Filosoof, bemoei je met de actualiteit

Zolang filosofie binnen de veilige omheiningen van de universiteit blijft, heeft zij geen nut. Ze heeft de taak zich te presenteren aan het volk, aan de samenleving. Niet in academische geheimtaal, maar in begrijpelijke woorden. Dan pas heb je iets aan filosofie, stelt filosoof dr. Ger Groot.

Jasper van den Bovenkamp

Wat Engelstaligen aan de Nederlandse filosofie opvalt, is volgens Groot de grote publieke rol die zij in ons land speelt. Dat is in de Verenigde Staten en Engeland anders. Daar doktert men in filosofische faculteiten ideeën uit die de samenleving nooit bereiken. Soms omdat de samenleving er geen baat bij zou hebben, soms omdat er niemand is die de vertaalslag kan maken van hoogdravend en technisch jargon naar eenvoudige bewoordingen.

Groot vindt het ’onontbeerlijk’ dat filosofen dat wél kunnen. Ook filosofen die gewend zijn uitsluitend in filosofische vakbladen te schrijven. Groot: „Ik denk dat het ook voor de filosoof zelf uitermate belangrijk is dat hij zich op een verstaanbare en heldere manier kan uitdrukken. Ik heb soms het vermoeden dat verschillende filosofen niet eens meer weten waar ze het over hebben. Ze zijn zo opgenomen in een bepaald discours, dat ze geen flauw idee hebben waar ze eigenlijk over praten. Ze schuwen de confrontatie met het lekenpubliek en ik denk dat die houding niet ten goede komt aan de kwaliteit van hun filosofie. Dat is een gevaar. Het is goed, al is het maar voor jezelf, om ingewikkelde zaken te verwoorden in andere termen dan vaktermen.”

Dan is filosofie reëel, zegt Groot. Bij veel vakken wordt kennis reëel in de vorm van techniek, constateert hij. Denk aan de wis-, natuur- en scheikunde. Zo krijgen veel mensen er kennis van. Bij filosofie is dat volgens hem niet zo. Daarin wordt het vak alleen maar werkelijk doordat het een rol gaat spelen in het publieke debat. „En die rol te vervullen is ook haar plicht”, vindt Groot. „Ze heeft zoveel te bieden waar mensen iets aan hebben.”

Heel merkwaardig vindt Groot het daarom dat de beweging van de jaren zeventig die zich Wetenschap en Samenleving (W & S) noemde inmiddels helemaal verdwenen is. De universiteit, zo was haar gedachte, moet zich dienstbaar maken aan de samenleving. „Maar die houding is totaal verdwenen, helemaal omgeslagen. Nu is de trend dat de wetenschap zuivere wetenschap moet bedrijven in internationaal verband; ze moet zich in ieder geval vooral niet bezighouden met het publiek. Dat is een vreemde mode, die haaks staat op wat zo’n dertig jaar geleden in de universiteit bon ton was, aangehangen door mensen die denken dat zij helemáál niet modieus zijn. In werkelijkheid hollen zij gewoon achter de kreten van vandaag aan. Over twintig jaar is alles weer omgeslagen.”

Groot denkt niettemin dat Nederlandse filosofen zich wel genoeg publiekelijk laten horen, ook al wordt dat door de academische wereld momenteel nauwelijks gestimuleerd. Dat is volgens hem te wijten aan onder meer het ministerie van Onderwijs en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). „Filosofen die veel in publiektijdschriften publiceren, zoals ik, krijgen de vraag voorgelegd waarom ze niet eens in een vaktijdschrift publiceren. Andersom wordt filosofen die uitsluitend in vaktijdschriften publiceren niet gevraagd voor publiekstijdschriften te schrijven.” De manier waarop het universitair bedrijf in een bepaalde richting wordt geduwd, vindt Groot eenzijdig. Vooral door de enorme nadruk die tegenwoordig de internationalisering krijgt.

En daar heeft Groot zo zijn bedenkingen tegen. Er valt wel wat voor te zeggen bij de natuurwetenschappen, maar voor de menswetenschappen – vooral de filosofie – ligt dat volgens hem anders. Groot: „Het probleem is namelijk dat er in die internationale sfeer stilzwijgend een bepaald type filosofie overheersend wordt. Amerikaanse boeken over sociale ethiek bijvoorbeeld gaan ongemerkt toch uit van een Amerikaanse samenleving, maar die verschilt in werkelijkheid diepgaand van de Nederlandse. Je realiseert je dat niet, omdat je elke avond op televisie Amerikaanse steden, acteurs en mensen hoort en ziet. Als je zegt: we hebben een boek van een Italiaan, dan roept iedereen: Italië is heel anders dan ons land. Terwijl Italië zeker niet verder van ons vandaan staat dan Amerika. Wanneer de filosofie zich dan op Amerikaans-Angelsaksische leest schoeit, gaat ze in feite antwoorden geven op vragen die in de Nederlandse samenleving op een heel andere manier spelen dan in de Verenigde staten of zelfs in het Verenigd Koninkrijk.”

Vandaar dat het voor filosofen belangrijk is zich uit te drukken in de taal van het land. Ze moeten schrijven en spreken tegen de achtergrond van de problemen, de vooronderstellingen en de stilzwijgende vanzelfsprekendheden van een land. Opiniestukken in de krant die ’van buiten komen’ schieten volgens Groot dan ook vaak langs de Nederlandse realiteit. „Ze zijn niet geschreven vanuit de Nederlandse werkelijkheid. In het publieke debat wil je iets zeggen tegen een specifiek publiek binnen een specifieke situatie, maar dan moet je het publiek en de situatie wel kennen.”

Die publieke rol is Groot op het lijf geschreven. Veel van zijn tijd vult hij met publicaties in onder meer NRC Handelsblad, De Groene Amsterdammer en Trouw; Groot is een van de spelers van het Filosofisch Elftal. In 2007 schreef hij ongeveer 130 artikelen – bij drie per week. „Dat is hard werken”, zucht Groot.

Weinig tijd houdt hij daarom over voor lidmaatschappen van allerlei genootschappen. En het ligt hem ook niet. „Er is op die filosofische bijeenkomsten snel sprake van heiligenverering rond de persoon wiens werk op het programma staat. Dat is in Nederland zo maar ook in het buitenland.”

Toch hebben Nederlanders de neiging om alles van buiten hun landsgrenzen als beter aan te merken dan wat er binnen wordt geproduceerd. Groot: „Wat je van ver haalt, is lekker, zei mijn grootmoeder al, maar dat geldt niet specifiek voor de filosofie. Toch zie je, wanneer je kijkt naar boeken die op het grotere publiek gericht zijn, dat mensen zoeken naar een directe herkenbaarheid. Kijk eens naar al die honderden boeken die in het Nederlands vertaald worden. Ik heb niet de indruk dat buitenlandse boeken op het gebied van filosofie hier beter verkocht worden dan Nederlandse.”

Behalve dat er in Nederland steeds meer boeken op het gebied van filosofie worden gepubliceerd vullen Nederlandse media hun ruimte ook steeds meer met filosofische inhoud, constateert Groot. „Filosofen kunnen, als ze behoorlijk zijn onderlegd op dat vlak, goed terecht bij die opiniepagina’s van kranten en tijdschriften.” Het ontstaan van een katern als Letter & Geest, waar Groot zelf voor heeft gewerkt, is daar een mooi voorbeeld van.

Ook op radio is er oog voor het verdiepende gesprek, waar regelmatig filosofen aan deelnemen.

Dat er in de Nederlandse maatschappij steeds meer ruimte komt voor filosofie, heeft volgens Groot verschillende oorzaken. Natuurlijk de secularisatie. Maar dat niet alleen. De hele samenleving verandert volgens Groot, ook los van de secularisatie. „Alle aspecten van het persoonlijke leven zijn aan verandering onderhevig. Gaandeweg is men daarvoor bij de filosofie te rade gegaan. Dat was even wennen, want van oudsher zijn Nederlanders niet zo met de filosofie vertrouwd. Anders dan in de Romaanse landen, was het hier niet gebruikelijk op middelbare filosofie te doceren. Veel mensen in ons land kwamen dus nooit met filosofie in aanraking. Groot: „Ze hadden daardoor bij filosofen misschien het idee van mannen met lange baarden en toga’s. Langzaamaan dringt de filosofie door in het onderwijs; dat maakt het publiek wat ontvankelijker voor de filosofie en eerder genegen om eens naar een filosofisch boek te grijpen.”

Is het klimaat in Nederland wel gunstig voor de wijsbegeerte? Een land dat zo weinig bijdraagt op wijsgerig vlak, zou bijna ongeschikt mogen heten voor het ontplooien van filosofische activiteiten. Nederland is van oudsher natuurlijk een land waar de handel welig tierde en waar predikanten en pastoors de kansels tot aan de jaren zestig bevolkt hebben. Maar in dat clichébeeld gelooft Groot niet echt. Liever onderstreept hij de boodschap die Máxima eind vorig jaar verkondigde: Dé Nederlander bestaat niet. Groot: „Er zijn wel Nederlandse handelslui, maar je had bijvoorbeeld ook Nederlandse handelslui die filosoof waren, zoals Bernard Mandeville. Schopenhauer was de zoon van een handelaar. Ik zie niet in waarom dat handels- en predikantenklimaat, ervan uitgaande dat het bestaan zou hebben, onverenigbaar zou zijn met een goede filosofische productie. Dat filosofie per se contemplatief zou moeten zijn, is toch een wat kloosterlijke opvatting. En dat de Nederlander nuchter zou zijn, is het meest onware cliché dat er bestaat. De Nederlander is een van de grootste hysterici die je kunt vinden binnen Europa.”

Toch is het lijstje met indrukwekkende Nederlandse filosofen maar kort. Ook Groot ziet dat. Maar is Nederland hierin een uitzondering, vraagt hij zich af. Want welke grote filosoof heeft Portugal voortgebracht? Of Spanje? Of Griekenland, afgezien van de Oudheid? En uitgerekend in een hoofdstadje van de provincie Denemarken wordt een groot filosoof geboren. „Alhoewel”, nuanceert Groot, „Kierkegaard zou er volgens de huidige definities van de filosofie niet doorgekomen zijn. Hij schreef vaak onder pseudoniem, en veel van wat hij schreef zou nu niet eens meer onder de noemer ’filosofisch’ vallen.” Toch krijgt Kierkegaard in veel handboeken meer ruimte toebedeeld dan Erasmus. Daarom is volgens Groot moeilijk een link te leggen tussen het land van herkomst en de beroemdheid van een filosoof.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden