Fotografie

Zijn moeder was fotografe Emmy Andriesse. Maakster van de foto van het jongetje met het pannetje, die wordt gezien als een oorlogsicoon, en veel ander materiaal uit de hongerwinter. Zij was een van de oprichters van de beroepsvereniging van fotografen, de GKF. Haar zoon is uitgever Joost Elffers (52): “Zij werd aanbeden door mensen die gelijkwaardig aan haar waren.”

Zij wordt beschouwd als een van de grootste talenten uit de Nederlandse fotogeschiedenis. Bekend zijn haar foto's uit de hongerwinter, reportages uit Frankrijk en Italië, maar ook haar modefoto's. Emmy Andriesse besloot haar archief bij het Leids Prentenkabinet onder te brengen, toen zij hoorde dat zij niet lang meer te leven had. Toen zij in 1953 op 39-jarige stierf, was haar zoon Joost zeven jaar. “Ik dacht dat ik niet ouder zou worden dan veertig, uit solidariteit met mijn moeder.”

“Ik heb altijd geweten dat mijn moeder fotografe was. Ik denk dat ik van haar mijn gevoel voor stijl heb geërfd. Zij kon een huis mooi inrichten, mooie kleren dragen en goed eten op tafel zetten. Allemaal zonder geld. Ze was een bohémien, een aristocraat zonder geld. Ze was onbetwist de koningin. Ooit leende ze 100 gulden van een vriend en kocht van dat geld schoenen, terwijl hij dacht dat zij er eten van zou kopen. Hij was boos, maar het enige dat zij zei was: 'Kijk eens, mooie schoenen hè'. Zij werd aanbeden door haar vrienden. Door mensen die gelijkwaardig waren aan haar. Mijn moeder liet zich niet intimideren door anderen. Als ze je niets vond, besteedde ze ook geen aandacht aan je. Ze moest wel. Als je met iets goeds bezig bent, ben je selectief.”

In 1941 trouwde Andriesse met ontwerper Dick Elffers. Zoon Cas werd in 1942 geboren en overleed net na de bevrijding. “Hij zag het kroos in een vijver voor gras aan en is toen verdronken. Ik denk dat mijn moeder daar erg mee bezig is geweest. Het verliezen van een kind is waarschijnlijk het ergste dat er is. Dan leef je al met de schuld dat je een werkende moeder bent en dan gaat dat kind ook nog dood.”

Zijn ouders waren actief in het verzet. “Mijn moeder was joodse, maar gemengd gehuwd. Ze is alleen het laatste jaar van de oorlog ondergedoken. Op die manier is zij de dans ontsprongen. Mijn vader maakte valse papieren, mijn moeder de pasfoto's. In die tijd ontstonden hechte vriendschappen. Haar beste vriend was zakenman Meik de Swaan, daar had ze een verhouding mee. Tussen '45 en '55 had iedereen een verhouding met iedereen. Fascinerend intens leefden die mensen, in één grote bevrijdingsroes. Ze dachten echt dat de wereld zou veranderen na de oorlog.”

“Na de oorlog ging een grote geldstroom van de overheid naar kunstenaars, met de opdracht oorlogsmonumenten te maken. Die waren allemaal lelijk en ellendig - terwijl mijn moeder die monumenten al maakte tijdens de oorlog. Want oorlogsfoto's zijn natuurlijk onverslaanbaar beter in zeggingskracht. Er wordt wel gezegd dat Robert Capa de foto uit de Spaanse burgeroorlog van de man die valt, heeft geënsceneerd. Mijn moeder liet dat jongetje met dat pannetje ook vier keer voorbij lopen, omdat ze bezig was een symbool te maken. Waarheidsplaatjes zijn onzin. Alleen amateurs denken dat ze naturel moeten zijn. Een professional kan heel ver gaan in ensceneren.”

Over de beroepsvereniging van fotografen, de GKF, die kort na de oorlog mede door Andriesse werd opgericht, zegt Elffers onomwonden dat die 'een kleine elitaire groep mensen' was. “Je moest links zijn, anders kwam je er niet bij. Er was maar weinig werk, men verdiende weinig en dan mocht er ook nog heel veel niet. Je mocht geen modefotografie bedrijven, geen reclamefoto's maken. Het was een groep die zich al gauw in twee kampen opsplitste: het kamp Oorthuys, waar mijn moeder bij hoorde, en het kamp Blazer. Mijn moeder fietste daar tussendoor en belde 's avonds met Blazer om technisch advies.”

Over de fotografische capaciteiten van Emmy Andriesse is Elffers nuchter. “Zij was een goede fotograaf. Maar zij was geen Cartier Bresson, al heeft ze wel goed naar hem gekeken. Ze zit in de Nederlandse cultuur gebakken, ze wordt altijd weer naar boven gehaald. Toch kan ik haar als uitgever niet op een internationaal niveau brengen, daarvoor is haar oeuvre te klein.”

“Op de dag van de begrafenis ging ik met het kindermeisje naar Artis. Ik wist dat mijn moeder dood was, dat was mij wel meegedeeld. Mjn vader wilde na haar dood breken met de verantwoordelijkheid voor het archief. Hij was geen archivaris. Hij wilde met zijn leven door. Er is geen familiealbum. Alles, ook mijn babyfoto's, ligt in Leiden.”

“Ik was daar niet boos om. Boos ben je op mensen die schuld hebben. Je bent niet boos op iemand die in het tijdsgewricht van zijn geschiedenis zo goed mogelijk heeft gehandeld. Mijn moeder was een charismatische persoonlijkheid, mijn vader was sociaal gezien minder vaardig. Hij wilde zich niet verantwoordelijk blijven voelen voor de afgebroken carrière van mijn moeder. Hij wilde het verleden het verleden laten, schoon schip maken en koos voor zichzelf. In 1954 trouwde hij met Mien Harmsen. Zij is nu al vijfenveertig jaar mijn moeder.”

Dick Elffers overleed in 1990. “Mijn vader zei altijd: 'Zet mij maar bij het vuilnis als ik dood ben'. Hij was een socialist en die willen de maatschappij niet tot last zijn. Zijn einde was heel harmonieus. Daarmee was de cirkel rond.”

“Ik heb geen kinderen. Vanuit het oorlogsmilieu waarin ik ben opgegroeid, wilde ik de persoonlijke misverstanden die in mijn genen zitten niet overdragen. De nasleep van een oorlog kost een paar generaties.”

“Mijn vader heeft nooit begrepen dat ik het centrum van de wereld, Amsterdam, verliet voor de jungle van New York. Maar net als hij heb ook ik uiteindelijk voor mezelf gekozen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden