Fragment/ Ger Groot over Jean-Paul Sartre (1905-1980)

'Neem een vrouw die naar haar eerste afspraakje is. Ze weet heel goed welke bedoelingen de man tegenover haar koestert, maar rauwe en naakte begeerte zou haar vernederen. Ze is pas tevreden met een gevoel dat geheel op haar persoon gericht is en dat haar vrijheid erkent. Maar tegelijk moet het geheel begeerte zijn, gericht op haar lichaam als object.

Nu neemt de ander haar hand in de zijne. Haar laten liggen betekent meegaan in de flirt. Haar terugtrekken betekent de troebele, onstabiele harmonie verbreken die de charme van het moment uitmaakt. Wat dan gebeurt weten we: de jonge vrouw geeft haar hand prijs, maar bemerkt niet dát ze die prijs geeft. Ze voert haar gesprekspartner mee naar de meest verheven streken van gevoelsbespiegeling, ze praat over het leven, over haar leven. Intussen is de scheiding tussen geest en lichaam voltrokken; de hand rust onbeweeglijk in die van haar gesprekspartner: instemmend noch afwijzend - een ding.'

De scène die Sartre hier beschrijft staat in zijn hoofdwerk 'L'être et le néant' (Het zijn en het niet) uit 1943. Ze beslaat in werkelijkheid ruim één bladzijde; ik heb haar voor deze gelegenheid ingekort. Het is een opmerkelijke passage in een boek dat handelt over de meest abstracte filosofische zaken die denkbaar zijn en dat zichzelf in de ondertitel presenteert als een 'fenomenologische ontologie'. Dat klinkt intimiderend genoeg om een boek voor te bestemmen tot roemloze verstoffing in de universiteitsbibliotheken - temeer als het midden in een wereldoorlog verschijnt en mensen andere dingen aan hun hoofd hebben. Het tegendeel was het geval. 'L'être et le néant' werd een cultboek waar over iedereen sprak, al slaagden maar weinigen erin het van kaft tot kaft door te worstelen. Dat had alles met die oorlog te maken - maar ook met het flirtende meisje op het Parijse terras.

Twee wereldoorlogen hadden de vertrouwde wereld met haar vaste waarden en normen omvergeworpen. Na de Bevrijding moest het leven vanaf de grond worden heropgebouwd, niet alleen materieel maar ook moreel. Door welke regels en normen moest de ontgoochelde mens zich laten leiden? In die leegte kwam Sartre's filosofische moraal als geroepen. De vrijheid is het hoogste goed, schreef hij en daaruit leidde hij zijn hele 'existentiële' moraal af.

Meer dan een halve eeuw later is er op die gedachte het nodige af te dingen. Maar de kracht en intelligentie waarmee Sartre haar onder woorden bracht is nog altijd indrukwekkend. Veel in zijn filosofie blijft herkenbaar doordat hij zijn hoog-abstracte ('ontologische') uiteenzettingen doorspekt met scènes uit het dagelijks leven, die hij met grote scherpzinnigheid analyseert. Op zulke momenten toont hij zich de literator die hij in zijn romans en toneelstukken volop kon zijn en krijgt zijn vaak wat stroeve filosofenproza vleugels.

Het meisje op het caféterras is een van de mooiste voorbeelden. Iedereen kent de situatie en de dilemma's, zowel van het meisje als van haar aanbidder. Maar Sartre maakt er filosofie van. Hij plaatst ze in het grote kader van niets minder dan het menselijk 'bestaansontwerp' zelf, waarin we authentiek dienen te zijn, want alleen zo realiseren we onze vrijheid. Het meisje is daar halfslachtig in, en dat kan Sartre maar matig waarderen. ,,We zullen zeggen dat deze vrouw te kwader trouw is'', zo laat hij direct op zijn beschrijving volgen, en dat is misschien niet helemaal billijk.

Maar het belangrijkste is dat Sartre -in navolging van zijn inspirator Heidegger- het alledaagse leven tot een filosofische zaak maakte. Zijn voorbeelden waren genomen uit de wereld om hem heen, die zoals bekend in belangrijke mate uit terrassen en cafés bestond. En veel meer dan Heidegger liet hij daarin de zindering van de alledaagse erotiek doorspelen: een onderwerp waarover filosofen tot op dat moment wel gesproken hadden, maar meestal in zeer bedekte termen. Bij Sartre wordt de filosofie ongegeneerd sexy en krijgen liefde, begeerte, flirt en verlangen een vrijheid en speelruimte die ze tot dan toe niet hadden gehad.

Daarmee kondigde zich een wereld aan die pas in de jaren zestig volop werkelijkheid zou worden. Bij het verschijnen van 'L'être et le néant' was dat allemaal nog een belofte, waarvan je alleen in de cafés en jazz-kelders rond de boulevard Saint-Germain de voorafschaduwingen kon zien. Parijs werd een exotisch oord, waarnaar de hele wereld in de naoorlogse jaren keek met een mengsel van opwinding en angst. Daar was de filosofie opnieuw avontuurlijk geworden, al was het maar door het avontuurtje filosofisch burgerrecht te geven.

Ger Groot is filosoof en publicist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden