrijn zo te zien, stapje voor stapje kom je achter de waarheid:

u kijkt de kerk rond en ziet mijn baard, als kerkwachter ben ik gebeeldhouwd om de dwazen voor de gek te houden.

Een Shakespeare-nar lacht ons toe en sliept ons uit. Besmuikt verlaten wij het schouwtoneel of het aardse tranendal.

Om en nabij 100 kilometer van Rome. Wat nu?

Het wandelboek schrijft drie lijnrechte etappes voor: Viterbo/ Sutri/La Storta (Johannis IX, submansio II van Sigeric), waar Ignatius de Loyola een vizioen kreeg en toen besefte hoe hij verder moest: In Rome zal ik u genadig zijn. Zo sprak God en ontstond de Orde van de Jezuïeten.

De schilder en beeldhouwer Giacometti verwoordde een andere kijk: als het doel in zicht komt, ga er dan met je rug naar toe staan.

Er is nog zoveel te zien onderweg, we komen misschien niet eens toe aan de elf heiligdommen die Sigeric binnen de muren van Rome bezocht, nog afgezien van hetzelfde aantal extra muros.

We dwalen opnieuw af en komen terecht in het ruwe, verlaten landschap waarin Castel Sant'Elia ligt. De nog altijd ommuurde plek waar de Etrusken offers brachten aan een berggod, waar een Diana-tempel gebouwd werd en in de zesde eeuw Benedictus een groepje heremieten verzamelde en klaar stoomde voor het kloosterleven, vervolgens in de tiende eeuw Alberic vanuit Rome een regel à la Cluny oplegde en twee eeuwen later de St. Anastatia werd gebouwd.

We komen hier voor de mozaïeken van de Cosmaten, de steensnijders uit Rome. Veel is kapot gegaan in de loop der tijden, maar de bonte kleuren en de geometrische motieven van Byzantijnse snit (na de derde kruistocht werd die invloed steeds sterker) zijn nog levensvatbaar en het wonder van de fresco's in de absis en de zijbeuk zal ons niet ontgaan.

Onder het toeziend oog van Johannes staat daar de Vrouw van de Apocalyps, haar adelaarsvleugels recht overeind, doodsbang voor de draak aan haar voeten:

En er werd een groot teken in den hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd; en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren...en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. (Openbaring 12:1)

Op het fresco is geen ster te zien en de draak is vele koppen kleiner gemaakt, maar juist daardoor is de kracht van de maker onverminderd aanwezig. Nog meer geldt dat voor zijn verwerking van Openbaring 7.1:

Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, of over de zee, of over enigen boom...

Wat we in werkelijkheid zien zijn vissen, vogels, bazuinen, schriele winden, heiligen met smalle voetjes en een amorfe aardkloot. Om nooit te vergeten.

Zonder dat we het wisten hebben we de Via Cassia rechts laten liggen en bevinden ons op de Via Flaminia, de Romeinse weg naar Spoleto en verder. Waar gaan we heen? Naar Castel Paterno.

We zijn er één keer eerder geweest. Er is wel wat veranderd: langs de weg naar Faleria staan twee opzichtige Afrikaansen; nazaten van de vrouw van de Apocalyps?

Het roestige bordje, dat toen bij het kerkhof de verkeerde kant op wees, is nu in geen velden of wegen te zien. Wel zit het zanderig weggetje, met diepe karrensporen, nog altijd vol wespenesten en staat aan de overkant, onbewogen, de Mons Soracte, vereeuwigd door Horatius.

De buizerd of valk boven de stugge en zinderende vlakte hangt er ook nog altijd en bidt. Daar zijn de varens, de weg versmalt, de auto kan niet verder, het is al teveel gevraagd. Tweehonderd meter verder moet de ruïne van Castel Paterno zijn, het kasteel waar Otto III zich als een kluizenaar terugtrok en, nog zeer jong, plotseling stierf, in het jaar 1002. Voor zover wij weten is dat kasteel onmiddellijk daarna in elkaar gestort en heeft er nooit een opgraving plaatsgevonden. Men kreeg op slag en bijna voorgoed genoeg van deze zonderlinge jongen, die als bijnaam had: Mirabilia Mundi. De ruïne staat er nog, tussen de varens, sempervirens, altijd groen.

Zijn grootvader, de Saksische koning, tevens de theocratische keizer naar het voorbeeld van Karel de Grote, had een triomftocht naar Italië gemaakt, ontuchtige pausen (de periode van de pornocratie, geloof het of niet, ik heb die term niet zelf verzonnen) ten spijt. Hij had de Bourgondische schone Adelheid, weduwe van een intrigant, uit haar gevangenschap bevrijd, trouwde met haar, zorgde voor rust in alle legertenten en liet de gecompliceerde samenleving in Italië en Duitsland en Frankrijk (waar niet eigenlijk) over aan zijn talentvolle zoon. Deze trouwde met de verlichte, beschaafde Griekse Theophano. Otto II regeerde maar 10 jaar (973-983) en voelde zich meer Italiaan dan Duitser, meer keizer dan koning, wat dus koren op de molen betekende voor Hendrik den Twister van Beieren. Ga daar maar tegen aan staan Otto III, geboren in 980, nu drie jaar oud!

Als regentessen voerden moeder Theophano en grootmoeder Adelheid het bewind, maar zij stierven voor hij volwassen was. In 995 mocht hij het zelf proberen, deze rijk begaafde, ongezonde jongeling zonder baardgroei en met ascetische neigingen. Geen wonder dat allerlei roddels en suspecte verhalen over hem de ronde deden. Het is de grote verdienste van Menno ter Braak dat hij in zijn proefschrift van 1928 (in het Duits geschreven) duidelijk maakte wat Otto wilde: een nieuw Romeins keizerrijk stichten. Dat kon alleen slagen als hij een zeer strenge leefregel oplegde, in de geest van Cluny, een ascetisch bestaan geleid door een machthebber, een paradox die al eerder met succes was beproefd; kortom heel wat anders dan een groezelig verhaal over zelfkastijding en dergelijke ongein.

Wat een geschiedenis!

De verwachting van het einde der tijden rond het eerste millenium is uiteraard niet ingelost en dat zal ook niet gebeuren nu duizend jaar later. Maar hoe het ook zij: we hebben hier wel te maken met een dead end; staande in de varens voor die ene overgebleven muur van Castel Paterno, is er een wonderlijk gevoel van mededogen, dat wie weet verder reikt dan de beklagenswaardige jongeling die neerzag op de ruïne van zijn leven.

Zo valt het besluit om terug te keren naar het beginpunt van de reis. De eeuwige stad laten we achter voor wat zij waard is, onschatbaar wel te verstaan. We nemen afscheid van de aartsbisschop, de abt en de koning. Misschien willen wij het drietal illustere gidsen wel vóór zijn en op eigen houtje de tocht van Pavia naar Rome opnieuw maken. Het verhaal is nog niet uit, wij pelgrims komen elkaar wel tegen op de weg der wonderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden