'Foute' kunstenaar na oorlog niet uit de gratie

Promovenda Wesselink: Vrije kunst was goed, ongeacht de maker

De Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae zette zonder pardon vijftien joodse kunstenaars uit de vereniging toen de Duitse bezetter daar in 1941 om vroeg. De rest van de leden meldde zich aan bij de Kultuurkamer. Op een enkeling na handelden de leden uit opportunistische motieven en hadden daar later weinig spijt van. Uit archiefstukken blijkt dat de exposities bij Arti in de oorlog astronomische bedragen opleverden.

Maar raakten kunstenaars die in de oorlog 'fout' waren, na de bevrijding uit de gratie om de simpele reden dat zij hadden gecollaboreerd? Volgens Claartje Wesselink, docent cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, klopt dat beeld niet helemaal. Vandaag promoveert ze op haar onderzoek naar de lotgevallen van de kunstenaars Henri van de Velde, Pyke Koch, Johan Polet en kunstenaarsvereniging Arti tijdens en na de oorlog.

De schilder Pyke Koch was al voor de oorlog een aanhanger van de Italiaanse leider Mussolini en zijn fascisme. Na een bezoek aan Goebbels in Berlijn had hij door dat de nazi's een stelletje schurken waren en trok hij zich uit het publieke leven terug. Zijn omgang met Duitsers, die hem na de oorlog hogelijk werd verweten, stond een terugkeer als kunstenaar echter niet in de weg.

Hoe kon het dat Koch uiteindelijk weer werd geaccepteerd, terwijl 'foute' collega's als schilder Henri van de Velde en beeldhouwer Johan Polet geen poot meer aan de grond kregen? Wesselink schrijft in haar boek 'Kunstenaars van de Kultuurkamer' dat de belangrijkste verklaring in de personen ligt die na 1945 het aanzicht van de kunst in Nederland bepaalden, zoals Willem Sandberg, Edy de Wilde en Bram Hammacher.

"Zij stelden een nieuwe kunsthistorische canon op waarbij de abstraherende kunst, waar de nazi's van gruwelden, als stilistisch 'goed' werd bestempeld en het neorealisme, de favoriet van de Duitsers, als 'fout'. Sandberg en anderen creëerden als het ware een passende kunst voor het herrezen, democratische Nederland", zegt Wesselink.

Dat had de ironische consequentie dat een kunstenaar als Harmen Meurs, die toevallig realistische schilderijen maakte, geheel uit de gratie raakte. "Terwijl deze man in het verzet had gezeten en al in de jaren dertig anti-Duitse werken maakte."

Een groot verschil met Meurs vormde Karel Appel, die tijdens de oorlog veelvuldig exposeerde en met succes verzocht om materiaal en subsidies. Na de oorlog sloot Appel zich aan bij het collectief Cobra dat precies paste in het beeld dat Sandberg en de zijnen hadden van naoorlogse kunst. "Die vrije kunst vonden ze verzetskunst met terugwerkende kracht. Kunst die laat zien hoe de natie had willen zijn, terwijl de brave landschappen uit de bezettingstijd laten zien hoe de natie wás. Het werk van Koch sloot ook aan bij het beeld hoe kunst moest zijn: niet bevallig, het schuurde in plaats van te sussen."

Na de oorlog kreeg Arti te maken met een zuivering. Van de 165 veroordeelde kunstenaars in Nederland waren er 28 lid geweest van die voorname kunstkring. Uiteindelijk overleefde Arti de naoorlogse jaren en organiseerde het weer exposities. Van de 15 verbannen joodse leden overleefden er slechts drie de oorlog, onder wie tekenaar Jo Spier. Uitgerekend hij meldde zich na een paar jaar weer aan als lid van Arti.

Studenten van Claartje Wesselink hebben op basis van haar proefschrift de tentoonstelling Arti in oorlogstijd samengesteld. Die is morgen en zondag van 12.00 tot 18.00 uur te bezichtigen in de sociëteit, Rokin 112 in Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden