Filosofie is kunst

Filosoof Samuel IJsseling (1932) belichaamt de moderne ontwikkelingen in zijn vakgebied. In het Parijs van 1968 veranderde zijn denken, door de ontmoeting met Jacques Derrida. IJsseling bracht het postmodernisme naar de Lage Landen.

Ger Groot (1954) is hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Als columnist is hij aan Trouw verbonden.

Een boek schrijven - dat was het plan waarmee Samuel IJsseling, toen nog augustijner pater, in 1967 naar Parijs ging. Colleges volgde hij ook, bij Paul Ricoeur in Nanterre, in het westen van de stad. Daar maakte hij kennis met de verkommerde staat van het Franse universitaire onderwijs. In de collegebouwen was het een 'enorme bende'. "Ricoeur gaf zijn lessen voor collegezalen van vijfhonderd mensen."

Geen wonder dus, dat er een opstand onder studenten uitbrak, vindt IJsseling. Hij maakte hem van nabij mee. Enkele weken lang vormden de straten van Parijs het toneel van hevige rellen. Op het vlak van de sociale, persoonlijke en niet in de laatste plaats seksuele verhoudingen liet dat blijvende sporen na.

"Ik denk dat mensen nu onderschatten hoe autoritair de verhoudingen voor 1968 waren", zegt IJsseling. "Het was een bange, kleine wereld. En plotseling leek er een heel ander soort samenleving te ontstaan. Over alles kon gediscussieerd worden; dat was daarvóór bijna ondenkbaar. Het was een feest, hoor. Het weer was prachtig, en overal kreeg je broodjes voor niks. De metro reed niet meer; heel sporadisch kwam er een auto voorbij. Je hoefde maar je vinger op te steken en je werd meegenomen."

IJsseling hoorde Daniel Cohn-Bendit spreken, de belangrijkste studentenleider van die dagen, en woonde in het Odéon-theater eindeloze vergaderingen bij. Sartre stak er de studenten een hart onder de riem. "En er waren natuurlijk de geijkte vijanden. Ricoeur zat tussen twee vuren. Op Nanterre hebben studenten een vuilnisemmer boven zijn hoofd omgekieperd. Dat vond ik onrechtvaardig. Ik denk dat hij wel begrip had voor wat de studenten wilden."

Zelf koesterde IJsseling tweeslachtige gevoelens. Af en toe vroeg hij zich af: moet dat nu allemaal zo drastisch? Die ambivalentie deelde hij met Jacques Derrida, die hij kort daarvoor ontmoet had bij een werkgroep over Hegel. Die ontmoeting werd voor IJsseling de ingrijpendste gebeurtenis van zijn verblijf in Parijs. Zijn filosofische blik veranderde. "Door die nieuwe Franse inzichten werd ik totaal overrompeld", zegt hij. "Terwijl ze wel goed aansloten bij de late Heidegger die ik toch goed kende: het afscheid van het subject als de factor die alles bepaalt. Het besef dat betekenis niet wordt gemaakt door het menselijk zelfbewustzijn, maar dat dat laatste zélf wordt voortgebracht door een structuur of een dynamiek waarin het is opgenomen."

Derrida was op dat moment alleen nog in beperkte kring bekend. "Bij zijn seminar zat maar een klein groepje, een man of 25. Wel al heel wat Amerikanen. Na afloop zijn we eens samen naar het café gelopen waar hij gewoonlijk lunchte.

Ik was nogal geïnteresseerd in wat hij over Heidegger dacht. Toen vertelde hij dat hij bezig was met een boek over hem, al had hij er al wel zijn twijfels over."

Met Heidegger, zegt IJsseling, kwam Derrida nooit in het reine. "Het is bij hem altijd een mengsel gebleven van bewondering en aversie. Maar dat leidde wel tot een heel avontuurlijk denken, dat ik enorm opwindend vond. Heel anders dan dat van Ricoeur, dat vaak iets schoolmeesterachtigs houdt. Hij onderzoekt het allemaal heel precies, het staat er kraakhelder uitgelegd en je kunt er veel van leren. Maar het was niet mijn stijl. Ook omdat Ricoeur uiteindelijk altijd weer terug wil naar het subject, al is het via een omweg. En omdat hij helemaal niets met Heidegger of met Nietzsche wist aan te vangen."

"Later heb ik Ricoeur beter leren kennen. Een ongelooflijk vriendelijke man. Maar een asceet. Je kon met hem niet uit eten gaan. 's Avonds laat zei ik een keer tegen hem: laten we een taxi nemen naar het hotel. Maar nee, een taxi was goddeloos. 'Er is toch een metro ...'

Hij had geen gemakkelijk leven. Een van zijn zoons had zelfmoord gepleegd. Een fijnzinnig man, die Ricoeur, een echte protestant, maar voortdurend overspannen."

Ricoeur verweet Derrida dat hij de rationele filosofie opblies. En Ricoeur was de enige niet. Toen Derrida enkele jaren later voor het eerst een voordracht hield in Leuven, viel dat niet in goede aarde. "Hij sprak er zijn beroemd geworden beschouwing over Nietzsche uit", herinnert IJsseling zich. "Over diens uitspraak 'Ik heb mijn paraplu vergeten'. Daar waren sommige mensen zeer ontstemd over, dat was geen filosofie, vonden ze. Dat was hooguit literatuur."

"Uiteindelijk is dat wel goed gekomen. Derrida is heel vaak in Leuven teruggeweest om seminars te geven. Toen gaven de meeste Leuvenaren zich wel gewonnen. Natuurlijk ook omdat Derrida een zeer charmante persoon was. En omdat bleek dat hij niet zomaar wat deed. Hij wordt heel vaak beschouwd als een soort anarchist, maar hij kon heel precies lezen, wist een tekst echt tot in zijn kleinste details te belichten. Dat maakte indruk."

Een filosofische tekst vraagt om helderheid - en daarin blinkt Derrida niet altijd uit, erkent IJsseling. "Soms denk ik wel: ik begrijp werkelijk niet wat je daarmee bedoelt. Ik vermoed dat hij gaandeweg het slachtoffer is geworden van zijn populariteit. Hij hoefde maar vijf regels op papier te zetten en het werd onmiddellijk gedrukt. Ook was hij slachtoffer van zijn computer: daar kun je eindeloos op doorschrijven, en soms kun je dat bij hem zien. Neem zijn artikel over Levinas, 'Geweld en metafysica', uit de jaren zestig. Dat is schitterend opgebouwd. Het is kritisch, maar laat tegelijk zien hoe belangrijk Levinas is, op een moment waarop die nog lang niet zo bekend was. Maar wanneer hij later opnieuw over hem schrijft, is dat lang zo goed niet. Alles wordt uitgesponnen en kabbelt zo'n beetje door."

Niettemin is Derrida voor IJsseling de meest inspirerende denker van zijn generatie gebleven. Hij trok zeer doortastend de consequenties uit de wending die zich in de Franse filosofie vanaf de jaren vijftig heeft voorgedaan. Vrijwel alle denkers uit die tijd vertrokken vanuit de fenomenologie - maar dan wel om vervolgens daartegenin te denken. Terwijl de fenomenologie zich helemaal richtte op het bewustzijn en dat centraal stelde, benadrukten jongere denkers als Derrida en Foucault dat het bewustzijn op zijn beurt een effect is van iets anders. En dat onbewuste is niets anders dan de taal zelf. Niet het woord dat de spreker meent in de mond te nemen en waaraan hij naar eigen believen betekenis denkt te geven, maar de taal waarin hij zich zelf sprekend moet invoegen en die hem daarin zijn plaats en zelfs zijn bestaan toeschrijft.

"Dat wil zeggen dat betekenisproductie niet volkomen beheersbaar is", zegt IJsseling op zijn werkkamer. Die gedachte is hem dierbaar. "Al wat is verwijst altijd naar iets anders, en is daarop aangewezen om te kunnen bestaan en te kunnen worden verstaan. Dat geldt bij uitstek voor het mens-zijn, maar ook voor elk ding, elk woord, elke daad, gebeurtenis of gedachte. Alles heeft een context, of die nu talig van karakter is of reëel. Maar ook daarin ligt de betekenis niet vast. Zoals een tekst of een woord binnen een andere context een andere lading krijgt, zo verschieten ook de dingen in de werkelijkheid voortdurend van kleur, omdat die werkelijkheid zelf steeds in beweging is.

Geen enkele auteur is ooit volkomen heer en meester over zijn tekst. Ook niet over de tekst die hij zelf schrijft. En geen enkele lezer kan ooit helemaal begrijpen wat er geschreven staat in de tekst die hij leest.

Voor mij was dat toen in Parijs een nieuw inzicht, schokkend zelfs. Met het boek over de hermeneutiek dat ik er had willen schrijven, kon ik onmogelijk doorgaan. Het idee dat interpretatie een zoektocht was naar de waarheid moest ik loslaten. Dat werd nog sterker toen ik kort daarna kennismaakte met het denken van Nietzsche. Je zou kunnen zeggen dat de filosofie bij hem een object wordt. Een bouwwerk, een constructie."

Over wat de filosofie níet is, is IJsseling heel duidelijk. "Ze is geen weerspiegeling van de werkelijkheid. Net zomin als een gebouw dat is. Denk aan wat Heidegger zegt over de beroemde tempels in Paestum. Die komen niet overeen met iets, maar daar wordt wel iets in onthuld. Er komt iets in aan het licht. Dat geldt ook voor de filosofie: ze is een schitterende constructie, waarin we ons ook op een bepaalde manier thuis weten of voelen. Als in een soort kunstwerk. Misschien is filosofie niets anders dan dat.

Van oudsher leeft de filosofie van de pretentie volkomen autonoom en principieel inzichtelijk te zijn. Maar zij kan die pretentie nooit waarmaken. Filosofie is volgens mij allereerst een tekst, een kwestie van lezen en schrijven. Voordien realiseerde men zich dat eigenlijk niet zo. Filosofen waren wel de hele dag met teksten bezig, maar ze gaven zich er nauwelijks rekenschap van wat dat betekende."

Overzie je de ontwikkeling van de Franse filosofie tussen de jaren zestig en negentig, dan zie je een enorme ommezwaai. Niet alleen omdat het thema van de religie, waarop in de jaren zestig door bijna alle denkers werd neergekeken, bij een aantal van hen steeds belangrijker is geworden. Maar ook omdat de filosofen die doordachten op het structuralisme, steeds meer oog kregen voor de ethiek. Van een uitgesproken ethische stellingname wilden ook jongere denkers als Foucault en Derrida aanvankelijk weinig weten - en dat werd hun regelmatig kwalijk genomen. 'Postmodernen' werden ze genoemd: flierefluiters die samen het 'goede' al net zo onbekommerd lieten verdampen als het 'ware'.

"Daarmee werd hun in hoge mate onrecht aangedaan," zegt IJsseling nu. "Zij waren ten zeerste maatschappelijk betrokken. Maar in hun filosofische werk kwam dat pas later expliciet tot uitdrukking. Dan gaat Derrida schrijven over dierenrechten, xenofobie en de perverse kanten van de strijd tegen het terrorisme. Je zou kunnen zeggen dat hij daarmee dichter in de buurt komt van Levinas, die de ethiek altijd al op de eerste plaats gezet heeft. Maar ik denk niet dat dat zo is. Levinas spreekt wel vol eerbied over 'de weduwe en de wees', maar heeft weinig of geen aandacht voor de concrete ander: de Palestijnen, de sans papiers of ongewenste vreemdelingen, de studenten. In dat opzicht is hij het tegendeel van Derrida."

Het is niet de eerste keer dat IJsseling zich gereserveerd uitlaat over Levinas. Dat is opmerkelijk. In Nederland geniet Levinas een bijna unanieme bewondering, ja zelfs verering. Welke bedenkingen heeft IJsseling? "Ik mis bij hem elke waardering voor het heilige en voor een niet-joodse en niet-christelijke religie. Kortom voor het heidendom."

Het hoge woord is eruit. In de loop der jaren heeft het woord 'heidendom' voor de ex-priester IJsseling een steeds positiever klank gekregen. Al 'heel vroeg' had hij moeite met de ene God en diens alwetendheid en almacht, met de ene waarheid van de kerk. Mettertijd nam hij afscheid van het bijbelse monotheïsme en ging hij het katholicisme zien als 'een afgoderij'. "In mijn optimisme heb ik toen wel gedacht: over vijftig jaar is dat helemaal voorbij. Het past volstrekt niet meer in het moderne leven." Maar ja, lacht hij, "het is gewoon doorgegaan."

IJsseling moet nog steeds niets hebben van de 'cultus van eensgezindheid', zei hij in een vraaggesprek met Knack. "De maatschappij is verbrokkeld, en ook zelf leven we als het ware in het meervoud, met contradicties en irrationaliteit, met verschillende identiteiten om ons heen, maar ook in onszelf."

Die postmoderne overtuiging bracht hem 'in het vaarwater van de Griekse godenwereld en het paganisme'. "Daarin is niet alles verzameld in één almachtig punt, maar heerst veelheid, verdeeldheid, de onderlinge spanning die ervoor zorgt dat de werkelijkheid niet tot één gesloten beeld kan worden teruggebracht."

"Mijn houding ten aanzien van het geloof is daar een illustratie van", zei IJsseling in Knack. "Je kunt tegelijk wel en niet geloven. Je kunt ook tegelijk van Lady Gaga houden en van Bach."

Dit is een voorpublicatie uit Ger Groot: Dankbaar en aandachtig. In gesprek met Samuel IJsseling. Met een voorwoord van Hans Achterhuis (Klement, Kampen, 148 blz. euro 18, 95). Het boek verschijnt vandaag.

De tweets zijn afkomstig uit 'De filosofie twittercanon' van Leon Heuts en Herman de Regt (Boom, Amsterdam 2012), aangevuld met tweets gemaakt door @LeonHeuts.

Jean-Paul Sartre (1905-1980)

We zijn gedoemd tot vrijheid, en daarmee tot verantwoordelijkheid. Wie zich verstopt achter traditie of conventie, is te kwader trouw.

Paul Ricoeur (1913-2005) Als auteurs van ons levensverhaal, laveren we tussen het wie dat schrijft, en het wat dat reeds geschreven is en nooit meer verandert.

Hermeneutiek: Zoals we geschreven teksten kunnen interpreteren, kunnen we het menselijke bestaan leren verstaan: een manier van zijn die weet dat ze is.

Georg Hegel (1770-1831)

Geschiedenis is een list van de rede. De mens brengt zichzelf en de wereld tot begrip, overwint tegenstand en realiseert vrijheid.

Martin Heidegger (1889-1976)

In het tot berekenbaar object maken van de wereld, vergeten we de concrete menselijke ervaring, die ons in de wereld laat staan.

Fenomenologie: Articulatie van wat doorgaans aan ons voorbijgaat. Namelijk hoe ervaring ons in de wereld werpt, de zorg die wij gedachteloos op ons nemen.

Jacques Derrida (1930-2004)

Zonder taal betekent de werkelijkheid niets. Werkelijkheid krijgt pas betekenis in een eindeloos spel van naar elkaar verwijzende woorden.

Emmanuel Levinas (1906-1995)

Gehoor geven aan het appèl van de ander, transformeert mijn zelfgenoegzaamheid tot verantwoordelijkheid. De ander humaniseert mij.

Friedrich Nietzsche (1844-1900)

Voorbij de knechtende moraal van priesters en filosofen, staat het scheppende leven. Overstijg uzelf, hou van het nu, het lot!

Michel Foucault (1926-1984)

Achter waarheidsclaims schuilt een wil tot macht, die het leven aan een norm onderwerpt. Een techniek ter disciplinering.

Postmodernisme: Einde van Grote Verhalen, maar niet alles is relatief. Iedereen claimt nu de waarheid. Filosofie bemiddelt en ontmaskert, ironisch, speels.

Structuralisme: Net zo min als een pion betekenis heeft zonder schaakspel, is de mens niet autonoom, maar een product van maatschappelijke structuren.

Over wie heeft Samuel IJsseling het? Welke stromingen beschrijft hij? @LeonHeuts licht het in tweets toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden