FRANCIGENA VI - Fussilade in het vogelparadijs

“Uit de grootste soepketel van het halfrond werd gratis getapt en geen van de ontelbare armoedzaaiers zag ooit de bodem van de vetpot.” De dichter Rein Bloem trok de afgelopen jaren langs de landschappen, de stadjes, de kerken, de kloosters en de pleisterplaatsen van de Francigena, de pelgrimsroute die van de Franken, of Frankrijk afkomt, en naar de Eeuwige stad loopt. In tien afleveringen doet Bloem dit jaar verslag van zijn tocht langs 's Heren wegen. Vandaag zijn zesde verhaal: “Wie nu in de industriestad komt, kan nog altijd op soep getrakteerd worden, het verhaal van Boccacio naverteld krijgen, maar over Porco, het varken, rept men niet meer, terwijl Cipolla, de ui, met de eer strijkt.'

Collega Rangerius, de dichter, zag Lucca, vroeg in de twaalfde eeuw, als een paradijs: 'rijk aan wijn en olie, heerlijk van aanblik'. Luk, Etruskisch voor moeras, die naam geldt niet meer. De hoofdstad van Toscane, beroemd om haar bladgoud, zijde en brokaat, het centrum van de mannenmode die ter sprake komt in de hoofse roman Ruodlieb (1030), waar het oog valt op beenwindsels op dijhoogte om nooit te vergeten. De Italiaanse stad met naar verhouding de meeste banken en kerken, totdat een eeuw later de concurrenten Pisa, Siena en vooral Florence de welstand onder de knie kregen.

Maar de pelgrims bleven komen uit alle hoeken van Europa, bovenal de Ieren die in hun heilige Frigdianus, die al in de zesde eeuw bisschop van Lucca werd, een kampioen hadden met het oudste godshuis in de stad, de San Frediano, vlakbij het Romeinse amfitheater uit de tweede eeuw, nu een markt van jewelste.

In de kerk kwam de Volto Santo, het Heilig Gezicht, terecht, dé attractie van de Francigena en zelfs voor vele pelgrims het einddoel van hun bedevaart. Wie eenmaal dat wonderbaarlijke gezicht had gezien, zou voortaan zijn ogen niet meer geloven. Een beeld van hout, volgens de legende afkomstig uit Libanon, een cederboom dus; door Nicodemus - de man met de nijptang aan het kruis - over zee naar Luni gebracht. Toen hij niet meer wist hoe hij het gezicht kon voltooien, kwamen engelen hem te hulp en trokken twee koeien een boerenkar als praalwagen met het beeld naar Lucca.

In werkelijkheid is het crucifix gemaakt door een longobardische houtsnijder uit de twaalfde eeuw, maar er waren al eerder exemplaren gesignaleerd, bijvoorbeeld door William van Malmesbury; ten slotte bleken er heel wat in omloop. Maar onze replica is de mooiste en hangt nu achter glas in een achthoekig tempeltje in de Dom van Sint Martijn. Een druk op de knop en het zwarte gezicht licht automatisch op en elk jaar, op 13 september, mag de man aan het kruis gelucht worden om door echte of nep-Ieren naar hun kerk aan het andere eind van de ommuurde stad gedragen te worden.

Overal doen wonderverhalen de ronde. De IJslandse abt Nikulas Bergsson di Munkathvera (in 1159 in de stad) kan er niet over uit in zijn itinerarium: een onbeminde troubadour brengt aan de voeten van het beeld zijn bloedeigen sonate voor luit, hij had niet anders; de Heer geeft hem een van zijn zilveren schoenen, maar dat komt de muzikant duur te staan. Hij wordt meteen beschuldigd van diefstal en heiligschennis; de dankbare gever echter pleit hem vrij en redt de arme ziel.

Aan de abts reisverslag is veel plezier te beleven, zie A Road Paved with Legends: The Pilgrim Itinerary of Nikolas Bergsson (in Two Norse-Icelandic Studies, Gvteborg 1990). Een voorproefje kan geen kwaad: til Luku, thar er biskupsstsll ao Marmikirkju, thar er rsoa sz, er Nicodemus lit gera eptir Guoi sjalfum, hzn hefir tveim sinnum maelt, annao sinn gaf hun sks sinn aumum manni, en annao sinn bar hzn vitni raegoum manni.

Hoewel er in Lucca nog van alles te zien is: het Mozes-doopvont in de San Frediano, de trotse, zo niet protsige Michaelskerk in foro, het plein waar van oudsher de grootste handelshuizen en banken aan liggen; de tombe van Illaria in de Sint Martijn, met de trouwe hondjes aan haar marmeren voetjes. . . we moeten verder, de Gervasio-poort door, in oostelijke richting om later een knik naar het zuiden te maken. De weg is zo lelijk als maar zijn kan, rechttoe, rechtaan, met veel industrie langs de bermen. De bergen vol geneeskrachtige bronnen en hoogtij-wandelingen lokken, maar we moeten eens de Apennijnen links laten liggen.

De eerste pleisterplaats is Altopascio, vroeger Alto Passo genoemd, naar de moeilijke, zelfs gevaarlijke weg die daar begint, als waarschuwing in meerdere talen vertaald: Haut Pas, High Gate. Hier bouwde Matilde een enorm hospitium, gewijd aan Jacob, dus speciaal bestemd voor arme en zieke pelgrims. Nu is er zo goed als niets meer van te zien, een enkel poortje of muurtje tussen gewone huizen geklemd, maar achttiende-eeuwse prenten geven er nog een mooie indruk van. Matilldarspitali - hospitium van Matilde -, Nikulas had er veel bewondering voor.

Spreekwoordelijk was er de gastvrijheid: uit de grootste soepketel van het halfrond werd gratis getapt en geen van de ontelbare armoedzaaiers zag ooit de bodem van de vetpot.

Het kon niet uitblijven: Boccacio schreef er in zijn Decamerone een sappig verhaal over (Dag 6, verhaal 10), we mogen dat niet missen: broeder Cipolla, een kleine, roodharige ui, zegt dat hij op zijn pelgrimstocht naar het Heilige Land, een onbetaalbare veer heeft geplukt uit het bed van Maria toen zij de boodschap van aartsengel Gabriël kreeg; twee schuinsmarcheerders geloven hem niet, breken bij hem in, vinden wel degelijk de veer, halen die uit een doos en leggen er wat steenkool voor in de plaats; dat had broedersknecht Guccio Balena (de walvis), ook Imbratta (de smeerpoets) genoemd ofwel Porco (de beer), moeten voorkomen, maar die had alleen maar aandacht voor de keukenmeid Nuta; hij was zo stom als een varken en onder zijn omvangrijke capuchon, zo groot als de calderon, de ketel van Altopascio, zat zoveel smeer, dat de beroemde soep er nog een kruidige bijsmaak van zou kunnen krijgen. . . Voor de aardigheid vertel ik nog de clou: Cipolla haalde voor het oog van de massa niet de veer, maar de kool uit de doos, viel niet sprakeloos door de mand maar verzon ter plekke het verhaal van de resten van een martelaar, die gegrild en wel in een andere doos terecht was gekomen en nu aan den volke als kostbaar reliek getoond kon worden.

Wie nu in de industriestad komt, kan nog altijd op soep getrakteerd worden, het verhaal van Boccacio naverteld krijgen, maar over Porco, het varken, rept men niet meer, terwijl Cipolla, de ui, met de eer strijkt.

Na jaren restauratie is de klokkentoren, die nog altijd La smaritta, de verdwaalde heet, weer zichtbaar, al luiden de klokken hoog in de toren niet meer als vroeger. Waarom ook? Niemand raakt de weg meer kwijt tussen Altopascia en Fucecchio, geen bandiet staat ons op te wachten. Het symbolisch labyrint in Lucca, nu niet meer dan een curieus speeltje, voorspelde toen niet veel goeds: het zwaarste, onberekenbaarste traject van de Francigena lag voor ons, vandaar het gratis galgenmaal.

De industrie moet wijken voor de verbeelding, zonder een echt moeras kunnen wij onze weg niet vervolgen. In 1992 verscheen een Piccola guida van de Padule (moeras) van Fucecchio, een natuurreservaat, doorschoten met zompige dijkjes, een labyrint op zichzelf. Geen paddestoelen die de weg wijzen, we horen in gedachten de klokken weer luiden, de smarrita rijst op. Maar even later blijken de dijkjes in overzichtelijke lussen te lopen en kijk: daar is een gids met gevolg en hij heeft zo te zien geen kwaad in de zin. Achttienhonderd hectare, het water overal drie meter diep, lissen en riet, een spaarzame boom als in het Naardermeer. Geen echt moeras, maar een vogelparadijs, 150 soorten, alle beschermd en geringd. In de Tweede Oorlog heeft een Duits commando hier 175 personen gefusilleerd. We verdwalen in de tijd.

Tussen Chimenti en Galleno loopt zowaar een echt kiezelpad, twee kilometer lang. Het is niet verzonken in een mulle bodem, maar als het ware opgetild, uitgespaard tussen stug gras aan de ene kant en landbouwgewassen, maïs zo te zien, aan de andere kant. Een geel uitgeslagen streep van niets, geen pelgrim komt in de verleiding hier naar relieken te zoeken.

Moerassen moeten het van dwaallichten hebben. Zo wordt in het dertiende-eeuwse chanson de geste Le Chevalerie d'Ogier de Danemarche de Francigena op de voet en controleerbaar gevolgd, maar eenmaal in de padule rond Luni noemt de dichter een kasteel onder een rots, Castel Fort, waar de geleerden nog altijd naar zoeken. Dat geldt ook voor het probleem van de armen van de rivier de Arno, de zwarte en de witte, dicht bij Fucecchio. Passe le Noir et si passe le Blanc, lezen wij in het chanson (regel 8999).

Ook de wandelende bisschop Sigeric uit Canterbury noemt een Aqua Nigra en een Arne Blanca, als hij op zoek is naar een onderkomen. Niet elk hospitium komt in aanmerking, want de ongezonde streek herbergt meer dan één leprozenhospitaal, in het Frans maladrerie geheten, bijvoorbeeld Domus infectorum Sancti Lacari dat op de kaart staat.

Nikula heeft het over een Arn blakr (zwart) ten zuiden van Lucca en ook onze derde beroemde pelgrim Philippe-Auguste (1191) heeft het over Arle-le-blanc en Arne-le-nair, het is om tureluurs van te worden, ik denk weer aan de zo en zoveel broedende vogels in de Padule. Nog zijn we er niet: we moeten de Arno oversteken, maar waar? Bij San Genesio zeggen de bronnen, een verbastering van Saint Denis de Bon-Repast, een beschermheer voor onderweg.

In onze tijd wordt de verre omtrek gedomineerd door San Miniato (alto) bovenop een steile heuvel, aan gene zijde van de rivier. De monsterlijke kerk met twee schoorsteenpijpen is in WO II vernietigd en weer opgebouwd, niets blijft ons bespaard. In de late twaalfde eeuw vestigde Friedrich Barbarossa hier het administratieve centrum van zijn keizerrijk en sindsdien verdween San Genesio, er is niets anders meer van over dan een armoedig kapelletje bij het gehucht La Scala, maar of we daar zijn overgestoken is zeer de vraag, de vroeger noodzakelijke brug is onvindbaar.

Vanaf dit punt, tussen San Miniato en Empoli trekken we de heuvels in. We kunnen kiezen tussen drie parcoursen: langs de linkeroever van de Elsa, de rechteroever en meer landwaarts de richting in van San Gimignano. De rivier zocht vroeger steeds een ander heenkomen, de heuvels verzakten voortdurend, de stadjes en steden bedachten waar ze maar konden wereldwonderen en andere attracties en zo werd er heel wat heen en weer gelopen . In mijn jonge jaren deed ik niet anders in mijn zeilkano: was de Westeinder bij Aalsmeer te woest, dan koos ik een binnenvaart, officieel Tussen de Wegen genoemd, om bij De Blauwe Beugel in de ringvaart te komen.

Eerlijk gezegd: we kennen hier de weg, rechtdoor naar ons jaarlijks vakantieoord. We verlangen naar zomerse rust, de dwaalwegen liggen achter ons. Sigeric ging ons voor: in het jaar duizend nam hij zijn intrek in Sce Peter Currant, nr.XXI van zijn lijst, nu het bijna vergeten Coiano. Met de auto kun je beter de weg van Corazzano naar Castelfiorentina nemen en halverwege links de heuvels in rijden, daar ligt Coiano. Die weg staat haaks op onze wandeltocht, maar we komen waar we wezen willen. De kerk is ik weet niet hoelang al gesloten. Dit jaar staat hij in de steigers dus dat belooft wat. . . maar wat. Eén keer braken we in de bouwval, maar voor we iets zien konden, sloegen we op de vlucht: een gonzend wespennest.

Hier wonen wij dus en aarzelen of we eerst de verlaten boerderij zullen bezoeken, om te kijken of op het terras de verkoolde geit er nog ligt en de stalen stoel zonder zitting staat. Of gaan we naar de patrijzenfarms die geopend worden in het jachtseizoen, nee dat toch maar liever niet. Of zullen we wachten tot de avond valt en in de bossen zeldzaam wild tevoorschijn komt. In het licht van een lantaarn of koplamp zet een varken zijn stekels op, een istrice zoals ze hier zeggen, geen porcupine (stekelvarken). Zijn waaier tilt hem een duimbreed van de grond en hij zweeft. Als het niet waar is, zijn we gezien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden