Filosofie tussen tweets en neuronen

Wie sleept morgen de Socrates Wisselbeker in de wacht? De prijs voor het 'meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende Nederlandstalige filosofieboek' wordt tijdens de Nacht voor de Filosofie in de Beurs van Berlage uitgereikt. Vijf auteurs dingen mee naar de prijs.

Een tweet als lekkermakertje
Plato's filosofie in 140 tekens samenvatten? Onmogelijk natuurlijk, maar Leon Heuts, redacteur van Filosofie Magazine en Herman de Regt, filosoof aan de Universiteit van Tilburg, doen toch een poging. Komt-ie. "Deze wereld is een schaduw. Streef naar eeuwige kennis, de ideeënwereld. In een rechtvaardige staat leidt verstand, niet het volk." Best een knappe samenvatting die precies in één tweet past. Er blijven zelfs tien tekens over. Het is de eerste tweet van een hele rits grote denkers die in de Twittercanon de revue passeren.

Het speelse boekje lift natuurlijk mee op de populariteit van sociale media en moet het vooral hebben van de verrassende vorm. Heuts en De Regt willen er ook wel iets inhoudelijks mee zeggen. Kritiek op Twittter als vluchtig medium vinden ze te eenzijdig. Op Twitter bloeit de solidariteit, menen ze. Het is een handige nieuwsbron en helpt zelfs bij revoluties, kijk maar naar het Midden-Oosten. Waarom geen Twitter inschakelen om mensen voor filosofie te interesseren? De auteurs spreken van 'begeesteren'.

Trouwens, de gewoonte denkers te vangen in een kernachtige zin is eeuwenoud, constateren ze. Men twitterde avant la lettre. 'Ik denk dus ik ben' (Descartes), 'waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen' (Wittgenstein): zo zonder context zijn het tegelwijsheden, dat snappen Heuts en De Regt ook. Zulke citaten trekken je wel de filosofie in, vinden ze. Weten zij dat met hun tweets ook te doen? Begeesteren ze de lezer? In de laatste tweet kruipen ze in de huid van Richard Rorty: "Illusoir te denken dat de ander onze 'objectieve' kijk moet delen. Contingentie heerst. Streef liever naar sensitiviteit en solidariteit".

Het ruikt hier naar rotte vis
De Nederlandse politiek ruikt naar rotte vis, vindt socioloog Willem Schinkel. Ons land is behoudzuchtig en moe. Een museum, net als de rest van Europa. Allerwege maakt een 'verstard denken zich breed'. In Den Haag zitten boekhouders en probleemmanagers, die kissebissen over minieme verschillen in hoe er precies bezuinigd moet worden. Een 'clowneske klucht van nepvisies' moet doorgaan voor politiek debat, terwijl ondertussen het 'neoliberalisme' de klok blijft slaan.

Het is duidelijk: hier legt een dominee 350 pagina's flink de gesel over de tijdgeest. Het grote kwaad heet bij Schinkel 'depolitisering'. Schinkel wil weer verschil zien, 'werkelijke alternatieven' - al weigert hij die zelf aan te dragen, want pasklare antwoorden geven is een intellectueel onwaardig. Wel biedt hij 'aanzetten' voor een nieuwe Raad van State en een 'ecologisch-revolutionaire' manier van denken. Het gaat er in ieder geval om dat we ons 'utopisch veranderpotentieel' hervinden. Die zoekt hij 'links van links', want de huidige partijen zijn ideologisch uitgeblust. Weg ermee.

"Echte democratie is gebaat bij iconoclasme", schrijft Schinkel, en in een beeldenstorm maal je niet om nuances. De hele bestaande orde moet op de schop en daar kun je wel een paar hyperbolen bij gebruiken. Schinkel wil een nieuwe manier denken en daar zijn kennelijk ook nieuwe woorden voor nodig - hij put zich uit in neologismen zoals 'multiculturealisme' en 'Realpopulisme'. Ook bestaande woorden krijgen nieuwe betekenissen. Schinkel stelt interessante vragen en het voelt allemaal reuze urgent, maar door al het retorische geweld blijf je als lezer enigszins naar adem happend achter.

Geluk laat zich niet afdwingen
Je geluk heb je niet helemaal zelf in de hand, stelt Paul van Tongeren. Het meest wezenlijke kun je enkel 'ontvangen'. Daarmee keert Van Tongeren zich, net als Verhaeghe en Schinkel, tegen een te ver doorgeslagen autonomie-ideaal. Hij neemt een lange, maar interessante aanloop, waarin hij de geschiedenis van de filosofische zoektocht naar het 'goede leven' beschrijft.

Van Tongeren - Nietzsche-kenner en hoogleraar aan de Radboud Universiteit van Nijmegen - opteert voor een deugdethiek, maar legt deze anders uit dan zijn populaire collega's, levenskunstfilosofen als Wilhelm Schmid en Joep Dohmen. Zij gebruiken filosofie en ethiek te veel als een instrument om doelstellingen mee te realiseren, vindt Van Tongeren, terwijl filosofie draait om het zoeken naar betekenis. Die betekenis laat zich niet dwingen, ook niet in de levenskunst.

Van Tongeren schrijft genuanceerd, toegankelijk maar ook een tikje droog. De hoofdstukken lezen een beetje als de schriftelijke weerslag van filosofiecolleges. Helder en leerzaam, daar niet van, maar soms zou je hopen dat de schrijver zijn geest wat meer de vrije loop zou laten.

Zoals hij dat bijvoorbeeld wel doet in korte intermezzo's tussen de hoofdstukken in, waarin hij probeert 'iets te tonen' van de inhoud die hij in de theoretische gedeelten bespreekt. In deze tussenstukken is Van Tongeren het best op dreef. Ze verhelderen zijn mensbeeld en ook van de schrijver zelf krijgen we iets meer te zien. Dat geldt ook voor de 'aforismen', die hij als een soort toegift achterin heeft geplaatst. Zoals deze: 'God en de dieren kunnen niet twijfelen; de mens kan haast niet anders, en heeft daarom de ander nodig.'

Het maakbare ik is een fictie
'Je est un autre', dichtte Arthur Rimbaud: ik is een ander. Psychoanalyticus Paul Verhaeghe haalt die intrigerende regel aan in het eerste deel van zijn boek, waarin hij het begrip 'identiteit' onderzoekt. Hoofdstelling: de ander maakt ons tot wie we zijn. Een innerlijke 'kern' bestaat niet; identiteit ontstaat in de interactie met de cultuur. De mens wil bij een groep horen, opgaan in de ander, maar ook uniek zijn, zich afzetten tegen de groep. Freud-kenner Verhaeghe herleidt het allemaal tot Eros en Thanatos. Hij keert zich tegen nieuwe deterministen die het 'ik' bepaald zien door brein of genen. Voor Verhaeghe vormen brein en genen hooguit de bekabeling, de 'hardware' waarop de 'software' van het ik geïnstalleerd wordt.

De nadruk op de rol van de omgeving verschaft Verhaeghe de conceptuele munitie om in het tweede deel van zijn boek, waar zijn genuanceerde analyse verandert in een scherp betoog, maatschappijkritiek te bedrijven. Boosdoener is het 'neoliberalisme', dat geleid heeft tot de fictie van het maakbare individu. In deze 'nieuwste mutatie van het sociaaldarwinisme' is de competitie op het niveau van de soort - van ras of samenleving - vervangen door die tussen losstaande individuen. Het leven als continue ratrace. Perfectie is een opdracht. Jij bent je eigen manager. Je moet jezelf verkopen, alsof je een bedrijf bent, een merk. Succes dank je aan jezelf en falen is je eigen schuld. Die visie leidt volgens Verhaeghe tot narigheid. Nooit hadden we het zo goed, maar nooit voelden we ons door die prestatiedruk zo slecht. Nooit waanden we ons zo autonoom, maar nooit waren we zo machteloos. En o ja, solidariteit is er ook al niet meer.

Huiveren in de operatiekamer
In de operatiekamer zaagt een neurochirurg een luikje uit iemands schedel. Arts en filosoof Bert Keizer kijkt ernaar. Een huiveringwekkende ervaring, schrijft hij: alsof je opeens pal boven het brein-geestprobleem staat. Dat probleem fascineert Keizer al jaren. Met zijn vlotte, humoristische pen schreef hij er voor de Maand van de Filosofie van vorig jaar schreef een essay over. We weten dat de ziel (of bewustzijn of geest) onlosmakelijk vastzit aan het brein, maar hoe precies? Niemand die het weet.

Je kunt het probleem natuurlijk omzeilen door die ziel op te heffen, zoals 'neurosofen' als Dick Swaab en Victor Lamme doen. Deze intellectuele nazaten van De la Mettrie zien in geestelijke activiteit slechts wat gesputter tussen neuronen.

Keizer probeert de absurditeit van die materialistische positie te laten zien. Neuronen worden niet bang of verliefd, zijn nooit opgetogen of verdrietig, ze aarzelen niet, dagdromen niet en nemen ook geen besluiten, aldus Keizer. Hij hamert op het belang van de context, waar neuroreductionisten geen oog voor hebben. Het brein, zegt Keizer, staat niet los van het lichaam, van de wereld, van de interactie met anderen. Wij gaan in het dagelijks leven nooit met neuronen om, maar met mensen.

Terug naar de operatiekamer. Om te weten welk weefsel hij moet wegsnijden, maakt de chirurg de patiënt halverwege de ingreep wakker. Hij toont een plaatje en vraagt: 'Wat gaat er nu door je heen?' Zie je wel, zegt Keizer: aan een hersenscan zonder context heb je niks. Je kunt er niet aan aflezen of iemand aan een peer of een appel denkt, en al helemaal niet of hij op dat moment denkt 'Ware liefde bestaat niet' of 'Bert Keizer is een groot filosoof'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden