flaterbrein / De buurman zal het vast wel beter weten

De denker van Rodin wankelt op zijn sokkel, na een halve eeuw psychologische experimenten. Daar komt hij uit als een gemakzuchtige, onzelfstandige slaaf. Hij denkt dat ie denkt, maar denkt vooral met de meute mee. Maar de meerderheid loopt niet gauw in het ravijn. Deel 6 van een serie over het ’flaterbrein’.

En daar keldert de beurs weer, en daar praten de financiële experts elkaar weer de put in. Conformisme voedt de paniek, het is een ongezonde trek van het kuddedier. Menig sociaal psycholoog, onder wie Serge Moscovici, hield daarom in de jaren zeventig een lofzang op de stem van de minderheid: die predikt de vernieuwing, daar moeten we meer naar luisteren.

Maar het volgzame schaap in ons wil het niet horen, en het lijkt erop dat zijn dovemansoren al oud zijn. Elkaar achterna lopen is evolutionair gezien een lonende strategie, betogen Robert Cialdini en collega’s in het verzamelwerk Evolution and social psychology. De meerderheid volgt volgens hen niet altijd het kortste pad door de jungle, maar neemt wel een route die zelden het moeras in leidt. Zet je netten uit zoals iedereen het doet, gooi je boemerang naar het lokale gebruik, en je zult eten ’s avonds.

In volgzaamheid doen we niet onder voor onze prehistorische voorgangers. We zijn nog net geen lemmingen. Hoezeer we hechten aan het gareel liet psycholoog Muzafer Sherif in 1936 al zien: hij zette mensen in een donkere kamer met in de verte één lichtpuntje. Door het gewiebel van onze ogen en gemis van een referentiepunt lijkt het licht op en neer te zwabberen.

Hoeveel? Alleen in de kamer had ieder zijn eigen schatting, van een paar tot wel twintig centimeter. Maar met z’n allen maakte de groep het al schattende en pratende uiteindelijk af op vijf centimeter. Die maat prentte zich vast in de hoofden: als ze later individueel weer moesten oordelen, kwam er bij iedereen steevast zo’n vijf centimeter uit.

Nu is dit acceptabele volgzaamheid, maar in de experimenten van Solomon Asch uit de jaren vijftig maakten proefpersonen het heel bont. Asch vroeg mensen in groepjes van zeven om de lengte van lijnstukken te beoordelen. Op één afbeelding stond de standaardlijn, op de andere afbeelding drie lijnen, waarvan één veel korter was, één veel langer, en de derde overeenkwam met de voorbeeldlijn. Vraag: welke van de drie lijnen is even lang? Eitje!

Zes van de zeven deelnemers waren handlangers van Asch. De zevende, die als zesde moest antwoorden, was het echte slachtoffer. Aanvankelijk gaf iedereen correct antwoord, maar na enige tijd gingen de handlangers opzettelijk de mist in. De verbijstering om de bizarre missers was op de gezichten van de echte proefpersonen te lezen. Maar drie kwart bleek bereid de eigen ogen te verloochenen. Ze wisten dat ze miskleunden door erin mee te gaan, en naderhand corrigeerden ze soms zichzelf. Maar te midden van de vele ogen viel de cognitieve eenzaamheid hen blijkbaar te zwaar.

De twee conformistische uitglijders hierboven verschillen enigszins. Bij de beoordeling van het lichtje gingen sommigen af op het kordate antwoord van anderen, een typisch geval van ’Buurman zal het wel beter weten’. Zoiets heet ’informationele beïnvloeding’. Bij het beoordelen van de lijnstukken trok de groep aan de eenling die zich tenslotte maar schikte, al was hij van binnen niet overtuigd: vandaar ’normatief conformisme’.

Die twee lopen dikwijls in elkaar over. Sociaal psychologen halen soms de afgrijselijke slachting aan onder kinderen, vrouwen en oude mannen in My Lai, Vietnam 1968. Nu schudden we er ons hoofd om: ze zagen toch op wie ze schoten? Maar het waren jonge, onervaren soldaten en ze wisten niet of er mogelijk toch gevaar school tussen het onschuld. Bovendien: de commandant beval het, de medesoldaten gehoorzaamden. Slechts een enkeling bevrijdde zichzelf, met een schot in eigen been.

Samen illustreren die conformismen hoe juryleden elkaar de overduidelijk verkeerde verdachte aanpraten, hoe deskundigen van de Nasa als collectief het ruimteveer Columbia op rampmissie stuurde en hoe mensen in 1998 in Tenessee en masse hoofdpijn kregen en misselijk werden als gevolg van niet bestaande benzinedampen. Wat de bewoners na de vliegramp in de Bijlmer lichamelijk precies mankeerde, zal wel nooit duidelijk worden, maar ook in sociaal opzicht blijken mensen erg besmettelijk voor elkaar.

Tragisch was het treinsurfen, bovenop het dak met de armen wijd en vlak onder de stroomdraden. Zo vielen tien jaar geleden honderden slachtoffers onder jongeren in Rio de Janeiro. Stoer spel. Liever dood dan er niet bij horen? Zo lijdzaam zijn we ook weer niet: als we maar over een motief beschikken om aan het juk van de groep te ontsnappen. Als je proefpersonen op het hart drukt vooral weloverwogen te beslissen, blijken ze zich minder conformistisch op te stellen.

Een andere spijtoptant in de groep helpt daar erg bij. Paul Nail beschrijft in The Science of social influence hoe hij met het tennisteam na afloop van een toernooi in een restaurant uit eten ging. „Geld over”, heeft de coach gezegd, „bestel wat je wil, ’k ben zelf gek op de kipsteak hier”. Nail zit op de zesde stoel en heeft wel trek in een dure biefstuk. De coach bestelt als eerste, „Kipsteak graag”, en stoel 2, 3 en 4 volgen hem. Nail probeert stoel 5 tevergeefs te winnen voor de lendebiefstuk en is al van plan ook maar „Kipsteak” te roepen als stoel 7 hem toefluistert „Goh, biefstuk lijkt mij lekkerder”: „Gelukkig, bevrijd!”

En dan zijn we terug bij Serge Moscovici: de invloed van een minderheid kan heilzaam werken en voorkomen dat we weer eens collectief, zoals bij de huidige kredietcrisis, de bocht uitvliegen. Onder tal van omstandigheden lijkt het beter om het advies van een goed geïnformeerde enkeling te volgen. Denk even aan de aanhoudende collectieve blindheid rond de aanleg van de Betuwelijn, ondanks het herhaalde „Beter ten halve gekeerd dan..” van een paar nuchtere rekenaars.

Maar we horen hen niet. Dom kuddedier? Robert Cialdini & co betoogden dat de meerderheid misschien niet het slimste pad door de jungle neemt, maar doorgaans wel een veilige route. Inderdaad, beaamden collega’s onlangs in Evolution and Social Psychology: pleitbezorgers van de minderheidsstem vergissen zich, de mens is als meeloper heus niet zo belabberd af.

Ze presenteren evolutionaire logica. Als het gros van het volk een verkeerd, levensgevaarlijk pad volgt, zal dat gros als gevolg van selectie alras uitdunnen. Spoedig krijgen andere, verstandigere lieden de overhand. Daardoor zit je meestentijds goed als je de meute volgt: niet ideaal, soms in een wankel stadium maar doorgaans safe.

Recente computermodellen bevestigen het. In het Pleistoceen, tot tienduizend jaar geleden, schommelde het klimaat heftig, ook in kortere perioden van honderden jaren. Heb je dan, om aan je bikken te komen, baat bij volgzaam of bij eigenzinnig gedrag? Misschien moet je gaan vissen waar je jagen gewend was, of andersom. Het blijft theoretisch cijferen, maar ondanks het verlies van een enkel volk biedt het gedrag van meerderheden in die modellen de beste levenskansen.

Dat gegeven sleet erin. Wij, zelfstandige denkers, volgen elkaar tot in het beschamende. Hoewel: als je alle studies naar conformisme bijeen veegt, dan komt de man eruit als iets minder toeschietelijk naar de groep dan de vrouw. Vooral als hij weet dat zijn gedrag gezien wordt.

Hier zitten twee geëvolueerde trekken elkaar in de weg, redeneren psychologen. Met veilig meelopen in de karavaan bouw je geen reputatie op als onverschrokken leider, wat de man natuurlijk wel moet. Kijkt iedereen toe, dan heeft hij meer dan een vrouw de neiging om zelf de weg te wijzen. Maar het verschil is marginaal, en lost vrijwel op als iedereen, en dan vooral de vrouw, even de andere kant op kijkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden