Fietsend mijn harde schijf leegmaken

Dick Berlijn maakte een fietspelgrimage naar Santiago de Compostela. 'Zo onderweg praat je heel gemakkelijk met vreemden over diepe onderwerpen'. (FOTO WERRY CRONE, TROUW ) Beeld
Dick Berlijn maakte een fietspelgrimage naar Santiago de Compostela. 'Zo onderweg praat je heel gemakkelijk met vreemden over diepe onderwerpen'. (FOTO WERRY CRONE, TROUW )

Na zijn afscheid als commandant der strijdkrachten maakte Dick Berlijn (58) deze zomer een fietstocht naar het Spaanse bedevaartsoord Santiago de Compostela. Alleen.

Zijn lichte bouw maakt generaal buiten dienst Dick Berlijn (58) niet alleen geschikt als straaljagerpiloot, maar ook voor het fietsen in de bergen. In 24 dagen fietste hij 2600 kilometer, naar Santiago de Compostela. Hij vertrok alleen, en met teveel bagage, merkte hij onderweg.

Onder zijn leiding gingen Nederlandse militairen op missie in Afghanistan, in Uruzgan. Zijn taak was te zorgen voor voldoende materieel en troepen om de missie succesvol te laten zijn. Tevoren was met toenmalig minister Kamp besproken dat de kans bestond dat er Nederlandse militairen zouden omkomen in Uruzgan. Vijftien keer moest Defensie, in de tijd dat Berlijn commandant der strijdkrachten was, dat treurige nieuws vertellen aan nabestaanden.

Berlijn werd op 17 april opgevolgd door generaal Von Uhm. De dag erna kwam de zoon van Von Uhm om bij een aanval met een bermbom.

Dat Berlijn zo lang bij Defensie gewerkt heeft, is eigenlijk nogal verrassend. Hij wilde als 19-jarige verkeersvlieger worden, enthousiast geraakt na een zweefvlucht met een vriend. Door zijn hbs-a opleiding kon hij alleen militair vlieger worden. Hij koos voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Mocht het niet bevallen, dan zou hij de dienstplicht zo met een half jaar kunnen bekorten.

Het beviel wel, en dus bleef hij, al werd het geen Boeing maar een Starfighter. Na een vliegopleiding in Canada werd hij piloot op vliegbasis Twente. Zijn organisatietalent bracht hem in 1993 tot commandant van een F-16-eenheid die werd uitgezonden naar het conflict in het voormalige Joegoslavië. In 2000 werd hij bevelhebber van de luchtstrijdkrachten, in 2005 commandant van alle strijdkrachten. Bekende uitspraak van hem is: ’In je eentje ben je niets, als eenheid ben je alles’.

Des te opmerkelijker dat teamspeler Berlijn zonder gezelschap op de fiets stapte. Zijn vrouw bleef thuis.

Hoe hij gegrepen is door het Santiago-virus blijkt als we door de gang van het Kurhaus lopen, in Scheveningen. Berlijn wijst op het tapijt, met een patroon van Jacobsschelpen, het symbool van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela. „Die zie ik tegenwoordig overal.”

U bent naar Santiago de Compostela gefietst. Wat wilde u met die tocht bereiken?

„Ik wilde mijn harde schijf leegmaken, opnieuw ordenen. Overzicht krijgen, in alle rust. Daarom ben ik niet met zijn tweeën of drieën gaan fietsen, maar alleen. Je hoeft dan geen rekening te houden met anderen, niet steeds na te gaan of je te hard fietst of te ver. Er is alle tijd en ruimte om na te denken.

In het begin belde ik veel met mijn echtgenote, zoals we altijd doen. Dat vond ik op een gegeven moment teveel, ik wilde niet op de hoogte gehouden worden van wat er allemaal gebeurde in Den Haag en in Twente. We hebben dat toen in goed overleg teruggebracht tot een paar keer per week bellen en kort. Wanneer dat gebeurde? Dat zal even voorbij Parijs geweest zijn.

Vorig jaar ben ik met pensioen gegaan, of eigenlijk met functioneel leeftijdsverlof. Ik ben nu 58. Ik wilde die periode van werk afsluiten en de tijd nemen om na te denken over wat ik de volgende periode wil doen. Ik wilde niet maar doorhollen.”

Had u tevoren getraind voor de fietstocht?

„Helemaal niks. Ik dacht, dat komt onderweg wel. Maar mijn conditie is goed. Ik ga naar de sportschool.

Ik zag wel als een berg tegen de Pyreneeën op. Ik had alleen in vlak land gefietst.”

En..?

„Het zijn drie dagen met hellingen. Bij een ervan keek ik op de top op mijn horloge. Het was in kortere tijd gelukt dan ik verwacht had. Een prettig gevoel. Heel prettig. Het heeft ook iets verslavends. Het geeft zelfvertrouwen als het lekker gaat.

Tot aan de Pyreneeën had ik inderdaad wel een gejaagd gevoel. Daarna was er tijd om dingen te bezoeken. Al ging ik ook voor die tijd steeds naar een kerk, om een stempel te halen.

Als voorbereiding heb ik van alles gelezen, ook het boek met de geweldige titel ’Met fiets en tent naar de Oriënt’. Over twee Nederlanders, Gerard Monnink en Toon Damhuis, die in de jaren dertig vanaf Twente naar Jeruzalem gingen fietsen. Moet je voorstellen, alles was anders. De Balkan was gevaarlijk en je kon niet in elk dorp geld uit de muur trekken, zoals nu.

Er zijn drie tochten die je gemaakt moet hebben, naar Santiago, naar Rome en naar Jeruzalem. Ik weet zeker dat ik nog een keer zoiets ga doen. Maar dan met minder bagage. Geen voortassen. Ik heb bij deze tocht steeds wat naar huis gestuurd. Teveel meegenomen. Eigenlijk is het voldoende om een tandenborstel en een creditcard bij je te hebben. En een verschoning. Onderweg kwam ik een tanig mannetje tegen van, ik denk 75. Hij fietste nog 10.000 kilometer per jaar. Hij had alleen zo’n klein rugzakje bij zich. Zoiets wil ik ook, de volgende keer. En een lichtere fiets.”

Heeft u bereikt wat u wilde bereiken?

„Het fietsen heeft veel meer plezier gegeven dan ik verwacht had. Het was heerlijk. Iedere keer na een route door een drukke stad was het een plezier om weer door de velden te rijden. De drukte van de steden was vervelend. In Saint Quentin ben ik ook verdwaald, ik keek op de kaart en reed steeds verkeerd. Ik werd daar pissig van.

Wat nog niet gekomen is, is een helder inzicht van wat ik de komende periode wil gaan doen. Ik weet wel wat ik niet wil. Niet meer in ambtelijke overlegsituaties in Den Haag je gelijk hoeven te halen en iets moeten bereiken terwijl mensen met andere agenda’s bezig zijn. Het idee bestaat dat het bij Defensie een kwestie is van een bevel geven, en dat het dan wordt uitgevoerd. Nou, dat is niet zo. Er is veel standvastigheid nodig om in een ambtelijke omgeving draagvlak te creëren. Dat is soms een vervelende klus en dat moeten anderen voortaan doen.”

Volgens sommige pelgrims krijgt zo’n tocht zijn uitwerking pas na een jaar of na nog langere tijd. Hoe lang bent u nu terug?

„Een paar maanden. In juni vertrokken. Ik heb er 24 dagen over gedaan. Het was 2600 kilometer.”

Dat is wel een mooi daggemiddelde.

„Ik ben te hard van stapel gelopen. In het begin te snel gefietst. Als ik weer ga, wil ik dat beter voorbereiden en beter plannen. Ik heb het niet goed aangepakt. Voor de eerste dag had ik een bed & breakfast geregeld in Nijmegen en daarna in Breda. Dat zijn dan te lange etappes. De eerste dag was meteen 130 kilometer. Dan komt de dag erna de terugval. De volgende keer wil ik rustiger beginnen, met in het begin dagetappes van 60, 70 kilometer. Na een week is 120 geen probleem meer.

Een keer eerder heb ik zo’n tocht gemaakt, in 2003. Dat was naar Stockholm, waar onze zoon toen studeerde. Om de route uit te zetten heb ik toen de kaart gepakt, met mijn woonplaats Oldenzaal aan de ene kant en Stockholm aan de andere kant. Ik heb die kaart omgevouwen langs de tafel en toen met zwart potlood etappes uitgezet langs die lijn. Dom natuurlijk, want er waren enorm saaie dagen bij in Noord-Duitsland. Drie dagen alleen velden. Ik had beter een wat zuidelijker route kunnen nemen. Dit keer heb ik me aangemeld bij het Nederlands genootschap van Sint Jacob en de fietsroute naar Santiago van Clemens Sweerman gebruikt; die boekjes die je voorop je fietstas kunt doen en die je kunt omslaan, 20 kilometer per bladzij. Erg handig.”

Werd u onderweg herkend?

„Ik geloof één keer, onder een brug bij Burgos. Ik zag een man met een Koga-Miyata, dus een Nederlandse fiets, en zei: ’Ha, ook een Nederlander’. Ik meen dat hij zag wie ik was.

Ik vond het wel prettig om niet herkend te worden. Wel waren er veel ontmoetingen onderweg, vooral in de refugios in Spanje, waar ik overnachtte. Dan sliep je wel met vijftig of honderd man op een zaal. Elke avond waren er aan tafel gesprekken. Zo onderweg praat je heel gemakkelijk met onbekenden over diepe onderwerpen. Dat gaat opvallend snel. In Frankrijk was dat minder, daar overnachtte ik chambres d’hôtes. Dat was wat stiller.”

De afgelopen twee jaar was u commandant der strijdkrachten. Bij de missie in Uruzgan zijn 15 doden gevallen, naast enkele zwaargewonden, in de tijd dat u commandant was. Kwam dat dichterbij tijdens de tocht of raakten deze ervaringen juist meer op afstand?

„Het kwam dichtbij, heel dichtbij. Op een andere manier dan toen ik commandant der strijdkrachten was en verantwoordelijk voor de organisatie. In een ander perspectief, met een andere ordening.

Iedere keer als er slachtoffers vielen, heb ik de ouders ontmoet. Het aanzeggen, het op de hoogte brengen van een verlies, deden medewerkers van de Maatschappelijke Dienst Defensie, MDD, die het snelste bij de familie konden zijn. Het is belangrijk dat de familie het van Defensie hoort en niet uit de media. Als de ouders in Noord-Groningen wonen, gaat de dichtstbijzijnde MDD naar hen toe om aan te zeggen. Die zijn er dan eerder dan ik. Ik ben wel altijd op het vliegveld geweest als de kist met het slachtoffer daar aankwam.

Het is heel belangrijk om er goed en zorgvuldig mee om te gaan als er slachtoffers vallen, en ook als mensen ernstig gewond raken. Het verdriet is er, dat kan ik niet wegnemen. Ik kan wel de beklemming weghalen. Het is al zo erg als je je kind of je man verliest. Daarom is het zo belangrijk om er met veel zorg mee om te gaan, om het niet nog erger te maken, voor zover dat kan, ik zeg het voorzichtig.

Tegen ouders die dit bericht krijgen, zeg ik altijd dat ik hun verdriet niet kan wegnemen, maar dat ik het wel kan begrijpen, dat ik me bewust ben geworden wat het betekent. Mijn zusje is, toen ik 26 was, om het leven gekomen bij een verkeersongeluk. Zij was twee jaar ouder. Ik moest bij mijn commandant komen. Hij zei dat ik moest gaan zitten en heeft het toen verteld.

In het gezin waar ik uit kom is het nooit meer geworden als ervoor. Nooit meer is de vrolijkheid, het ongecompliceerde, teruggekomen. Bij alles wat er gebeurde, lag er een sluier van grauwheid over. We waren met vier kinderen, nog een broer en een oudere zus. Ik weet wel wat zo’n verlies kan betekenen, welk verdriet daarbij hoort. Mijn ouders hebben daar heel lang niet over gepraat, niet over kunnen praten.

Bij een missie als naar Uruzgan weet je van tevoren dat dit kan gebeuren. Tijdens de voorbereiding van het besluit van de missie naar Uruzgan is dat met de minister erbij in alle openheid besproken. Ik waardeer het zeer dat minister Kamp dit in het kabinet en later in het parlement op tafel gelegd heeft. Je moet expliciet noemen of de missie de prijs waard is. En dat er soms ook hard gevochten zal worden.

Bij de missie in Uruzgan zijn we ingegaan op het verzoek om steun van het legitieme gezag in Afghanistan. Dat was president Karzai op dat moment, hoe je ook over hem denkt. Wij zijn een klein en rijk land. We hebben verklaringen ondertekend dat we de internationale rechtsorde willen beschermen en uitdragen. Zijn dat loze uitspraken voor de bühne of menen we het echt?

Het is onze verantwoordelijkheid de internationale rechtsorde te verdedigen. Dat kan betekenen dat we daar een hoge prijs voor moeten betalen, de levens van deze soldaten. Die prijs hebben we ook betaald en dat is heel erg. Maar het is nog erger als je achteraf zegt dat de missie die prijs niet waard is geweest. Dat kan niet, tegenover de ouders van die slachtoffers. Dit speelde tijdens de discussie over de verlenging van de missie.

Ik ben daarbij wat verder gegaan dan mijn bevoegdheid reikte. Als militair moet ik eigenlijk gewoon orders uitvoeren en me niet bemoeien met de morele afwegingen en beslissingen rond de missie. Ik heb me bij de verlengingsdiscussie wel in die morele afweging gemengd, vond dat ik dat moest doen.

Inzet daarbij is de vraag, hoe serieus we zijn in onze principes. Het is tegenover de militairen onze morele plicht voor de beste spullen te zorgen en hun de beste training te geven. Maar vooral is het belangrijk hun het gevoel te geven dat je achter de missie staat. Dat moet je als regering uitspreken. Als regeringen dat niet kunnen of durven, is het immoreel om militairen op een missie te sturen.

Die missie is belangrijk. We laten er ook mee zien wat onze principes zijn, dat we die niet voor de goede sier uitspreken. Je moet je realiseren: we hebben het ergens over, over het beschermen van de internationale rechtsorde, het opkomen voor de mensenrechten. Je moet het durven om die keuze te maken, ook als daarvoor een hoge prijs betaald moet worden.

Tijdens de fietstocht heb ik daar aan gedacht. Het kwam dichtbij, de omgekomen militairen, degenen die ernstig gewond zijn geraakt. Maar niet dichterbij dan toen ik commandant was.

Er komen andere facetten naar voren. Geen nieuwe inzichten, maar doordat ik nu niet met de organisatie bezig hoefde zijn, zag het er anders uit.

Ik was als commandant erg gefocust op het doel, op het leveren van materiaal, organiseren dat het goede spullen zijn, dat het op tijd is. Het is wel goed om even daarmee te stoppen, het grote geheel te bekijken, overzicht te hebben.”

Santiago is een populair doel. Wel een religieus doel.

„Ik ben gezegend door de pastoor van de Antoniuskerk van Oldenzaal bij mijn vertrek op 17 juni. Dat wil zeggen, ik ging naar hem toe om een stempel te halen voor mijn pelgrimscertificaat en wilde toen wegrijden. Mijn vrouw, die uit een katholieke familie komt, zei toen: „Is dat alles?” Toen heeft de pastoor mij gezegend.

Ik ben een latere katholiek. Wij waren thuis Nederlands-hervormd. Ik ben niet bij ons huwelijk katholiek geworden, maar wat later, toen ik 35 was. De kinderen waren al geboren.

Mijn vader zei vroeger altijd dat protestanten makkelijk en vrolijk waren en katholieken streng. Dat ligt toch anders, heb ik gemerkt.

Onderweg ben ik vaak een kerk binnen geweest. Om een stempel te halen natuurlijk, voor het pelgrimscertificaat, maar ook heb ik er vaak kaarsen opgestoken, ben ik er stil geweest en heb ik gebeden. Voor mensen die dichtbij zijn, voor mensen die ik goed ken en die op afstand zijn geraakt. Voor mijn overleden vader.

De ervaring bij het Cruz de Ferro, een ijzeren kruis dat op een houten paal staat in de buurt van León, in Spanje, heeft me geraakt. Het is het hoogste punt, een paar dagen na Roncesvalles. Aan de voet van dat kruis ligt een enorme berg stenen, neergelegd door pelgrims die al honderden jaren hier langskomen. Ook ik had een steen bij me. Ik was die ochtend vroeg vertrokken, zoals meestal, een uur of zes, half zeven misschien. Ik vertrok en fietste de helling op. Het was mistig die ochtend, en koud. Toen de mist optrok, zag ik de zon over het landschap en het kruis. Er stond een Koreaans meisje bij. Ik bood aan een foto van haar te maken en vroeg haar er een van mij te maken met mijn toestel. Toen ze weg was, heb ik mijn steen er neergelegd. Je moet gooien, officieel, maar ik heb hem geplaatst. Ik wist dat het bijzonder zou zijn, dat had ik gelezen. Het raakte me.”

Wat hebt u onderweg achtergelaten?

„Ik denk de neiging om alles hier en nu te organiseren en perfect te willen regelen. Die controle was nodig in mijn werk, maar die hoeft niet in de rest van het leven. Nu kan ik ook wel eens denken: ’Ach, laat maar, dan niet’. Maar het is wel een work in progress, het kan nog worden verbeterd.”

Dick Berlijn maakte een fietspelgrimage naar Santiago de Compostela. 'Zo onderweg praat je heel gemakkelijk met vreemden over diepe onderwerpen'. (Werry Crone, Trouw) Beeld
Dick Berlijn maakte een fietspelgrimage naar Santiago de Compostela. 'Zo onderweg praat je heel gemakkelijk met vreemden over diepe onderwerpen'. (Werry Crone, Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden