flaterbrein / Het brein denkt achter onze rug om

De denker van Rodin wankelt op zijn sokkel, na een halve eeuw van psychologische experimenten. Daar komt hij uit als een haastig chauffeur die sluiproutes zoekt. Voor langdurig peinzen hebben onze hersenen de middelen niet, dus moeten ze wel afsteken onderweg. En dat doen ze: onze neuronale TomTom beschikt over tal van foefjes om door het sociale doolhof te vliegen. Slot van een serie over het ’flaterbrein’.

We denken niet logisch, daar begonnen we deze serie mee. En in de savannen misten we de hogere wiskunde ook niet, betoogde de evolutiepsycholoog. Maar we moeten Rodin nog ernstiger beledigen: zijn denker overdenkt maar een flintertje van het bestaan echt weloverwogen.

Een luiaard? Nee, de denker kan niet beter.

We zullen hem eerst cijfermatig vrijpleiten. Als we straks in heel Europa met één pinpas betalen, moet ons werkgeheugen een rekeningnummer van zeker twaalf cijfers vasthouden. Dat is lastig. Bewust kunnen we zo’n zeven brokjes informatie tegelijk mannen. Een telefoonnummer, dat gaat net.

Geef je letters weer in bits – 5 per letter –, dan lukt het onze hersenen om er lezend ongeveer 45 per seconde te verwerken. Daarbij geldt dat ons bewustzijn alles serieel, netjes na elkaar, voorbij laat komen. Dus elk onderwerp dat bewuste aandacht vergt, moet boven een nummertje trekken.

Ter vergelijking: niet-bewuste processen verlopen parallel, en onze hersenen raffelen zo 200 duizend keer zoveel prikkels in dezelfde tijd af als bewust. „De alomtegenwoordigheid van het automatisch denken”, noemde sociaal psycholoog Elliot Aronsen het.

Zijn we dan maar robots? Die conclusie stoort ons niet als het om de duizelingwekkende vaart gaat waarmee de hersenen zintuiglijke prikkels verwerken. We gaan niet steeds „Ik zie een boom” zitten denken. Voor die bewuste gedachte opkomt, zijn onze ogen allang weer de hoek om, op weg naar nieuwe prikkels.

Maar in hogere cognitieve sferen ontstijgen we toch wel het niveau van een denkautomaat?

Hier komt onze trots in gevaar, want in deze serie bleek al menig keer dat ook bij complexe, sociale manoeuvres de automatische piloot vaak invloedrijker is dan zijn bewuste kompaan.

Daniel Wegner en John Bargh sommen in ’The Handbook of Social Psychology’ de meest beruchte experimenten op die de mens als weloverwogen en autonome dirigent in zijn hemd hebben gezet. Vrijwel iedereen doet onder spanning soms dingen tegen zijn aard in, zonder goed te weten wie of wat hem daartoe brengt.

Een summiere bloemlezing. Stanley Milgram liet zien dat een drammende onderzoeker ons zover krijgt dat we de medemens rustig een fatale stroomstoot geven, al gilt hij het uit. Solomon Asch toonde aan dat we in navolging van anderen beweren dat er een appel op tafel ligt, terwijl we zíen dat het een peer is. En Leon Festinger kreeg mensen zover dat ze een vervelende rotklus aan anderen verkochten als enerverend, waarna ze het nog zelf gingen geloven ook.

John Darley bewees dat we de medemens bij een epileptische aanval rustig in de steek laten als er genoeg anderen staan toe te kijken die ook niks doen (het beroemde omstanderseffect). Philip Zimbardo hoefde vrijwilligers maar te vragen om in een nepgevangenis voor cipier óf gevangene te spelen en de proefpersonen gingen geheel in hun rol op, met vreselijke gevolgen. En Stanley Schacter kon de suggestie van duivelse woede in iemand wekken louter door hem een peppilletje te geven.

Mensen die stellig van zichzelf weten dat zij nooit zo willoos en immoreel zouden reageren, doen er verstandig aan niet aan zulke proeven mee te doen. Degenen die het ondergingen begrepen niets van hun slaafse volgzaamheid en voelden zich er ellendig bij. De regie leek hen volledig uit handen te zijn geslagen.

Waarom niet even goed nagedacht in die benarde situaties? Omdat we dat anders ook niet doen. De boven geschetste dwalingen zijn de jammerlijke uitglijders van automatische denkprocessen die heel efficiënt zijn en waar we ons alledag op verlaten. Ze pakken gewoonlijk goed uit, juist omdat we volgen, gehoorzamen, ons aanpassen, afkijken en vaak afwachten.

Daarbij hanteert ons brein bijzonder snel, zonder een bewuste afweging, allerlei schema’s, vuistregels en sjablonen om zich razendsnel een indruk te vormen van wat het in zijn sociale omgeving tegenkomt. We hebben onze eigen hersenen niet door, schrijft Gordon Moskowitz in Social Cognition. Ze piekeren en handelen voortdurend, ongevraagd en buiten het zicht van ’de echte denker’.

Niemand geeft zijn brein opdracht om uren nadat een woord op het puntje van de tong bleef hangen alsnog de oplossing in te fluisteren. Evenmin riepen de hersenen er iemand bij toen ze een in gedachten verzonken man die zich boven ging verkleden voor het diner, per ongeluk in bed stopten. Die man stond te peinzen, schreef William James ooit, en de neuronale automaat redeneerde geheel terecht dat uitkleden doorgaans slapen betekent.

Suffige man? Nee hoor, in zekere zin waren zijn hersenen juist bij de les. Het achter de schermen opererende brein is vooral alert op informatie die onszelf aangaat. Dat we onze cerebrale oren nooit sluiten, weten we van het cocktailparty-effect: het geroezemoes om je heen hoor je niet, tot ergens verderop je naam valt.

Nog één: proefpersonen kregen in één oor woorden te horen die ze vliegensvlug opnoemden. Alles wat ze in het andere oor hoorden, moesten ze negeren. Daarbij ging af en toe het licht aan, wat ze dan zo snel mogelijk moesten uitschakelen. Als u dit een geboren Rotterdammer laat doen en net als het licht aangaat in het verboden oor ’Feyenoord’ roept, dan stokt het opdreunen van de woorden en doet hij er langer over om het licht uit te doen. Het brein weegt van alles, automatisch, en dat is wat anders dan gedachteloos. De automaat registreert juist gestructureerd, met behulp van steekwoorden, concepten en stereotypen, een soort neuronale TomTom. Dat scheelt cerebrale reistijd, en die kun je weer voor iets anders gebruiken.

Dat blijkt als je mensen een dubbele denktaak geeft. Zo moesten proefpersonen tien eigenschappen van personen onthouden en tevens plaatsnamen van Indonesië erin stampen. Vijf van de persoonlijke trekken stemden overeen met een karakterschema, de andere vijf niet. Bijvoorbeeld: rebels, agressief, onbetrouwbaar, grof, gevaarlijk versus bescheiden, bofkont, nieuwsgierig, optimistisch en verlegen.

En dan moet je ook nog alles van Java onthouden? Dat gaat niet. Behalve als je een denksteuntje krijgt: „Deze man is een skinhead.” Dankzij dat schema onthielden proefpersonen meer eigenschappen, en ze namen de topografie van Indonesië daarnaast ook beter op.

Hier werd de mens geholpen, maar doorgaans activeert het brein zelf zulke kapstokken, in een mum van tijd en zonder bewuste aandacht. En het handelt ernaar, wat dramatisch kan uitpakken. Schoolvoorbeeld is de blanke politieman die zijn pistool bij het zien van een verdachte gekleurde man al getrokken heeft ver voor elke bewuste waarneming uit. Zo’n zelfde reflex kostte een paar jaar geleden een onschuldige moslimjongen in angstig Londen het leven.

Wijs gerust naar de bevooroordeelde politieman, maar het is de tol van de automaat boven. Je kunt ons allen stiekeme hints geven, met foto’s of woorden die zo kort oplichten op een beeldscherm dat we ze niet bewust opmerken. Ons flitsbrein is dan onmiddellijk alert. En dan oordeelt de gemiddelde blanke kritischer op foto’s als hij eerst sublimair is gemasseerd met beelden van kleurlingen. En hij reageert milder na het ongemerkt voorbij suizen op een monitor van een bevallig typetje.

Dat proces kunnen we niet stilzetten, ook niet als we onze vooroordelen thuis moeten laten. Zo moesten proefpersonen het gedrag van een man beoordelen, waarbij sommigen te horen kregen dat het een zigeuner betrof. Maar dat mocht hun mening niet beïnvloeden. Met dit verzoek in het achterhoofd oordeelden de geïnformeerde proefpersonen milder over de man dan deelnemers die van niets wisten. Toch deed het vooroordeel zijn werk: na afloop van het experiment hielden de geïnformeerde proefpersonen meer afstand tot de zigeuner, zonder het zelf door te hebben. Dat is de keerzijde: als het flitsbrein eenmaal een sjabloon hanteert, wordt de waarneming ernaar geboetseerd. En dan kan het gebeuren dat het menselijk brein een onbeschofte priester omkneedt tot een waardig geestelijke maar van een alleraardigste skinhead toch weer een engerd maakt. Geen van de ondervraagden in dit experiment had ook maar iets van de vertekening in de gaten.

Al met al sluizen die ingekerfde sjablonen ons toch vlotjes door het sociale verkeer heen. Maar niet voor alle passanten en gebeurtenissen in het leven ligt boven een bril klaar om snel een inschatting te kunnen maken. Dan wordt het behelpen met vuistregels, of heuristieken.

Hier begeeft het brein zich op glad ijs. Het laat zich bij het beoordelen van iets leiden door het gemak waarmee het een scenario of plaatje voor de geest kan halen. Dat is geen gekke strategie. Als u het moet zeggen: Egbert is rustig, verlegen, leest vaak en is geobsedeerd door details, is hij dan boer of bibliothecaris? Het brein is er direct uit, en gokt vaak goed ook. Maar de hersenen kleunen natuurlijk mis als Egbert uit een streek komt waar 80 procent boer is. Dat gegeven weegt het brein in die fractie van een seconde dan vaak weer niet mee.

Dit is het grove gokken. De hersenen baseren zich op een enkel voorbeeld dat ze te binnen schiet. Hoe groot is de kans dat een Nederlandse straaljagerpiloot dit jaar ergens ter wereld neerstort? Vijf procent? Hoe groot is die kans dan op de Waddenzee? En dan denk je aan de F16 bij Vlieland, in 2005. Tien procent? Hoe kan dat nou, als de kans wereldwijd vijf procent is en de Waddenzee daar maar een fractie van uitmaakt?

U vindt dit flauw? Toch is dit een herhaalde stommiteit, vergelijkbaar met de dwaling dat we ons in de auto veiliger wanen dan middenin de bliksem of in het vliegtuig. Die ene dode op het voetbalveld en de brokstukken van de airbus dringen nu eenmaal voor in het brein.

Hiervoor zou het zich moeten schamen. Maar ach, soms houdt het zich vast aan een nog wiebeligere kapstok. Elliot Aronson beschrijft het geval van de rechter die een straf moet opleggen aan een inbreker, terwijl hij net zit te denken aan de verjaardag van zijn zoon die 25 wordt. Hij doet er een paar af: „20 jaar!”

Of we echt zo flateren? In alle handboeken staat een bizar voorbeeld van wat ankering wordt genoemd: Amerikaanse proefpersonen moesten aangeven welk percentage van de staten in de VS een bevolking hebben die in hoofdzaak van Afrikaanse origine is. Wie weet zoiets? Vlak bij hen in de buurt draaide een rad van fortuin dat zo was afgesteld dat hij altijd op 10 of 60 uitkwam. Proefpersonen die hem op 10 zagen stoppen, schatten het percentage zwarte VS-staten op 25 procent, mensen die het rad 60 zagen aangeven, deden daar wat af en dachten 45 procent.

Dat is geen beste beurt van boven. Of illustreert het slechts het misplaatste ontzag voor het menselijk brein dat dikwijls als een opportunist zijn weg zoekt? En dat achter onze rug om, op eigen houtje.

Hoe kun je anders het wonderlijke fenomeen begrijpen dat we positiever over gezichten oordelen als je bij ons één arm op de borst vastbindt en negatiever als je die arm gestrekt naar voren fixeert. In de eerste lichaamspositie koesteren we de dingen, in de tweede wijzen we ze af. En het brein laat zich automatisch door zo’n nietszeggendheid leiden. Aandoenlijk, én knullig, maar toch petje af!

Alle afleveringen van deze serie zijn terug te vinden op www.trouw.nl/flaterbrein

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden