Fortuynisme / De ongeduldige burger vlucht, maar waarheen?

Het fortuynisme leeft voort, ook als de fortuynisten na de komende verkiezingen uit de Tweede Kamer zijn verdwenen. Wie anders denkt, koestert dezelfde illusie als degene die meent dat het effect van de elfde september met een herbouw van de Twin Towers zal zijn weggenomen. Het is alleen afwachten welke politieke vorm het fortuynisme zal aannemen.

Heinsbroek ging zoals Fortuyn kwam: als stoepparkeerder. Tijdens de persconferentie waarop Pim Fortuyn zijn intrede aankondigde in de Haagse politiek, stond zijn auto met chauffeur en hondjes op het trottoir van Nieuwspoort. Ook Herman Heinsbroek dwong voetgangers bij het Haagse perscentrum deze week van de stoep, waar de LPF'er zijn limousine achterliet om binnen zijn aftreden als minister bekend te maken.

Zoals Heinsbroek eerder deed nadat de politie hem had betrapt op een te hoge snelheid, zou hij een agent die hem voor de overtreding wil bekeuren ongetwijfeld afblaffen. Kan de man niet beter boeven gaan vangen? Heinsbroek en wijlen zijn politieke leidsman Fortuyn zijn met hun stoepparkeren herkenbaar voor andere assertieve burgers die menen dat zijzelf kunnen uitmaken welke regels voor hen gelden en welke niet. In gedrag en levensstijl was Fortuyn helemaal de man die zich van niets en niemand wat aantrekt, zijn eigen autoriteit is en de overheid ziet als een sta-in-de-weg met lastige regels.

Met zijn politieke boodschap over alle dreigingen die op ons afkomen, sprak hij tegelijkertijd burgers aan die zich onveilig voelen. Het 'geheim van Fortuyn' was volgens cultuurfilosoof Gabriël van den Brink dat hij als eerste een coalitie smeedde tussen twee groepen burgers met tegengestelde belangen. Aan de ene kant onderscheidde hij de 'bedrijvige burgers', de voorhoede die de moderne dynamiek prachtig vindt en liefst nog sneller wil gaan. Zij beslissen liever zelf en willen minder bureaucratie, minder regels, minder overheid. Aan de andere kant ontwaarde hij de 'bedreigde burgers', de mensen die hun bestaan door dezelfde dynamiek in gevaar gebracht zien en vrezen dat hun leefomgeving onbeheersbaar wordt. Zij willen juist meer bescherming, meer toezicht, meer overheid.

Het lijdt geen twijfel dat het idee in het bestaan te worden bedreigd, na de klap van elf september een veel grotere groep mensen in zijn greep zal hebben gekregen. De aanslag van moslimterroristen op de Twin Towers en het Pentagon heeft het basale veiligheidsgevoel van mensen in meer dan één opzicht acuut ondergraven. De onzekerheid over hun fysieke veiligheid zal zijn toegenomen, nu de dreiging van vernietigend geweld zelfs van een passagiersvliegtuig blijkt te kunnen komen. Het besef van materiële veiligheid zal zijn ondermijnd door de onzekerheid over de toekomstige welvaart die zich sinds de elfde september van consumenten heeft meestergemaakt. Het gevoel van culturele veiligheid zal lijden onder de gewaarwording dat moslims fysiek zo dichtbij maar geestelijk zo ver weg zijn.

Hoe meer mensen te verliezen hebben, hoe dieper zij kunnen vallen, hoe groter hun angst zal zijn als zij zich in hun basale veiligheid bedreigd voelen. Dat geldt zeker voor de Nederlandse kiezers. Zij zijn vrijer en welvarender dan ooit, werd ook Paars niet moe hun voor te houden. Ongewild kan de vorige coalitie met die boodschap bij de kiezers het besef hebben vergroot wat er na de aanslag van de elfde september allemaal op het spel stond. Fortuyn voelde de stemming beter aan, door de onveiligheid die burgers ervaren tot het brandpunt van zijn politieke kritiek te verheffen.

De afgang van de LPF in de Tweede Kamer betekent niet dat Fortuyns boodschap zijn aantrekkingskracht kwijt is. Het gevoel van bedreiging blijft, zeker zolang de oorlog tegen het terrorisme voortduurt en het risico op een wereldbrand niet denkbeeldig is.

Het fortuynisme leeft dus voort, ook als de fortuynisten na de komende verkiezingen uit de Tweede Kamer zijn verdwenen. Wie anders denkt, koestert dezelfde illusie als degene die meent dat het effect van de elfde september met een herbouw van de Twin Towers zal zijn weggenomen. Het is alleen afwachten welke politieke vorm het fortuynisme zal aannemen. Incorporeren gevestigde partijen het in hun gedachtegoed en nemen zij daarmee de voedingsbodem voor een nieuwe populistische beweging weg? Of staat een nieuwe Fortuyn op?

De historicus Geert Mak waarschuwde voor dat laatste risico. Hij signaleerde al vroeg dat Fortuyns revolutie tot mislukken was gedoemd, bij gebrek aan een georganiseerde en gedisciplineerde, hechte groep volgelingen die lotsverbondenheid hebben kunnen opbouwen. De geschiedenis leerde Mak dat revoluties alleen dan kunnen slagen. Tegelijkertijd zei hij zijn hart vast te houden over een tweede Fortuyn, een vakkundige politicus die het potentieel dat zijn voorganger heeft ontdekt opnieuw organiseert, deze keer met een hechte groep en een uitgewerkt programma: ,,Dan zullen we wat beleven''.

Om het risico van de opkomst van een nieuwe Fortuyn in te dammen, ontkomt geen partij eraan zich te bezinnen op de vraag welk nieuw evenwicht zij nastreeft tussen vrijheid en veiligheid. Fortuyn heeft ze met zijn electorale succes op die noodzaak gewezen. Na de culturele omwenteling van de jaren zestig en de sprong vooruit die burgers sedertdien in hun materiële welvaart maakten, verlangden mensen vooral meer vrijheid om over zichzelf te beschikken. De politiek voegde zich naar die wens, gaf waar mogelijk stelselmatig ruimte aan de individualisering, en trad zelf waar nodig terug.

Fortuyn heeft duidelijk gemaakt dat burgers van de politiek nu vooral meer bescherming tegen de bedreigingen van hun bestaan verlangen. Het is daarbij de vraag in hoeverre zij bereid zijn vrijheid op te offeren voor meer veiligheid. Uit sociologisch onderzoek rijst tot dusver het beeld van een dubbelhartige moderne burger op. De criminoloog Boutellier beschrijft hem met de metafoor van de bungy-jumper: iemand die wel het avontuur van de ongewisse sprong wil beleven maar gevrijwaard wenst te zijn van het bijbehorende fatale risico. In Boutelliers beeldspraak is de bungy-jumper de burger die wil kunnen doen en laten wat hij wil. Van de overheid verlangt hij ondertussen dat zij het touw stevig in handen houdt.

Fortuyn was zo'n dubbelhartige burger in eigen persoon. Aan de ene kant was hij het vrijgevochten individu, de man die zich nergens voor schaamt en de intiemste details uit zijn privé-leven zonder meer met iedereen deelt. Fortuyn vertoonde stuk voor stuk de gedragskenmerken die volgens de socioloog en Trouw-columnist Jacques van Doorn rond 1970 voor het eerst scherp zichtbaar en vervolgens sociaal acceptabel werden: assertiviteit, feeling voor imago en publiciteit, flexibiliteit en mobiliteit, afkeer van hiërarchische verhoudingen en langdurige bindingen. Op SBS 6, Yorin en andere commerciële tv-zenders waarnaar Fortuyns kiezers kijken, is dat gedrag dagelijks te zien bij de mensen die het motto van de vermoorde politicus in praktijk brengen: 'Zeggen wat je denkt en doen wat je zegt.'

Aan de andere kant vereenzelvigde Fortuyn zich met de burger die stante pede van de overheid bescherming tegen de onveiligheid verlangt, het liefst zonder zelf door de overheid te worden lastiggevallen. Bij politici van de LPF liggen de voorbeelden van al deze fenomenen voor het oprapen. Weinig LPF'ers nemen bij het spreken in het openbaar een blad voor de mond. Nog deze week kon van de afgezette fractieleider Wijnschenk de uitspraak worden opgetekend dat zijn fractiegenoten 'gajes' zijn en de geestverwante minister Bomhoff 'een leugenaar'. Wijnschenk zelf werd eerder door het uit de fractie gezette kamerlid Eberhard voor 'dikke lul' uitgemaakt. En Heinsbroek betitelde een betoog van Bomhoff als 'een lulverhaal'.

LPF-politici hebben sinds hun verschijning in de Kamer dezelfde dubbelhartige houding tegenover de overheid vertoond als de veeleisende burger die verder niet lastig gevallen wil worden. Aan de ene kant koesteren ze een overspannen verwachting van wat de overheid in wetten kan regelen, aan de andere kant is de afkeer van het hoger overheidsgezag voelbaar. Een LPF'er als varkensboer Wien van den Brink wil van geen enkele overheidsregulering van zijn bedrijfstak weten. Tegelijkertijd meende toenmalig fractiegenote Winny de Jong dat de regering met een wet kon volstaan om de media tot objectiviteit over de LPF te dwingen. ,,Je neemt een wet aan en het is geregeld'', zei zij.

Hoewel LPF'ers als Heinsbroek en Herben pleiten voor een hernieuwd besef van burgerplichten, is hun mond vol van rechten. Recht op veiligheid, recht op bescherming, recht op zorg, recht op ruim baan op de snelweg. Zij doen denken aan de burgers die zich volgens Jacques van Doorn tegenover de politiek als consumenten opstellen. Zij verlangen van de politiek hetzelfde als van de economie: prompte levering. Niet alleen van schoon water uit de kraan maar ook van veiligheid op straat en ruimte op de weg. Volgens Van Doorn is een ramp, met vee of vuurwerk, in hun ogen geen fataliteit maar een fout van de overheid, of in ieder geval haar verantwoordelijkheid. De overheid moet dus voor 'compensatie' moet zorgen.

De 'gevestigde' partijen valt het tot dusver zwaar met de tegengestelde verlangens van burgers om te gaan. In het afgelopen decennium dacht de politiek de 'kloof met de burgers' te kunnen verkleinen door de wetten van de markt te omarmen, als ware zij inderdaad een economie met de burgers in de rol van consument. Sinds de kabinetten-Lubbers heeft zij een terugtrekkende beweging gemaakt. De politiek zette al haar kaarten op de 'bedrijfsmatige overheid'. Zij heeft geprivatiseerd, verzelfstandigd en taken afgestoten, in de hoop dat marktwetten ook op haar terrein zegenend werk konden doen en 'efficiency en effectiviteit' brengen.

Dat is een vergissing geweest, erkennen meer en meer politici. De overheid is geen winkelier in allerhande goederen, met als eerste taak zo snel mogelijk te leveren. Het probleem is nu juist dat marktwetten ruïneus kunnen uitpakken in sectoren die de overheid niet voor niets ooit in de sfeer van de publieke dienstverlening heeft gebracht, zoals scholen, universiteiten, openbaar vervoer, cultuur, gas, water, licht.

Maar welke positie moet de politiek dan wel innemen tegenover burgers die haar met tegengestelde wensen tegemoet treden? Ook omwille het herwinnen van haar geloofwaardigheid is dat een dringende vraag. Burgers dreigen zich verder van de politiek af te keren door de perikelen met de LPF en de val van het kabinet-Balkenende, bleek uit recent opinieonderzoek.

Volgens de Amsterdamse politicoloog Jos de Beus heeft de paarse coalitie het verkeerde antwoord op die vraag gegeven. PvdA, VVD en D66 hielden de kiezers voor dat zij in tal van maatschappelijke vraagstukken een 'win-winsituatie' konden creëren. In werkelijkheid ontliepen zij daarmee keuzes die uiteindelijk onvermijdelijk zullen zijn. Meer auto's op de weg, én minder files, én een schoner milieu, én minder lawaai, het zal volgens De Beus een wensdroom blijven.

Dat laatste geldt ook voor het idee dat burgers meer bescherming kunnen krijgen tegen de bedreigingen van hun bestaan zonder iets van hun vrijheid prijs te geven. De les van Fortuyn is dus in de eerste plaats dat politici, op grond van hun eigen idee over de gewenste samenleving, hun keuzes in dat soort dilemma's aan de burgers voorhouden en ze niet ontwijken met 'win-winplannen'. In dit opzicht was de 'oude politiek' van ideologische partijen die met hun eigen keuzes strijd om de kiezersgunst leveren zo gek nog niet. Evenmin zou het gek wezen als de partijen in een toekomstvisie hun antwoord formuleren op de onzekerheid die mensen voelen over hun fysieke, culturele en materiële veiligheid na de elfde september. Zonder zo'n visie kan de tweede Fortuyn zo om de hoek komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden