FEESTREDE

“Het maakt niet zo veel uit of ik het over uw foto's heb of over mijn herinnering aan die keer tegenover u zitten. Het gaat er om dat ik geen gezicht ken van een zo oud iemand dat zo zes- a zeven-jarig is. De leeftijd van leren lezen en veel meer woorden kunnen spellen dan kennen.” Afgelopen maandag werd aan A. Alberts de P. C. Hooftprijs uitgereikt. Willem Jan Otten hield de feestrede. “U schrijft alsof u door een oom boven op een kast bent gezet.”

Als je met iemand leeft zie je het wel eens gebeuren.

Je was met elkaar aan het praten en ineens ontstaat er in haar blik een floers. Er wordt niet meer geantwoord op de laatste vraag, of gereageerd op het laatste gebaar. Ze is, zoals dat eenvoudigweg heet, 'in gedachten'.

Dit duurt doorgaans maar kort, maar dat maakt het ogenblik niet minder onmiskenbaar. Degene op wier aandacht, oogopslag, respons je kon rekenen was even vertrokken. De klassieke, dwangmatige vraag die je zou willen stellen is: waar denk je aan. Het klassieke, automatische antwoord is: o, nergens aan. Dit is onbevredigend, maar het is niet anders. Het is zeker dat je, door op het moment zelf te willen weten waar zij aan denkt, die gedachte verstoort. Dat is het stampvoetverwekkende. Iemand kan met alles er op en er aan tegenover je zitten, op aanraakafstand, en toch volledig elders zijn. Soms denk je: nog erger elders dan wanneer ze er niet zou zijn. Zo elders als voor een blinde iemand die niet te horen of te ruiken is.

Zij is op zo'n moment een heiligdom - een ark gesloten om iets onaanschouwelijks. Ze is ook verontrustend. Als je, om welke reden dan ook, gevoelig bent voor verlies - dan kan het zijn dat je er onrustig van wordt. Het is alsof zij een voorschot heeft genomen op haar verdwijning. Het kan zijn dat je nu haar bewustzijn wil kraken. Zij heeft, door ergens anders te zijn, en je begrijpt niet waar, verraad gepleegd.

Meneer Alberts, u krijgt straks de grote prijs - maar u bent voor uw vele bewonderaars misschien wel de schrijver die, terwijl we hem lezen, het meest in gedachten is. Ik bedoel, u krijgt de grote prijs, maar of u er wel was, en waar u was toen we u lazen - dat is bij u veel erger de vraag dan bij andere prozaschrijvers. Uw proza heeft een uitwerking die in veel opzichten op die van poëzie lijkt, en daarmee ook wel op die van een zeepbel. Zo lang je haar volgt terwijl zij om zich zelf heen wentelt geeft zij een geheim prijs - is er niets geheimzinniger -; zodra je haar wil pakken zegt ze pats. Net als een indrukwekkend gedicht kan een verhaal van u, zo lang je het leest, of zo lang je het je tracht te herinneren, wat zeggen wil: zo lang je het celebreert, je de zekerheid geven dat er niets boven deze sensatie van geheim gaat. Dat het geheim van het bestaan het geheim is: ons vermogen om iets als een geheim te ondergaan.

Het is gevaarlijk om het beeld van de zeepbel op te roepen wanneer het om literatuur gaat. Het lijkt dan of je je neer wil leggen bij een soort l'art pour l'art, bij wat Maarten 't Hart eens 'kroonluchters die niet willen branden' heeft genoemd. Uw werk staat te boek als 'ragfijn', en 'ijl', 'kaal' en 'spaarzaam'. Iedereen die er van hield heeft altijd ogenblikkelijk begrepen dat er met minder middelen meer werd verricht. Hoe juist die observatie ook is, hij is, zo zonder meer, ook vrij zwevend. Ook van de naoorlogse nieuwbouw kunnen we zeggen dat er meer verricht is met minder, zoals ook van het televisieaanbod - meer programma's met almaar minder hersenen. Wat er ten aanzien van u mee bedoeld werd is, geloof ik, vooral dat u met uw oeuvre verwikkeld was in een proces van toenemende abstrahering - weg van de werkelijkheid, in de richting van een soort uitgezuiverd, Mondriaans proza.

Ik heb in u nooit zo'n projectmatige modernist kunnen zien; het is nooit bij me opgekomen dat uw wijze van vertellen een literair-experimenteel vormexperiment zou zijn, laat staan dat ik ooit heb gemeend dat uw werk meta-literatuur zou zijn, literatuur over literatuur, commentaar. Het wonderlijke aan uw oeuvre is juist dat het al in 1952, toen u met 'De Eilanden' debuteerde, geschreven was zoals het nu nog door u geschreven wordt. U bent begonnen in dezelfde trant als waarin u het weergaloze boek van uw oude dag hebt geschreven, 'De vrouw met de parasol'. In deze trant, die alleen van u is, en nooit school zal maken, heeft u dus ouder kunnen worden; de trant was wat een zeer oude, zeer gerenommeerde viool voor een violist is: een soort geschenk, iets wat je in bruikleen krijgt, en van meet af aan bedoeld om ook de laatste, de meest verstorven muziek van zijn bespeler te laten klinken.

J. Bernlef heeft in zijn essay 'Het zwijgende goud' duidelijk gemaakt dat uw wijze van schrijven inderdaad oer-oud is, want eigenlijk schrijft u alsof pen en papier een noodzakelijk kwaad zijn, en u liefst zonder hun tussenkomst direkt met uw vertelling op ons oor was aangesloten. Bernlef memoreert dat u uw aanvechting om te vertellen heeft opgedaan in het vooroorlogse Indië waar u als ambtenaar werkte, en waar je 'niets anders deed dan vertellen op de voorgalerij, want er was geen schouwburg, niets'.

Misschien is dat wel het oude, onverslijtbare van uw stijl - dat zij van voor de literatuur afkomstig is. Een Albertsverhaal wekt de indruk een versie te zijn van een geschiedenis die al verteld is. Het is misschien raar om uw werk met de Bijbel te vergelijken, want Kanaüns is uw tale nimmer - maar een overeenkomst is er beslist, en die heeft met dit mondelinge, bekend vooronderstellende te maken. Er wordt voortdurend iets bekend verondersteld, en dat klopt, want pas als je een Albertsverhaal uit hebt begint het te werken. Het is verschrikkelijk belangrijk om een verhaal van u uit te hebben, want als je het uit hebt begint het zich zelf opnieuw te vertellen.

Dat ik u niet als een vernieuwer of een modernist heb kunnen lezen, heeft misschien ook te maken met dat ik u pas halverwege de jaren tachtig echt ben gaan bewonderen, dank zij een herontdekking, via 'De honden jagen niet meer', dat toen zo'n zes, zeven jaar uit was. Ik was vier-, vijfendertig. Volgens mij is dat een goede leeftijd om aan u te beginnen. Het is goed om kennis met u te maken wanneer je begint te verlangen naar de stem van iemand die weet dat leven hoe dan ook steeds meer een kwestie van missen wordt.

Er wordt in uw boeken niet eens exorbitant veel gestorven, althans niet in ons lezend bijzijn. Ik bedoel: als je je realiseert hoezeer het bij u om herinneren, vergeten en herdenken gaat, dan kan het je opvallen dat sterven bij u niet per se betekent: doodgaan. Bij u raken mensen eerder vermist, en dat is iets wat heel wel kan gebeuren terwijl die iemand er nog is. Soms lijkt het alsof een belangrijk deel van uw oeuvre is afgeleid van de simpelste, algemeenste kindertijd-ervaring die er is: verstoppertje spelen. Hem niet zijn. Jezelf te goed verbergen. Merken dat iedereen gevonden wordt. De kreten om verlossing uit de richting van de buutplaats horen. Volharden in je verdwijning. En dan, wanneer het vreemd stil geworden is, beginnen te vrezen dat men je niet meer zoekt.

Dit overkomt Aart in uw eerste roman, 'De bomen', en hij krijgt op zijn kop wanneer hij toch eindelijk gevonden wordt. Je mag je niet te goed verbergen. Daarna wordt Aart door zijn oom Matthias, bij wijze van grappige reprimande, binnenshuis boven op een kast gezet. Weer is Aart ergens anders en kan hij naar de wereld kijken alsof die zich van zijn bestaan niet bewust is. En weer zou hij vergeten kunnen worden.

Dit perspectief is, geloof ik, het Albertsperspectief. U schrijft alsof u door een oom boven op een kast bent gezet. Het is zo'n beetje de afspraak dat wij uw verjaardag zouden vieren, we hebben buiten verstoppertje gespeeld, en nu zou u het middelpunt van de middag kunnen zijn, en van onze lectuur - maar op een mysterieuze manier raken we ergens diep onder u verwikkeld in de dialogen en de verhalen van de anderen.

Ik weet niet hoe het voelt om zo met je benen bengelend ergens bovenop half vergeten een verhaal te schrijven - maar wat ik ervan begrijp is dat het er juist om gaat vergeten te worden, om op te gaan in de anderen, in de bijfiguren. U creëert met dit perspectief iets soortgelijks als de dichter Wallace Stevens met de voornaamste stijlfiguur van zijn laatste gedichten. Die zegt bijvoorbeeld in een gedicht over zijn eigen gedichten: het ging erom dat zij de contouren van een karakter zouden dragen. Let wel: Stevens heeft het over zijn eigen gedichten. Hij is weliswaar oud, maar hij schrijft nog, en hij schrijft over zijn poëzie in de verleden tijd: het ging er in mijn werk om... Stevens neemt als het ware een punt na zijn dood, en probeert van daaruit te zien waar het hem nu, terwijl hij schrijft, met zijn poëzie om gaat. Hij wil het onmogelijke: alleen maar in het gedicht zijn en toch het bewustzijn zijn dat in het gedicht is. Hij wil, net als u, geloof ik, weten hoe het is als hij er niet meer is.

En zo voert u uw stoet onvergetelijke bijfiguren op, die de hoofdpersoon, of althans: het personage door wiens bewustzijn de wereld gezien wordt, lijken te vergeten. En allemaal lopen ook zij de kans vermist te raken, bijvoorbeeld door heel veel te drinken, of door opgesloten te worden in waanherinneringen, of door buitensporig kort van memorie te zijn, of door ergens, aan een of andere al dan niet denkbeeldige overzijde van een oceaan, in een ander nieuw leven verzeild te raken.

In een mooi en ver gravend essay, 'De open plek', beschrijft Kees Fens hoe uw hoofdfiguren zich onttrekken aan hun belangrijkste taak: hoofdfiguur te zijn. Volgens Fens zijn de bijfiguren duidelijker aanwezig dan de hoofdpersoon. 'Zij lijken', zegt hij, 'door de schrijver alleen maar opgeroepen (te zijn) om de aandacht van de hoofdpersoon af te leiden, hem zoek te maken'. Omdat Fens het in dit essay vooral over 'De bomen' heeft, komt hij er toe de hoofdpersoon Aart als een open plek te beschouwen.

'Een open plek in een bos', zegt Fens, 'hoort bij een bos, maakt daar deel van uit, dankt haar bestaan eraan, de open plek is zelf bos. Toch staan er geen bomen'.

Er zijn niet veel foto's van u in omloop. Ik weet niet of het juist is om in bijzijn van iemand te spreken over hoe hij er op foto's uitziet. Misschien is het juister om het meteen te hebben over hoe u er thans uitziet. Maar terwijl ik dit schrijf bent u er niet. Ik heb een keer tegenover u gezeten in uw huis in Blaricum, aan een tafel die ik me herinner als een keukentafel. We hebben toen de kopij van een groot stuk over Napoleon doorgenomen. Het zou verschijnen in Tirade, waar ik redacteur van was. Het maakt niet zo veel uit of ik het over uw foto's heb of over mijn herinnering aan die keer tegenover u zitten. Het gaat er om dat ik geen gezicht ken van een zo oud iemand dat zo zes- a zevenjarig is. De leeftijd van leren lezen en veel meer woorden kunnen spellen dan kennen.

Het is de leeftijd ook van Aart als 'De bomen' begint. De leeftijd, ten slotte, waarop je met je moeder kunt verhuizen naar een totaal nieuwe omgeving - en vervolgens vergeten dat er tot op dat moment nog iemand in het gezin was, buiten je zusje en je moeder. Dat is namelijk wat er volgens mijn vaste overtuiging in 'De bomen' gebeurt. Het is niet zeker of dit categorisch niet meer aan iemand denken wel vergeten genoemd kan worden.

Het is grappig om te bemerken dat, voor zo ver ik weet, in de kritiek nooit is opgemerkt dat deze vierde iemand op tal van manieren wordt vervangen - door een naburige boer, door een oom, door een andere oom, door een onderwijzer, door een ouder vriendje, door een aanstaande zwager... maar hij wordt niet een keer genoemd. Hij moet bestaan hebben, deze vierde, misschien bestaat hij ook nog wel, net als de almaar schimmiger wordende Wytze uit 'De honden jagen niet meer', maar hij blijft radicaal, bijna oud-testamentisch onbenoemd.

Kinderen kunnen dit - ik weet dit uit eigen ervaring van een soortgelijke verhuizing op iets oudere leeftijd. Je kunt de man die je vader had kunnen zijn als hij er was geweest totaal vergeten - en wanneer je je dat, veel later, realiseert, heb je een harde, meedogenloze les geleerd. De dood is niet dat iemand er niet meer is, maar dat je hem vergeet. Straal.

Er is een goede reden om te willen weten hoe de wereld is als zij je vergeten is.

Er is een goede reden om vreselijk dankbaar te zijn dat u uw oeuvre hebt geschreven.

Tegen het vergeten bestaat een soort remedie, een tijdelijke: lezend ervaren dat er wordt vergeten. Het is een soort bezwering, een paradoxale omkering: u bezorgt ons met het ongrijpbaarste, ontwijkendste wat er is, - mensen die missen -, de sensatie in aanraking te komen met iets essentieels en middelpuntigs: ons verlangen. Zo lang we niet willen vergeten hebben we reden om u te lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden