FRANCIGENA V - una donna soletta

“Ze voerde zelf het leger aan, want van haar tweede echtgenoot, Welf van Beieren, een onmachtige jongen van 16, bijgenaamd il pingue, de vette, hoefde ze niets te verwachten. Om aan allerlei rodders over kerkelijke verbintenissen een eind te maken, adopteerde zij later nog een jonge Toscaanse graaf, maar ze bleef alleen, una donna sola.” De dichter Rein Bloem trok de afgelopen jaren langs de landschappen, de stadjes, de kerken, de kloosters en de pleisterplaatsen van de Francigena, de pelgrimsroute die van de Franken, of Frankrijk afkomt, en naar de Eeuwige stad loopt. In 10 afleveringen doet Bloem dit jaar verslag van zijn tocht langs 's Heren wegen. Vandaag zijn vijfde verhaal: waltzing, waltzing matilda, you'll go waltzing matilda with me.... you'll go a-waltzing matilda with me - Tom Waits

REIN BLOEM

Dit is een citaat uit een sectie-rapport uit 1644. Dertig jaar eerder was er ook al sprake van 'la bocca spalancata', zo'n opengesperde mond met een hagelwit gebit, en waarachtig hetzelfde wonder werd twee eeuwen tevoren vertoond in 1445: 'Il corpo risulta intatto, unico, femminile', het lijf was intact, uit één stuk, vrouwelijk.... driehonderd jaar na haar verscheiden. Van balseming tot mythevorming bleef het corpus ongeschonden: Matilde di Canossa (1046-1115), gestorven aan malaria en erfelijke jicht, bleek onsterfelijk.

Met haar vader en moeder woonde zij als enig overgebleven kind op dé rots in de Apennijnen bij Reggio Emilia, het onneembare kasteel Canossa, waar nu nog anderhalve muur van over is en lager op de 'rupe' een aardig souvenirwinkeltje en een restaurant met een speciaal Matilde-menu lokt.

Vader Bonifatius was een machtige markgraaf en jager, heersend over een onwaarschijnlijk groot gebied, dat zich uitstrekte tot Toscane en Lazio in het zuiden en tot de Po-vlakte en Lombardije in het noorden. Bijkans de hele Francigena loopt er dwars doorheen.

Moeder Beatrix was van Duitse bloede, nicht van de Keizer. Toen de graaf tijdens een jachtpartij in 1052 vermoord werd, vertrok de weduwe met haar dochtertje naar Lotharingen. Matilde leerde er Duits en werd gekoppeld aan Godfried met den Bult, zo zegt mijn Winkler-Prins van 1902, op zijn Italiaans 'Il Gobbo', een bruut die in 1072 nog even mee mocht naar Canossa en daar al gauw werd weggewerkt.

In 1076 stierf moeder Beatrix en een jaar later werd de dertigjarige comtessa wereldberoemd: zij vertolkte letterlijk de machtsstrijd tussen Paus Gregorius VII (voorheen Hildebrand) en Keizer Hendrik IV. Die zouden elkaar halverwege Rome en Worms, in de ijzigste januari-maand sinds mensenheugenis, treffen om tot een vergelijk te komen. De keizer had de banvloek over zich afgeroepen, toen hij eigenmachtig bisschoppen benoemde, terwijl dat het privilege van de pontifex heette te zijn. Hendrik liep het risico dat zijn op de troon beluste paladijnen in opstand zouden komen, zogenaamd vanwege zijn schande, en dus trok hij het boetekleed aan.

Buiten de drie muren van Canossa moest hij barrevoets en zonder bontjas wachten in sneeuw en ijs, vóór hij na drie dagen op voorspraak van Matilde toegelaten werd. Gregorius schijnt hij daar trouwens niet eens gezien te hebben, de tolk zat op de troon, geflankeerd door haar getrouwen: abt Hugo van Cluny en vazal Arduino della Palude.

De geschiedschrijving noemt die 28ste januari 1177 voor Hendrik een vernedering, maar de werkelijkheid was anders: Hendrik ging ritueel op de knieën en het pardon dat hij kreeg gaf hem zowel in Italië als aan het thuisfront meer armslag; de paus was immers namens God verplicht een boetvaardige zondaar te vergeven en zo werden de complotterende edellieden tot zwijgen gebracht. Anders gezegd: nu pas kon de investituurstrijd (wie bekleedt de bisschoppen met macht en waardigheid, de paus of de keizer?) goed beginnen en allicht sloeg Hendrik onmiddellijk toe.

Vele kampioenen van de paus haakten af, op één na en dat was Matilde die er moederziel alleen kwam voor te staan. Maar zij was het, die niet aflatend partij gaf, in 1181 Gregorius uit het belegerde Rome ontzette en uiteindelijk de keizerlijke vijand versloeg (1192), nadat zij in haar kasteel Capinetti in het grootste geheim weer een bondgenootschap had gevormd. Ze voerde zelf het leger aan, want van haar tweede echtgenoot, Welf van Beieren, een onmachtige jongen van 16, bijgenaamd il pingue, de vette, hoefde ze niets te verwachten. Om aan allerlei rodders over kerkelijke verbintenissen een eind te maken, adopteerde zij later nog een jonge Toscaanse graaf, maar ze bleef alleen, una donna sola.

Una donna soletta, maakte Dante ervan, te weten de vrouw die in de laatste zes Canto's van de Louteringsberg (het tweede deel van de Goddelijke Komedie, dat je kunt lezen als een pelgrimage), de weg wijst naar het Paradijs:

En daar verscheen mij, gelijk kan verschijnen plotseling dat iets dat door wonderbaarheid alle andere gedachten op de vlucht jaagt,

een jonkvrouw, geheel alleen die rondging zingende, en kiezende bloem na bloem waarmee haar ganse weg gekleurd was. (vertaling Frederica Bremer)

Beschilderd, niet gekleurd, verstout ik mij, want dat staat er in de laatste regel: pinta!

Een paar terzinen verder, aan de overkant van de stroom die de Lethe blijkt te zijn (de rivier van de vergetelheid), draait zij zich om en danst, nee zweeft, in driekwartsmaat:

Zoals ronddraait met de voeten dicht aan de grond en aan elkaar, een dansende vrouw en nauwelijks een voet voor de andere zet.

De danseres is anoniem en blijft dat in de volgende Canto's (XXIX, XXX,XXXI,XXXII), pas in XXXIII, bijna aan het eind, zegt de verschenen Beatrice, om wie alles begonnen is: vraag maar aan Matelda wat je bent vergeten. Matelda, die sommige geleerden een anagram toedichten: Ad Letam, bij de Lethe. Alle commentaren die ik ken hebben haar naam allang onthuld, vanaf het moment dat onze eenzame Dame voor het eerst in beeld kwam. Maar wie of wat achter die naam schuilt durft men niet met zekerheid te zeggen: die van Canossa of misschien die non in een of ander Duits klooster?

Ons wordt ook de Enciclopedia Dantesca aangeraden, maar ook die komt tot de slotsom: the puzzle remains. Er is zelfs een glosser die verzucht, dat Matilda maar beter helemaal geen naam had gekregen.

Wie gevoel voor suspense heeft, die zalige spanning door uitstel, kan daar anders over denken, merkt bijvoorbeeld op dat de rode en gele bloemetjes waarop zij bij Dante danst nu juist de kleuren zijn die de historische gravin op miniaturen en andere afbeeldingen kenmerkt... en had zij niet ook van die venetiaans-blonde haren? Wie weet is de plotselinge, onvoorziene, uitgestelde onthulling van haar naam door Beatrice ook in het spel van de dichter betrokken: moeder Beatrix wist er alles van.

Die verrassende naamgeving wordt de lezer onthouden als we in het kort begrip, zo noemt men de korte samenvattingen die aan elk hoofdstuk voorafgaan, van canto XXVII meteen al worden geïnformeerd dat de dame in kwestie Matelda heet. Op die manier wordt weer eens een spannend scenario plat gewalst.

En hoe mooi had het kunnen zijn:

Priega Matelda che 'l ti dica, zegt Beatrice tegen de vergeetachtige Dante, vraag het aan haar, en alsof zij schuldbewust is, antwoordt la bella donna: questo e altre cose dette li son per me; e son sicura che l'acqua di Letè non gliel nascose.

Dit en andere dingen zijn hem al door mij gezegd. En ik ben er zeker van dat hij ze door het water van de Lethe niet heeft vergeten. (prozavert. Frans van Dooren)

Behalve in legenden en epen bleef onze leid-ster leven in de kastelen en kerken van haar onmetelijk erfgoed, ook toen dat niet lang na haar dood (in een gehucht bij de Po) verkaveld werd. Nu nog kan men een aardige rondrit maken langs de ruïnes van haar kastelen in de steile heuvels:

Rossena, Capinetti en zelfs het gerestaureerde en bewoonde Bianello. Of je gaat aan tafel met Matilda, Alla Tavola di Matilde: een guida turistica alla ristorazione laat je al de op haar lijf geschreven gerechten zien: gnocchi, tortelli, cappelletti/ polenta di Canossa, cappelletto imperiale, aspri calanchi, tortelli con verza/ lassagna/ triangolo di Canossa/ cacciagione con polenta, cappelletti in brodo, alla panna.

We kunnen ons ook inschrijven voor de traditionele Fiera Settembrina, een concours dat in 1996 al voor de zevende maal gehouden werd. De hoofdprijs voor Un prodotto per Matilde werd gewonnen door een conterfeitsel in chocola. Ook in 1997 staat er weer heel wat op het menu.

Ook een museumreis behoort tot de mogelijkheden, u krijgt dan alle beeltenissen van Matilda te zien, behalve het twaalfde eeuwse miniatuur uit Stiria dat nu ligt in de handschriftenbibliotheek in Minnesota. Maar wel kunnen we onder ogen zien de krijgshaftige in het rood, met lans en granaatappel (haar symbool van de macht); de paardrijdster (eveneens met zo'n vrucht) in Verona; haar tombe in de Sint Pieter te Rome (de appel boven haar hoofd); de kenau met helm, speer en schild bovenop het Palazzo degli Abati in San Benedetto aan de Po.

We zullen het moeten hebben van de kerken, de kleine heiligdommen, die zij liet bouwen tot in de uithoeken van haar grondgebied, dat zij ook na de strijd met de keizer onvermoeibaar doorkruiste om opdrachten en geschenken te geven of rebellen en afvalligen tot haar orde te roepen. Dat deed ze te paard, dertig kilometer minstens per dag, con la velocità di un uccello, in vogelvlucht. De welvaart en de kunst gedijden en het leek of of al die nieuwe, bijzondere kerken door haar gevoed werden: tutte le chiese sono nutrite del latte di Matilde.

Het maakt niet uit of je van Canossa of Carrara door de Apennijnen trekt, je zult steeds weer verrast worden door de vindingrijkheid van bekende en onbekende makers, die in haar naam aan het werk konden. Prachtig is de sobere kerk in Toano, waar de vierkante toren nauwelijks boven het dak uitsteekt en het ruwe, verlaten landschap door de voordeur reikt. Binnen is er weer zo'n aansprekend longobardisch bas-reliëf, dat pelgrims op deze zelden gekozen weg vermaant of bemoedigt. Van dit kleinood kun je in maart rechtdoor naar de winterpretparken die je veraf beladen met sneeuw ziet schitteren in de zon. Maar buig liever af naar het zuiden om daar, dichtbij Lucca, langs de rivier de Serchio opnieuw een eenzame Matilde-kerk te betreden: Diecimo heeft een leeuw in huis die een gehelmde ridder bedwingt. Het slachtoffer heeft het niet breed meer. Vertrouwd met Daniel in de leeuwenkuil en met loslopende leeuwen, toonbeelden van macht, herkennen we nu eens niet de parabel van goed en kwaad, maar maken we een verontrustend gevecht mee, waarin een min of meer realistische sterveling het onderspit delft, al moet gezegd worden dat de niet bijster getalenteerde houwer aan deze vorm van dood en leven geen reliëf kon geven. Als Matilda ooit de opdracht heeft gegeven om haar afschuw voor in de oorlog niet te vermijden manslag in beeld te brengen, dan heeft deze anonymus er niet uit gehaald wat er in zit.

Dan maar de heuvels in naar de Pieve di Brancoli, ook door of aan Matilda opgedragen, ergens bij het spreekgestoelte moet zij zelfs in steen vereeuwigd zijn. Het is een smalle, beboste weg die naar boven klimt, met een steeds mooier vergezicht over de Thyrreense Zee. Naast de parochiekerk staat een losse toren, de mooiste campanile in zijn soort. Aan de zijkant is boven een kleine deur een caricatuur ingemetseld, die zal ook wel van Longobardische herkomst zijn. Hij heft zijn grote handen zijwaarts en heeft een baard als van een leeuw. We schieten in de lach al mag dat natuurlijk van geen enkele symbolenvlooier.

Binnen zien we de maker, zijn enorm hoofd lacht ons toe op een doopvont en hij heeft zich ook kenbaar gemaakt: Rangerius me fecit, zoals het ook in het Franse Autun met duidelijke letters aan de gevel staat: Gislebertus me fecit, Gijs heeft dit gemaakt. In de bouwval van een vroegere kerk zal hij de longobardische grappenmaker gevonden hebben en hem in zíjn eigen, nieuw opgetrokken bouwwerk opgenomen.

Rangerius is niet verantwoordelijk voor een 15de eeuws reliëf aan de binnenmuur: Joris doodt de draak onder toeziend oog van de belaagde maagd. Niet van de kwaliteit van Carpaccio in Venetië, met het vreselijk slagveld, waar de draak zo huisgehouden heeft, dat voor de toeschouwer de overwinnende held in de schaduw wordt gesteld.

Het spreekgestoelte, waarin Matilde, als zij het al is, een onbelangrijke figurantenrol speelt, is van groot formaat, het rust met twee zuilen op het koor en met twee andere een paar treden lager op de kerkvloer. Het is daar donker, dus we gaan als brave Hendrik op de knieën, we mogen niets missen. We zien hetzelfde motief als in Diecimo: een leeuw doodt een ridder. Maar dan houdt elke vergelijking op. Er is hier totaal iets anders gaande. Het tweegevecht is werkelijk een strijd op leven en dood. De linker, afgerukte, mensenarm steekt in de leeuwenmuil, met de rechterhand heeft hij een dolk diep in zijn belager gestoken. De ridder is er het ergst aan toe. Zijn helm is over zijn ogen gekiept. Hij spert zijn mond open, la bocca spalancata met een brokkelig gebit. En we horen hem krijsen tot ver in de omtrek. Er zal geen water van vergetelheid aan te pas kunnen komen, het doodszweet valt in de aarde. Dit adembenemende kunstwerk, niet van Rangerius maar van wie dan, is in Matildes naam gemaakt, geweld en schoonheid fuseren in een drama waar geen einde aan komt en dat je zal heugen.

In het album Asylum years zingt Tom Waits een Tom Traubert's Blues. Het gaat je door merg en been. Geloof het of niet, het gaat zo: Matilda is the defendant, she killed about a hundred and she follows wherever you may go waltzing, waltzing matilda, you'll go waltzing matilda with me....

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden