Flamenco gespiegeld aan zijn Noord-Afrikaanse wortels

Flamenco Biënnale 2008. 30/31-10 Rasa, Utrecht, 29-10/1-11 Muziekgebouw aan het IJ, Amsterdam.

,,Het is de eerste keer dat wij zijn uitgenodigd op een flamencofestival”, vertelt Colombiaan Carlos Rojas Hernández na afloop van het spetterende optreden met zijn band Cimarrón. De bespeler van de Zuid-Amerikaanse harp leidt een onnavolgbaar opzwepend orkest van zeven mannen met grote cowboyhoeden plus een zangeres. Ze spelen joropo: snelle dansmuziek van gauchos uit de vlakten van Colombia en Venezuela.

Het verband met de flamenco lijkt vergezocht, maar is het allerminst. „Andalusiërs waren de eerste Europeanen die zich in onze streken vestigden, en hun muziek is nauw verstrengeld geraakt met onze tradities”, vervolgt Hernández. De overeenkomsten zijn tijdens het concert merkbaar, al zijn de gitaren kleiner, dus hoger klinkend, en zijn de knallende flamencohakken verruild voor platte schoentjes die puntig kletsen op de planken.

Het uitgangspunt van de organisatie is helder: flamenco presenteren als een vitaal, dynamisch en ongekend veelzijdig genre, geworteld in de samenkomst van Hebreeuwse, Moorse, donker-Afrikaanse en zigeunermuziek, dat zich in zijn korte 150-jarige bestaan vertakte in talloze stijlen en kruisbestuivingen.

„Flamenco is inmiddels populairder buiten dan binnen Spanje”, betoogt flamencoloog Faustino Núñez in een van de vele lezingen die het programma in een historisch en cultureel kader plaatsen. „Iedereen kan het leren en daarvan wordt over de hele wereld dankbaar gebruikgemaakt. ”

Flamenco is big business. De artiesten laten zich goed betalen en er is veel overredingskracht nodig om ze te boeken. Een extra pluim dus voor Ernestina van de Noort en Maarten Rovers die er glansrijk in slaagden een zeer divers programma aan te bieden met veel artiesten die zelden of nooit in Nederland waren.

Zigeunerzanger Diego Carrasco uit Jerez toont zich met zijn rauwe diepe vocalen de onbetwiste grootmeester . Maar de grootste revelatie onder de mannen van de lange adem is de wederopstanding van Manuel Moreno ’El Pele’ uit Córdoba. Net als flamenco-libertijn Carrasco belichaamt deze meer aan de ’klassieke’ flamenco schatplichtige cantaor in elke vezel de antipode van mooi-zingerij. Met helse klaagzangen spijkert hij het publiek op de pijnbank. Een overdonderend ’cante jondo’, of zoals Carrasco het zo mooi verwoordt, ’zingen met het bloed in je mond’.

Maar het was niet allemaal zwelgen in ellende. Het stereotype beeld van de flamenco als het exclusieve domein van de getergde zigeunerzanger verbleekte als een goedkope reisbrochure in de Spaanse zon. Al was niet alles even avontuurlijk - zoals het wat gladde concert van de Catalaanse maestro van de moderne flamencogitaar Juan Gómez ’Chicuelo’ - improvisatie waarvan het speelplezier afspatte voerde de boventoon, in muziek én programmering.

Met als klapstuk de flamenco gespiegeld aan zijn Noord-Afrikaanse wortels: Berbers in witte gewaden en Spanjaarden strak in het zwart, tegenover elkaar op het podium, culminerend in een zeldzaam organische fusie. Van de blikkerige klanken van de Berberluit met de harmonisch rijke gitaar (Niño Josele), van de tranceopwekkende grooves van de bendir-trommels met de rigide ritmes van klappende handen en van de snijdende vrouwenvocalen van vorstin van de cheika Cherifa Kersit met de peilloos diepe lamentaties van twee cante jondo-goochelaars.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden