Florence creëert zoektocht naar verborgen verleden

Er zijn weinig redenen te bedenken om naar Florence te gaan, anders dan de ongelooflijk rijke cultuur. De stad, gelegen in een breed dal dat door de rivier de Arno is uitgesleten, is geen economisch zakencentrum als Milaan, geen uitstalkast van exuberante palazzi als Venetië, geen staalkaart van antiek bouwen als Rome, maar ook geen elegante badplaats als Chioggia of Rimini. Wat Florence zo volstrekt uniek maakt, zijn de straten vol musea, meestal ondergebracht in herenhuizen die hier vaak tot burgerlijke paleizen zijn uitgegroeid. Anders dan in Venetië waar de oorspronkelijke bewoner van een dergelijk paleisje aan de grachtenzijde en van buitenaf wilde aantonen dat hij tot de meest vermogende inwoners van de stad behoorde, zit de luxe van de Florentijnen verstopt in diezelfde huizen.

Neem de paleizen van de Medici. In de Via Cavour staat het beroemdste onderkomen van deze bankiersfamilie dat tegelijk een ware kunstschat omvat, uit architectonisch oogpunt maar ook vanwege de roerende goederen. De straatgevel is onaanzienlijk, al wil ze met het vestingachtige karakter tegelijk een sfeer van macht en gezag uitstralen. je ziet hier de Florentijnse bouwkunde op zijn best. De begane grond is hoog opgetrokken, de bovenliggende etages lijken er als smalle plakken opgestapeld. Het hele gebouw oogt van de straatkant ongemakkelijk, niet welkom maar tegelijk ook solide en onkwetsbaar. Pas binnen wordt de aandacht verlegd naar de wufte beelden die altijd groter zijn dan de mensen die er naar staan te kijken.

Dit soort onvriendelijkheid die gemakkelijk voor harteloosheid kan worden ingewisseld, lijkt op het eerste oog een wezenlijk kenmerk van de stad te zijn. Het is alsof ze zegt „Je mag hier best komen, we hebben mooie zaken om te zien, maar je moet er moeite voor doen om ons te veroveren.”

Die houding is eerder ongeveinsdheid dan onvriendelijkheid, zegt Romano Romoli, stoffenhandelaar. Samen met zijn broer Romolo drijft hij een winkel annex werkplaats en stoffenarchief in de Florentijnse binnenstad. Hij beaamt dat de stad een wat stugge indruk maakt. „Maar je moet niet vergeten dat Florence een stad als een ijsberg is. Wat je aan de buitenkant ziet, vormt maar een achtste van het totaal dat onder de ’waterlijn’ schuilgaat. Florence moet je ontdekken, je moet door de stad dwalen, openstaan voor het onbekende en niet direct in de rij gaan staan op de plekken waar toch al een paar honderd mensen wachten. Dan kun je veel van ons verleden zien dat anders voor sommigen onzichtbaar blijft.”

Romoli zet zich sterk in voor dat verleden. Hij gaat in een gesprek dat gelardeerd wordt met smakelijke amandelkoekjes die je in zoete Vin Santo doopt, vaak in op de nog steeds zichtbare gevolgen van de watersnood van 1966. In dat jaar spoelde de Arno op sommige plekken meer dan twee meter hoog de binnenstad in. De stoffenzaak van de Romoli’s kreeg het in die tijd danig voor zijn kiezen. Vooral de collectie antieke stoffen waaruit decennialang wordt verkocht, werd door het snel wassende water bedreigd. Nog erger hadden de musea het te verduren, waar op de begane grond de schilderijen die daar op ooghoogte hingen door het water werden aangetast. Een ramp was deze zondvloed ook voor de vele ambachtelijke bedrijfjes die de binnenstad zo’n middeleeuws karakter geven. „Veel kleine zakenlieden konden nadien het hoofd niet meer boven water houden. Hun voorraden waren eenvoudig weggespoeld en ze zaten plotsklaps zonder (dure) gereedschappen. Dat was het einde van hun bedrijf,” aldus Romano Romoli. Maar ook in de huidige tijd hebben de overgebleven ambachtsmensen het moeilijk. „Kijk eens naar de Via de Tornabuona. Dat is eigenlijk wel de duurste straat van Florence, maar niet zo duur als in Milaan of Zürich. Erg gewild bij modehuizen die hier hun hoofdzetel hebben. Tussen al die luxewinkels had je een heel oud bruin koffiehuis, met een prachtig interieur waar ik dagelijks kwam om er een prima espresso te drinken. Dan moet je het meemaken dat zo’n zaak wordt opgekocht door een modeontwerper die er een heel ander interieur van maakt. Nee, de sfeer is daar volledig verloren gegaan. Een modehuis wil natuurlijk een eigentijdse uitstraling hebben, daar is niets op tegen, maar waarom uitgerekend in een historisch koffiehuis?”

Het zijn zaken waar de Romoli’s wakker van liggen. Ze wijten het niet aan ’de moderne tijd’, want ondanks hun liefde voor het Florentijnse verleden willen ze graag met hun tijd meegaan. Maar hun instelling dat goede dingen uit het verleden het verdienen om te worden behouden, gaat hun toch voor alles. Juist daar ligt de grootste aantrekkingskracht van de stad: vanuit het heden kun je een bijna ononderboken contact met het verleden krijgen. Daar is weinig behoudzucht voor nodig: cultuurconsumptie kan ook tot economische vooruitgang leiden. Wie Florence als toerist bezoekt, levert onbewust ook een bijdrage aan haar welvaren.

1. Panorama’s

Het is een bijna natuurlijke wens om ergens in deze zo opgepakte stad met haar smalle straten en hoge huizen die elkaar voortdurend in de schaduw zetten, een mooi uitzicht te krijgen. Voor zo'n panorama komen minstens vier locaties in aanmerking, plekken waar de stad aan je voeten ligt. Wie naar de hoogste verdieping van La Rinascenta (de Italiaanse Bijenkorf, maar veel modebewuster) op de Piazza della Repubblica klimt en in plaats van in de koffiebar op het terras gaat zitten, krijgt een indrukwekkend uitzicht op de Duomo met de beroemde koepel van Brunelleschi voorgeschoteld. Dezelfde kathedraal, maar dan vanuit het koude noordwesten bezien, rijst op als je in Hotel Bagliono op de Piazza dell’Unita Italiana naar het restaurant vraagt. Even mooi is het uitzicht op de beroemde Ponte Vecchio over de Arno vanaf de theezaal van de Uffizi.

Maar het uitzicht-aller-uitzichten op de gehele binnenstad, inclusief de Arno-bruggen, de ontelbare paleizen van de Medici en de wondermooie kerken, is vanaf de heuvels op de zuidoever van de rivier te bekomen. Hoog (en droog, want niet getroffen door de overstroming van 1966) tegen de met pijnbomen bezaaide Monte alle Croci, ligt de kerk van San Miniato al Monte, op loopafstand van de Piazzale Michelangelo, die tegenwoordig tot een mistroostige parkeerplaats is verworden. De San Miniato geldt als het beste voorbeeld van de kerkenarchitectuur die de overgang van het Pisaanse romaans naar de Florentijnse gotiek markeert. De kerk mist een narthex, de (getekende) vensters en deuren geven rechtstreeks uit op het voorplein, vanwaaraf je dat mooie uitzicht over de stad hebt.

In Italië mag Milaan dan staan aangeschreven als de beste stad voor industrieel vervaardigd design, Florence kiest een andere weg wat het edele handambacht betreft. De labyrintische binnenstad is rijk aan onoog-lijke ateliers, werkplaatsen en doodlopende steegjes waar eenmansbedrijfjes de prachtigste voorwerpen op grond van persoonlijke smaak voor de klant willen maken. Wie zijn antieke meubels wil laten restaureren, gaat naar Marco Zazzeri op de Piazza Peruzzi 9. Bij hem kun je ook terecht om nieuw, maar klassiek ogende meubilair naar eigen wensen te laten maken.

Een wel heel bijzondere parfumeur is de Farmaceutica di Santa Maria Novella in de Via della Scala 16. Deze apotheek annex parfumerie, die koningin Beatrix tot haar cliënteel mag rekenen, is gevestigd in een eeuwenoud klooster waar nog originele fresco’s van een navolger van Giotto zijn te bezichtigen. Tussen stijlvolle antiquiteiten worden parfums of uiteenlopende kruiden, zeepjes en shampoos aangeboden. Bij deze farmacie worden nog geuren vervaardigd op basis van de iris, dezelfde bloem die in het wapen van de stad is te zien. Dit parfum stond ooit aan de basis van het beroemde Duitse geurtje 4711, de moeder aller eau de colognes.

Met minstens drie beroemde ontwerpers binnen haar grenzen is Florence ook de stad bij uitstek voor modeliefhebbers. Hier hebben Gucci, Pucci en Ferragamo hun hoofdzetel, maar ook Versace en Max Mara zijn in of rond de Via de Tornabuoni neergestreken. Salvatore Ferragamo opende in het middeleeuwse Palazzo Spini Feroni op de Piazza Santa Trinita 5 een museum met zijn beroemde schoenontwerpen. Ferragamo maakte ooit zijn fortuin in de Amerikaanse filmwereld, waar hij actrices als Marlene Dietrich, Audrey Hepburn, Lauren Bacall, Greta Garbo , Ava Gardner en natuurlijk zijn landgenotes Sophia Loren en Silvana Mangano van schoeisel voorzag. De hele privécollectie (schoenen, accessoires, prototypes, schetsen) is dagelijks (beh. dinsdag) tussen 10-18 uur te bezichtigen.

Een paradijs voor modeontwerpers maar ook voor degenen die zelf iets van een stof willen maken, is de Casa dei Tessuti, vlakbij de Via de Tornabuoni in de Via de’ Pecori 20-24 van de gebroeders Romano en Romolo Romoli. De twee heren, inmiddels ver in de zeventig, hebben in de afgelopen halve eeuw een assortiment van duizenden, in Florence geweven stoffen opgebouwd waarvan vele inmiddels een antieke (en dus kostbare) status hebben bereikt. Mede daarom krijgt de zaak klandizie van een internationaal georiënteerde groep kleermakers en couturiers (onder wie roemruchte namen als Versace, Ungaro, Yves Saint-Laurent en Valentino). Ook naar Italiaanse omstandigheden beschouwd is de Casa dei Tessuti een bijzondere zaak. Zo kun je er goud-bestikte zijde naast authentieke Indonesische batikprints aanschaffen.

Italianen die buiten hun streek wonen, geven Toscanen de bijnaam van mangafagioli oftewel ’bonenvreters’. Nu vormen de witte bonen een wezenlijk onderdeel van de Toscaanse en ook Florentijnse keuken, maar het gebruik van dit woord heeft in de stad wel een bijzonder negatieve bijklank. Is het terecht zo erg met de keuken in deze stad gesteld? Te zien aan het grote aantal restaurants dat zijn cucina tipica toscana aanprijst en het vrijwel geheel ontbreken van enig buitenlands restaurant, valt de regionale keuken niet eens door mand.

Hier zijn de banden met het verleden nooit doorgesneden. Typisch Florentijnse gerechten als bistecca alla fiorentina (vlees), ribollita (soep), lampredotto (varkensdarmen) en vleeswaren die in Nederland als slachtafval worden beschouwd, hebben de eeuwen weten te trotseren. Dat betekent ook dat veel eten nogal zwaar en boers is en dus in kleine hoeveelheden genuttigd moet worden. Een bijzondere plek nemen de ’voorafjes’ in de vorm van crostini in. Dat zijn geroosterde broodjes met lekker vette lever, laagjes spek, tomaten of ricotta (kaas). Maar ook daar geldt voor: de nouvelle cuisine moet hier nog worden uitgevonden.

Kwaliteit in de Toscaanse keuken is te vinden in restaurants als Dino in de Via Ghibellina (ook een mooi antiek interieur), Del Fagioli in de Corso Tintori, Latini in de Via Dei Platani, Giovanni in de Via del Moro en Caffè Italiano in de Via Isola delle Stinche, dat – anders dan de naam suggereert – een zogeheten osteria (klein restaurant) met een enotheek (wijnkelder) combineert.

Er zijn veel redenen te bedenken om naar Florence te gaan, maar één steekt boven alles uit en dat is een bezoek aan de Uffizi. Tegelijk is die reden ook een ramp voor de stad. Behalve in het laagseizoen groeien al in de ochtenduren de rijen voor de rommelige kassa’s van de Uffizi uit tot onoverzichtelijke slangen, die de omliggende straten in een wurggreep nemen. En dat is nog maar het begin: eenmaal in de zalen beland, blijk je de hele rij weer tegen te komen. Het is veel rustgevender om nu eens niet door al die volle zalen te zwerven, maar het bezoek te richten op de galerijen. De gangen van de Uffizi vormen de enige plek waar je in alle rust naar kunst kunt kijken. Bovendien zijn die heel mooi, de vele marmeren beelden, maar ook de plafondschilderingen die hier grotesken heten. Dat woord dook voor de eerste keer op bij de ontdekking van de Domus Aurea, het keizerlijke paleis van Nero in Rome, dat vanaf 1480 een bron van inspiratie voor schilders werd. De grotesken in de Uffizi zijn van een latere datum, de eerste versieringen in de plafonds van de oostvleugel werden tussen 1579 en 1581 door Antonio Tempesta aangebracht. Het gebruik van het wat vreemde woord verwijst naar een extravagante inhoud: wonderlijke figuurtjes à la Jeroen Bosch, maar met een buitengewone stilering neergezet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden