Filosofisch veinzen

,,Zijn romans, zijn reisverhalen, zijn essays en zijn gedichten zijn boodschappen van iemand die ver weg is geweest, die op zijn reizen tegelijkertijd een innerlijke en een uiterlijke afstand heeft afgelegd.” Vandaag krijgt Cees Nooteboom de PC Hooftprijs voor literatuur. Zijn oeuvre is rijk aan existentiële vragen en nostalgische mijmeringen. Over de filosofische kant van het oeuvre van Nederlands beroemdste schrijver.

'Filosofen zijn eigenlijk mislukte schrijvers', zei Cees Nooteboom ooit. Vandaag krijgt hij de PC Hooftprijs voor literatuur, voor een oeuvre dat vaak gekenschetst wordt als filosofisch, maar in Nederland juist vanwege die wijsgerige gedachtes ook nogal eens bekritiseerd is. Nootebooms aspiraties zouden te hoog, en zijn ideeën te dun zijn. Hoe nostalgisch zijn zijn boeken en hoe wijs zijn invallen?

Net als zoveel grote Nederlandse schrijvers is Cees Nooteboom gevormd door de oorlog. Hij werd geboren in 1933, verhuisde van hot naar haar, leed onder de scheiding van zijn ouders en verloor in 1945 zijn vader, die omkwam bij het bombardement op het Bezuidenhout. Toen volgden pleeggezin, kostscholen. Zoals hij later vaak heeft gezegd, kwam hij enigszins tot rust op het gymnasium van de augustijnen in Eindhoven en de franciscanen in Venray.

Toch is zijn debuut 'Philip en de anderen', dat in 1955 verscheen, licht van toon. Het ademt niet de naargeestige sfeer van 'De avonden', spreekt niet de harde, directe taal van W.F. Hermans. 'Philip en de anderen' is eerder een 'droomboek', dat Nooteboom in de grauwe naoorlogse jaren maakte, niet om zich af te zetten tegen zijn jeugd, maar 'om het uit te houden'. Om een innerlijke wereld op te bouwen, waarin hij de chaos van zijn leven tot dan toe de baas zou kunnen.

De roman is het verhaal van de jonge Philip die tijdens een sprookjesachtige tocht door Europa op zoek is naar een geheimzinnig Chinees meisje. Als de zoektocht ten einde loopt, vindt hij haar, maar na een korte tijd van geluk neemt hij weer afscheid: ,,Ik heb mijn tijd doorgebracht met afscheid nemen en herinneren, en het verzamelen van adressen in mijn agenda's als kleine grafstenen.”

'Tijd', 'afscheid', 'herinneren' – in Nootebooms vocabulaire is het latere grote thema al te herkennen. Zelf wist hij tussen 1955 en 1980 niet hoe hij zich als schrijver diende te manifesteren. Hij ging reizen, schreef voor glossy's, en kwam in Nederland langzaam bekend te staan als 'die reisschrijver van Avenue'.

Toen volgde in 1980 'Rituelen', Nootebooms veelgeroemde roman over Inni Wintrop, handelaar in alles waar geld in zit. Wintrop scharrelt wat op de beurs, in de kunsthandel en schrijft horoscoopjes in Het Parool. Rondom het ongeordende en terloopse bestaan van Wintrop heeft Nooteboom twee sterk contrasterende figuren geplaatst: Arnold Taads en zijn zoon Philip Taads.

Vader Taads is een egocentrische mensenhater, met een volstrekt gebrek aan naastenliefde. Zijn filosofie is het existentialisme; Sartre – 'die kleine schele geleerde' – zijn leidsman, maar wel een die slechts sporadisch gevolgd wordt. ,,Als Sartre zegt 'De mens is op de wereld gegooid, hij is alleen, er is geen God, wij zijn verantdeVerdiepingwoordelijk voor wat we zijn, wat we doen', dan zeg ik: ja. . . Maar als hij mij dan vraagt om ook verantwoordelijk te zijn voor de wereld, voor de anderen, dan zeg ik NEE! Nee. Waarom zou ik dat doen. 'Als de mens zichzelf kiest, kiest hij alle mensen.' Waarom? Ik heb nergens om gevraagd. Met het crapule dat ik om me heen zie, heb ik niets te maken. Ik leef mijn tijd uit, omdat het moet, dat wel.”

'Rituelen' is een existentiële roman, waarin de drie belangrijkste personages zich vragen stellen over de zin van het bestaan. Of het nou gaat over de vrijheid, de angst, de walging, God, de verhouding tot de ander, de vervreemding die een essentieel kenmerk is van die verhouding tot de ander, telkens duikt het gedachtegoed van Sartre op.

Niet verwonderlijk dat het boek gelezen, geprezen en becommentarieerd werd door filosofen. Onder wie Rüdiger Safranski, schrijver van filosofsische sellers. Hij is al fan van Nooteboom sinds diens debuut 'Philip en de anderen' eind jaren vijftig in het Duits werd vertaald als 'Das Paradies ist nebenan'.

Nooteboom ontmoette Safranski in 1988, toen hij in een Berlijnse boekhandel voorlas uit de vertaling van 'Rituelen'. Na afloop bood de uitbaatster hem de gelegenheid iets uit te kiezen. Nooteboom nam een boek over Schopenhauer van de schappen. De schrijver bleek aanwezig te zijn, Safranski kwam naar voren, en haalde 'Das Paradies is nebenan' uit zijn jaszak. 'Bei uns auf der Schule war dies der Geheimtip,' zei hij.

Safranski heeft later ook geschreven over het werk van Nooteboom, niet over de 'poëtische magie' van zijn debuut, maar over de vernietigende potentie van de verbeeldingskracht, die in Nootebooms werk goed zichtbaar zou zijn. Voor de romantiek, zo stelt Safranski, was de kunst vooral gericht op de nabootsing van de werkelijkheid.In de romantiek krijgt het scheppende vermogen van de kunstenaar alle aandacht. Alleen, als hij de werkelijkheid niet wil nabootsen, wat dan? De romantische kunstenaar stelt zich open voor de ervaring van het niets, waardoor hij het vertrouwen in zichzelf verliest.

Volgens Safranski heeft Nooteboom in zijn roman 'Een lied van schijn en wezen' dit probleem vormgegeven. Het is een typisch postmodern verhaal ,,waarin de lezer getuige wordt van de geleidelijke vorming van een vertelde wereld, en kan meemaken hoe die geboorte van de vertelling voortdurend gevaar loopt vanwege het niets.”

Het verhaal speelt zich af in Bulgarije, eind 19de eeuw. Er loopt een kolonel in rond, een arts, en een artsenvrouw die verliefd wordt op de kolonel. Resultaat: een prachtige driehoeksverhouding met een hoogtepunt in Rome, waar de verteller van dit verhaal honderd jaar later in een hotelkamer wanhopig wordt van zijn eigen verzinsels. De verzonnen wereld vliegt hem naar de keel, hij begint te twijfelen aan de zin van het vertellen. Safranski: ,,Wie zichzelf vanuit het perspectief van de bedrijvigheid tijdens het schrijven gadeslaat, kan er niet omheen zichzelf af te vragen waar dat allemaal goed voor is.”

Hoe metafysisch ook, 'Een lied van schijn en wezen' is eerder de verwerking van een postmodern gedachtegoed dan de vrucht van Nootebooms eigen ziel – een woord dat je bij Nooteboom rustig kunt gebruiken, dat je juist móet gebruiken om iets op het spoor te komen van het eigene uit zijn werk.

Kenmerkende passage uit het werk van Nooteboom is de opening van 'Allerzielen', zijn laatste roman tot nu toe. ,,Een paar seconden nadat hij langs de boekwinkel gelopen was, merkte Arthur Daane dat er een woord in zijn gedachten was blijven haken, en dat hij dat woord intussen al in zijn eigen taal vertaald had, waardoor het meteen ongevaarlijker klonk dan in het Duits. Hij vroeg zich af of dat door de laatste lettergreep kwam. Nis, een raar kort woord, niet gemeen en bits, zoals sommige andere korte woorden, eerder geruststellend.”

Het woord waar de hoofdpersoon uit 'Allerzielen' over loopt te mijmeren is 'geschiedenis', en net als Daane kan Nooteboom er eeuwig op kauwen. Het mooist beschrijft hij zijn eigen fascinatie voor het verstrijken van de tijd in 'De omweg naar Santiago', dat magistrale reisboek dat in Nederland in z'n eentje het hele genre aanzien heeft gegeven: ,,Geschiedenis, dat wat geschied is. De optelling van deeltjes die zo klein zijn dat ze nooit meer gemeten kunnen worden. Alleen de grote, lompe feiten blijven over, hakend aan jaartallen die een leerling uit zijn hoofd kan leren. Of aan gebouwen, monumenten. (...) Al die individuele lotsbestemmingen, ingekookt tot een regel in het boek der gebeurtenissen, aan elkaar gemetseld in het onzichtbare labyrint van de tijd.”

Het labyrint van de tijd – dat is het eigenlijke thema van Nooteboom. En in elke roman, in elke essay-of gedichtenbundel, dwaalt hij wel een keer door dat doolhof, peinst hij over de loop van de tijd, of die onafwendbaar is en daarom vooruitgang genoemd kan worden, of er soms een pas terug moet worden gedaan, en over mensen die denken dat ze niks met die geschiedenis te maken hebben maar er ondertussen wel vorm aan geven.

De ondergeschiktheid van de mens aan de geschiedenis en aan de tijd speelt in het moderne bewustzijn een grote rol. En de manier waarop wij tegenwoordig tegen de tijd aankijken, als een ononderbroken, onontkoombaar, en onomkeerbaar fenomeen dat rechtstreeks naar de dood toe marcheert, maakt de tijd tot een afschrikwekkend symbool. Het is de tijd die op een gegeven moment de sleutel van het grote Niets aan ieder van ons overhandigt.

Tegenover die onverbiddelijk voortdenderende tijdsbeleving probeert Nooteboom een oudere opvatting van de tijd te stellen. Vroeger gaf men aan de tijd een andere betekenis, en men had ook een andere voorstelling van de tijd. De tijd was cyclisch en sacraal, geënt op de grote wederkerende processen in de natuur. Een belangrijk aspect van die tijdsbeleving was dat tijd de mogelijkheid in zich droeg tot een wedergeboorte, de mens was in staat zich herhaaldelijk te vernieuwen.

Een verlangen naar die oudere tijdsopvatting is de motor van Nootebooms mijmeringen. Is dit geen spielerei van een malle nostalgicus? Nee. Bij Nooteboom gaat het nooit om een nostalgische bezwering van het verleden, maar om een bewuste afdaling in het verleden om door dat verleden het heden zin te geven. Zijn romans, zijn reisverhalen, zijn essays en zijn gedichten zijn boodschappen van iemand die ver weg is geweest, die op zijn reizen tegelijkertijd een innerlijke en een uiterlijke afstand heeft afgelegd. Dat maakt zijn werk contemplatief, geheimzinnig. Dat is iets anders dan filosofisch, het is eerder een filosofisch veinzen. Dat is allerminst een verwijt, want een schrijver is geen mislukt filosoof.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden