Flamboyant, voor vrouwen, want: 'ik hou niet van opgeklatschte heren'

AMSTERDAM - Dol op belangstelling, wat minder op publiciteit - zeker van de roddelbladen - zeer overtuigd van eigen kunnen, maar tegelijkertijd te verlegen om zich in de Parijse modewereld te begeven. Beroemd om zijn flamboyante mode-ontwerpen, zelf immer stijlvol, doch eenvoudig gekleed. Couturier Frank Govers, die gisteren op 64-jarige leeftijd aan non-Hodgkin, een vorm van lymfeklierkanker, in een Amsterdams ziekenhuis overleed, was het allemaal. En met verve.

'Ik ben de enige in Nederland die de kar van haute couture trekt' en 'Ik verbeeld me dat ik hetzelfde talent heb als die Parijse jongens' zijn even kenmerkende uitspraken van hem als 'Misschien had ik twintig, dertig jaar geleden internationaal moeten doorstoten, maar toen had ik de ambities niet en ik was er veel te verlegen voor. Dodelijk verlegen. Bovendien was mijn Frans onvoldoende.'

Vorig jaar september nam hij in de Amsterdamse Beurs van Berlage met een stijlvolle laatste show, getiteld The Power of Style' afscheid van de modewereld, hoewel hij zijn vaste klanten nog van couture bleef voorzien. Toen burgemeester Patijn van Amsterdam hem aan het slot van de show een koninklijke onderscheiding opspelde, kon hij zijn tranen niet bedwingen.

Twee jaar daarvoor presenteerde het Haagse Gemeentemuseum een overzicht van zijn werk, iets dat hij beschouwde als de kroon op zijn 35-jarige carrière als couturier.

“Ik heb altijd geprobeerd hier èchte haute couture te maken. Net als bij het werk van Dior en Chanel kan iemand met een geoefend oog ook bij mijn kleding voelen en ruiken dat ik die heb ontworpen”, zei hij destijds in NRC Handelsblad. En haute couture maakte hij, zeer on-Nederlandse couture, soms meer decoratie dan kleding, vaak vervaardigd van peperdure stoffen en altijd origineel, theatraal, rijk versierd en flamboyant.

Hoe dan ook, succes had hij vanaf het allereerste begin. Geboren in Tiel, als een na oudste zoon in een gezin van zeven kinderen, met hardwerkende ouders die een schoenenwinkel hadden, kwam hij begin jaren zestig vanuit Den Bosch naar Amsterdam. “In Den Bosch was ik een soort dorpsgek geworden. Men roddelde en ouwehoerde over me en stootte elkaar aan als ik in een onbewaakt moment van zwakzinnigheid de Sint Jan binnen stiefelde met een fluwelen jasje om de hoogmis bij te wonen. Maar ik was als kind al extreem. Mensen stapten van hun fiets af als ik voorbijkwam. Ik wou altijd opvallen. Provoceren. Uitlokken.”

“Amsterdam bruiste en ik kreeg meteen een fantastische baan bij modehuis Kraus en Vogelenzang in de Kalverstraat. In Amsterdam voelde ik mij vrij. Ik dacht: nu ga ik het doen. Na drie weken had ik het voor elkaar dat iedereen wist wie ik was. Ik werkte in die winkel in de Kalverstraat, waar ik bijvoorbeeld een hele nieuwe manier van etalages maken introduceerde. In plaats van stampvol met allerlei prijskaarten, gebruikte ik kleine spotjes, liet poppen volgens de Franse mode opmaken, werkte op kleur, op thema. De omzet sprong omhoog.”

“Ik heb met eigen kompas, met vallen en opstaan bereikt wat ik nu heb. Zonder een cent subsidie.” En, vanaf het moment dat hij zelfstandig kleding voor vrouwen ging maken, had hij succes, evenals met zijn confectie en theaterontwerpen. Over het succes bij zijn vaste klantenkring van zo'n honderd redelijk gefortuneerde dames zei hij eens: “Ik denk dat zij in mijn kleren net iets zelfverzekerder zijn. Of hun man een plezier doen, hun status, hun succes. Het gaat om je mooi, interessant voelen.”

Dat hij alleen voor vrouwen ontwierp was voor hem vanzelfsprekend. “Ik hou niet van opgeklatschte heren. Voor mij moet kleding voor een man zo simpel en eenvoudig mogelijk zijn. En zeer traditioneel, zeker als je op een bepaalde leeftijd komt.” Hij wist ook precies voor welke vrouwen hij ontwierp en, vooral, wilde ontwerpen. “Van die echte sterke vrouwen met carrières en een eigen visie. Vrouwen die iets van schilderijen afweten en die hun eigen voorkeur, smaak en durf hebben.” Ook voor zijn moeder is hij altijd kleding blijven ontwerpen.

Hij had dan ook een hele sterke band met haar en hanteerde dat wel eens als verklaring voor het feit dat hij mode-ontwerper was geworden. “Mijn moeder heeft altijd gewerkt. Trots als ze was heeft ze het haar hele leven een crime gevonden om op een klein bankje te moeten zitten om vervelende dames schoenen aan hun voeten te moeten schuiven. Toch heeft ze het gedaan, omdat ze zeven kinderen had en mee moest helpen om de kost te verdienen. Ze is nu ver in de negentig en geniet er nog dagelijks van dat ze er is. Dan belt ze me op en zegt bijvoorbeeld: ik heb vandaag mijn (door haar zoon gemaakte) nieuwe jurk weer aan en ik krijg er zoveel complimentjes over.”

De andere grote liefde in het leven van Frank Govers was Uwe Murau, die ruim 25 jaar zijn levenspartner was. Vier jaar geleden overleed hij plotseling. “Ik realiseer me”, zei Govers vorig jaar, “dat zo'n tweede periode als met Uwe er nooit meer zal komen. Zo intens van iemand houden - en dat van twee kanten.” De begrafenis van Uwe was groot nieuws voor de roddelbladen. Leuk vond Govers dat niet echt, maar wel meende hij dat zij “de begrafenis met veel piëteit hebben gevolgd. Ik zat nu eenmaal in dat schuitje, dus is het belachelijk om dat niet te melden in wat voor blad dan ook.”

In de vele interviews die hij heeft gegeven bleef de laatste jaren zijn optreden in de Robijn-tv-reclame-spotjes ook niet onbesproken. Die had hij 'énig' gevonden om te doen en bovendien voorzag het hem van de benodigde financiën voor weer een nieuwe zomer- of wintercollectie waar hij steevast een paar ton in investeerde. Met geld omgaan kon hij slecht. Hij hield van antiek en andere dure spullen en écht zakelijk is hij nooit geweest. Een avontuur met een boutique, samen met een partner, kostte hem ooit eens bijna de financiële kop.

Vorig jaar werd bij hem opeens de ziekte van Hodgkin geconstateerd, een vorm van lymfeklierkanker. Hij had zich er al bij neergelegd dat hij dood zou gaan, toen bleek dat hij in feite de ziekte van Pfeiffer had, een virus. Boos op de internist was hij niet vanwege de foute diagnose. “Nee, opgelucht. Iedereen kan zich vergissen.”

Als het wel Hodgkin was geweest, had hij, zei hij in Het Parool, “bestraling niet toegelaten. Dat wilde ik absoluut niet. Ik dacht: ik tuf gewoon af; ik heb het fantastisch gehad, alles kunnen doen wat ik wilde, succes gehad, een bepaalde status, en dat is meer dan genoeg. Is toch ook zo? Je hebt mensen die de pijp uitgaan en nooit verder zijn gekomen dan aan de lopende band schroefjes indraaien; die krijgen hooguit na hun staat van dienst een verkeerd horloge.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden