Fietsenmaker Chong Li (62) was een van de eerste zakenmannen van China en dat viel niet mee

Chong Li, een van de eerste zelfstandige ondernemers van Peking. Beeld Leen Vervaeke

Deze week viert China dat precies veertig jaar geleden het kapitalisme niet langer verboden was. Chong Li (62) was een van de allereerste zelfstandige ondernemers.

Toen Chong Li in 1977 een stalletje begon als fietsenmaker, als een van de eersten in Peking, was dat niet bepaald een instant-succes. Als kleine zelfstandige in een staatsgeleide economie werd Chong Li als een onruststoker gezien, een vreemde snuiter. Hij werd door voorbijgangers uitgelachen en regelmatig door stadswachten van zijn vaste straathoek weggejaagd. Niets deed vermoeden dat hij veertig jaar later geëerd zou worden als een pionier van de Chinese markteconomie.

“De Culturele Revolutie was net voorbij en mensen hadden jarenlang alleen maar slechte dingen gehoord over het kapitalisme”, zegt de 62-jarige Chong Li in zijn winkeltje, nog steeds op dezelfde straathoek als waar hij vier decennia geleden begon. Inmiddels herstelt hij geen fietsen meer, maar verkoopt hij vissen, vogels en sprinkhanen. “Ik moest zelf ook een strijd voeren in mijn hoofd. Ik vond het vreselijk dat ik fietsenmaker zou worden, maar ik had geen andere keus.”

Deze week komt Chong Li’s verhaal weer naar boven, als in heel China met veel spektakel de veertigste verjaardag van Gaige Kaifang – letterlijk: hervorming en openstelling – wordt gevierd. Van 18 tot 22 december 1978 vond in Peking een historische bijeenkomst van de Communistische Partij van China plaats. Op dat derde plenum van het elfde Centraal Comité werd beslist om de Chinese economie stapsgewijs te liberaliseren.

Het was het begin van de overgang van planeconomie naar vrijemarkteconomie en ook het begin van het Chinese groeiwonder. In de afgelopen veertig jaar nam het bruto binnenlands product van China toe met 3350 procent, het beschikbaar inkomen per persoon met 2280 procent en de buitenlandse handel in goederen met 17.500 procent, gecorrigeerd voor de inflatie. China verhandelt tegenwoordig evenveel in twee dagen als in 1978 in een heel jaar. Liefst 700 miljoen Chinezen werden uit de armoede opgetild.

Dat is een uitgebreide viering waard, al vindt die wel plaats in een lichte mineurstemming. De Chinese economie is aan het sputteren, en de handelsoorlog met de Verenigde Staten komt daar nog bovenop. Steeds meer klinkt de klacht, binnen en buiten China, dat de liberalisering van de economie niet ver genoeg is gegaan, dat de staatssector nog steeds bevoordeeld wordt en dat privébedrijven daar de tol voor betalen. Gaige Kaifang, zo klinkt de kritiek, is onvoltooid.

Chong Li is maar een kleine ondernemer en met die politieke richtingenstrijd heeft hij niets van doen. Maar ook zijn verhaal is er een van tegenstrijdige richtingen. Een gedurfd debuut als zelfstandige, een mooie carrière als fietsenmaker, maar uiteindelijk ook een terugkeer naar de overheid. Chong Li heeft rust gevonden tussen zijn aquaria vol goudvissen en kooien vol papegaaien. Maar als een van de eerste kleine zelfstandigen van Peking is hij een onwaarschijnlijk rolmodel voor de vrijemarkteconomie.

Toen Chong Li in 1977 afstudeerde, wilde hij helemaal geen ondernemer worden. Hij hoopte net als zijn klasgenoten een baan te krijgen bij een staatsbedrijf, een ‘ijzeren rijstkom’ van levenslange werkgarantie en sociale zekerheid. Maar de economie lag op apegapen, en banen waren schaars. Omdat Chong Li door een hersenverlamming niet goed kon lopen, kreeg hij geen aanstelling. “Dat was een harde klap”, zegt hij. “Ik kreeg geen ijzeren rijstkom, maar een kom met modder.”

Zijn leerkrachten voelden de tijdsgeest veranderen en moedigden Chong Li aan een zaakje als fietsenmaker te beginnen. Van enkele klasgenoten, die ondertussen bij staatsbedrijven werkten, kreeg hij wat werktuigen toegestopt. Zo begon Chong Li zijn eenmanszaak, in een tijd dat die officieel nog niet bestonden. De eerste zelfstandige ondernemers van China waren vooral randfiguren – schoolverlaters, vrijgelaten politieke gevangenen – die nergens anders aan de slag konden.

Theepot

“In het begin was het niet gemakkelijk”, zegt Chong Li, zittend in de hoek van zijn winkel, met zijn theepot, waterkoker en sigaretten binnen handbereik. “Er waren nog geen vergunningen voor zelfstandigen, ik had geen enkel wettelijke status. Een fiets was in die tijd een van de vier grote bezittingen, naast een naaimachine, een horloge en een radio. Mensen vertrouwden hun fiets niet zomaar toe aan een privébedrijfje. Ze hadden meer vertrouwen in een staatsbedrijf.

“Er zat voor mij niets anders op dan goedkoper te werken en een betere service te verlenen. Als de staatsbedrijven te veel werk hadden, weigerden ze kleine klussen. Zoals een lekke band repareren, dat leverde maar 10 jiao (1,3 eurocent - red.) op. De staatsbedrijven sloten om zes uur ’s avonds, ik werkte dag en nacht. Ik had zelfs een paar reservefietsen, zodat mensen hun kapotte fiets bij mij konden achterlaten. Dat deden de staatsbedrijven niet.

“Geleidelijk kreeg ik een goede reputatie. De mensen zeiden: die Chong Li is een nuttige vent, zijn benen doen het misschien niet goed, maar met zijn handen is niets mis. Ik kreeg steeds meer werk en ik verdiende zowat 1 renminbi (13 eurocent - red.) per dag. Dat was meer dan wat een werknemer van een staatsbedrijf kreeg. Maar het was mij niet om het geld te doen. Ik ben maar een fietsenmaker, geen zakenman.”

Vanuit de Chinese overheid kwam steeds meer steun voor de kleine zelfstandigen, getihu in het Chinees, die maximaal zeven personeelsleden mochten aanwerven. In 1982 werd in de grondwet opgenomen dat ze een ‘aanvulling’ vormden op de staatsgeleide economie, in 1988 werd toegestaan dat ze uitgroeiden tot grotere bedrijven en in 1997 werd officieel bevestigd dat de privésector niet alleen een ‘aanvulling’, maar een ‘belangrijk onderdeel’ was van de socialistische markteconomie.

Chong Li in zijn jonge jaren als fietsenmaker Beeld -

Het aantal zelfstandigen schoot zienderogen omhoog: van 140.000 in 1978 naar meer dan 1 miljoen in 1981, en meer dan 12 miljoen in 1987. Toen in de jaren negentig staatsbedrijven in groten getale de deuren sloten, richtten nog eens miljoenen ontslagen werknemers een eigen bedrijfje op. Sommigen surften mee op de golf van economische groei en bouwden hun eenmanszaken uit tot grote bedrijven. Sommigen gingen zelfs internationaal.

Chong Li bleef een kleine rijwielhersteller, maar de zaken gingen goed. Als een van de vroegste ondernemers van Peking had hij enig aanzien. Hij werd lid van een van de acht ‘democratische’ partijen van China – als ondernemer kon hij geen lid worden van de CCP – en kreeg een zetel in de gemeenteraad van Peking. In 1983 werd hij uitgenodigd in Zhongnanhai, het Chinese regeringsgebouw, en kreeg hij een onderscheiding van toenmalig partijsecretaris Hu Yaobang.

Hard bestaan

Maar hoe succesvol de vrijemarkteconomie ook was, voor veel Chinese ondernemers was het een hard bestaan. Ze moesten zich door eindeloze procedures wurmen om de nodige vergunningen te krijgen, ze werden met belastingen overstelpt en ze moesten steeds vaker dealen met corrupte ambtenaren. De Chinese economie bood gouden mogelijkheden, maar daar moest je wel wat voor over hebben.

Ook Chong Li begon het moeilijk te krijgen. Hoe positief hij de hervorming van de economie ook vond, hij kreeg soms het gevoel dat de markteconomie was doorgeslagen. “Om iets voor elkaar te krijgen in een markteconomie, moet je ofwel geld hebben, ofwel een goed netwerk”, zegt hij. “Ik had geen van beiden, dus werd ik langzaam weggedrukt door lokale functionarissen. Ik kon geen goede sigaretten voor hen kopen of trakteren op een flinke maaltijd.”

Als fietsenmaker had Chong Li nog een extra probleem. Met de stijgende welvaart kochten steeds meer Chinezen een auto en bleef de fiets meer en meer aan de kant staan. Chong Li’s verdiensten vielen terug, hij had moeite om zijn vaste lasten te betalen en hij kreeg bovendien last van artrose in zijn handen. In al zijn jaren als zelfstandig fietsenmaker had hij geen pensioen opgebouwd. De voorloper van de kleine zelfstandigen in Peking dreigde in armoede te eindigen.

Hoe Chong Li het precies klaarspeelde, daar blijft hij wat vaag over, maar uiteindelijk werd hij door het stadsbestuur van Peking gered. Zijn winkeltje, waar hij tussen de vissen, vogels en tjirpende sprinkhanen zit en schilderijtjes maakt, werd op kosten van de overheid gerenoveerd. Binnenkort wordt de plek officieel tot educatieve jeugdsite uitgeroepen. Chong Li zal er groepen schoolkinderen ontvangen, foto’s van zijn beginjaren tonen en vertellen hoe de vrijemarkteconomie ooit begon.

Het is een onverwachte afloop voor de pionier van de markteconomie, maar Chong Li vindt het best. “Sinds die eerste dag dat ik fietsen repareerde, heb ik nooit een zakenman willen zijn”, zegt hij. “Een zakenman wil het onderste uit de kan halen, maar ik geef niet om geld, het gaat er mij alleen om de mensen een goede dienst te verlenen. Ik heb niet veel nodig. Zolang ik hier kan zitten en met mijn vissen en vogels wat vrolijkheid en warmte kan brengen, ben ik tevreden.”

Lees ook:

China voelt handelsoorlog: munt onderuit, bedrijven overwegen het land te verlaten

Met de nieuwe ronde invoertarieven die de VS hebben opgelegd, krijgt China het benauwd. De economische groei neemt af en bedrijven overwegen China te verlaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden