Feest van de ontmaskering

Het echte kerstverhaal is 'het harde verhaal van een zwangerschap die twee mensen te gronde dreigt te richten'. Volgens theoloog Matthias Smalbrugge is Kerstmis geen feest van romantische saamhorigheid, want dan 'verschrompelt het majestueuze libretto van Lucas tot een povere operette'.

door Matthias Smalbrugge

Kerstavond. Tijd derhalve dat de wijzen, koningen en herders in het huidige godsdienstdebat hun plaats innemen. Vanavond kan Ayaan Hirsi Ali de gesmade Maria spelen, Balkenende de Jozef die ervan droomt Maria in stilte te verstoten, Donner en Remkes de wijzen uit het Oosten. Kruip eens in die personages! Niet om voor een zoveelste keer goud, wierook en mirre aan de eigen idealen te offeren, maar om juist de dubbele bodem ervan te ontmaskeren. Want Kerstmis is geen feest van romantische saamhorigheid, geen kruising tussen Dickens en het betere shoppen, het is een oud narrenfeest dat een mens uitkleedt en bekleedt, beschimpt en verhoogt. Geënt op de Romeinse Saturnalia, een feest waarbij de rollen van meester en slaaf werden omgedraaid en men elkaar geschenken gaf, speelt Kerstmis met omkeringsmotieven: donker wordt licht, maagd wordt moeder en god wordt mens. Een tocht naar de waarheid achter de werkelijkheid.

Maar gelovigen en ongelovigen hebben geen behoefte aan ontmaskering en prefereren de veilige romantiek. Veilig dwepen met een oud verhaal zonder risico erdoor geraakt te worden. Dromen over mensen van goede wil -dat zijn wij -die natuurlijk het hart op de juiste plaats hebben. Die dus het arme zwangere meisje graag hun eer en sympathie betuigen, als navolgers van de il-lustere wijzen en herders. Zo verschrompelt het majestueuze libretto van Lucas tot een povere operette. 'GTST' in bijbelse tijden, want wij blijven romantisch dromen over 'vrede op aarde' en denken dat we daar werkelijk naar verlangen.

Het woord 'vrede' roept associaties op met zwijgende wapens, families die hun conflicten bijleggen, religies die slechts het voertuig zijn van tolerantie en naastenliefde. Is dat waar we werkelijk naar verlangen? Of dromen we vooral van vrede om het eigen zelfbeeld als vredelievende mensen te redden? Ongetwijfeld dat laatste, want het is niet zo aantrekkelijk je te realiseren in welke mate twistzin en moordzucht essentiële stukken van de eigen identiteit zijn. We zeggen dat we naar vrede verlangen, maar we verlangen allereerst naar het beeld van onszelf als mensen van goede wil. De vrede zelf wordt dan onbereikbaar, omdat er geen demasqué van de dromer aan voorafgaat. En dus zal de 'vrede op aarde' nog wel even in de hemel blijven. Dromen zijn immers niet geïnteresseerd in vervulling, maar in het eigen voortbestaan, dus in onvervuldheid. Dromen zoeken niet naar vervulling, naar troost, maar juist naar ontroostbaarheid. Dromen met Kerst is niet gericht op 'troost, troost mijn volk', maar op de ontroostbaarheid van eeuwig verlangen. Geen narrenspel, geen dromen die uitkleden en bekleden, geen rollen die de werkelijkheid in waarheid omkeren.

Vandaar dat we nog wel een aantal eeuwen Kerst zullen vieren, zelfs als het christendom niet meer zou bestaan, omdat we aan die omkering geen boodschap hebben. Kerst wordt een onschuldig lichtjesfeest zonder nog een echt spel met het clair-obscur van het leven te zijn. De gevolgen van het ont-breken van dat demasqué zijn drieërlei: een maatschappij met een hysterisch karakter, een cultuurrelativisme dat idealiserend en toedekkend werkt, en een politiek correcte mode van 'goede bedoelingen' om de zaak bij elkaar te houden.

Eerst het hysterische karakter van onze maatschappij. Wat gebeurt er als je de om-kering niet meer echt verbeeldt, zoals eigenlijk in het kerstverhaal? Dan gaat zij ondergronds. Freud heeft dat uit de doeken gedaan in zijn studiën over hysterie. Uitgaand van het idee dat onbewuste conflicten een mens teisteren, vroeg hij zich af hoe zo'n conflict stem krijgt in het leven. Dat kon op vele manieren, waaronder die van de hystyrie. Kenmerk is het onbewuste theater dat mensen van hun leven maken. Gebeurtenissen, gevoelens en verlangens worden op zodanige wijze gedramatiseerd dat je de indruk krijgt zowel met een heel gevoelig persoon te maken te hebben, als met een toneelspeler. Beide kloppen, maar je krijgt de vinger er niet achter. De persoon in kwestie ervaart zich als echt, maar kan de dramatisering niet in de hand krijgen. Hij kan bijvoorbeeld plotseling verlamd raken aan een arm of been, zonder dat daar een fysieke oorzaak voor valt aan te wijzen. De geest speelt een narrenspel met het lichaam zonder dat het nog begrepen wordt, de omkering is ondergronds gegaan. Het verleden komt vertekend terug in het heden en maakt op onontwarbare wijze deel uit van het heden. Je wordt de speler van je eigen verleden zonder dat te begrijpen, kind en volwassene lopen in je persoon door elkaar. Wie je bent is een verschuivend beeld, als een telkens wisselend toneelstuk.

Een fascinerend beeld, en hoewel hysterie niet meer figureert in de officiële diagnostische handboeken, valt er veel voor te zeggen onze maatschappij te kenschetsen als hysterisch. De cultuurfilosoof Christopher Lasch noemde de maatschappij nog narcistisch en dacht daarbij aan ziekelijke aandacht voor het onszelf. Het is veel erger, wie wij zijn is allang niet meer duidelijk, onze identiteit is een steeds verschuivend beeld van emoties, bedoelingen, verlangens. We hollen van emotie naar emotie, huilen mee bij elke tv-begrafenis en hebben nauwelijks door waar verdriet overgaat in genieten. We kennen nog slechts twee soorten mensen, zij die kwetsen en zij die slachtoffer zijn, en spelen beide rollen met verve. Want wie we zijn, geldt slechts zolang de voorstelling duurt. Het beeld blijft verschuiven: we hebben pijn en we spelen pijn. We kijken naar Sex and the City en zijn voyeur van onszelf, Madame Bovary revisited. Gevolg: de draaikolk van emoties wordt een drug, er is een diep verlangen naar ontroostbaarheid, de behoefte om steeds een nieuw spel op te kunnen voeren. Of het nu de politiek is of het persoonlijk leven, er volgt geen demasqué meer. De grote verhalen die dat konden bewerkstelligen, zijn bij het vuilnisvat gezet of vervluchtigd in romantiek. Toch zou je kunnen vermoeden dat echte troost voortkomt uit een nieuw samenspel van religie en ratio, waarbij beide ontmaskerend werken ten opzichte van elkaar.

Het tweede punt, het cultuurrelativisme.

Het heeft zijn beste tijden gehad, maar zodra het gaat over religie, speelt het sterk op. Religie, zo lijkt vaak de opvatting, is een obscuur verleden dat we eigenlijk achter ons moeten hebben gelaten. Zo schreef Siep Stuurman in NRC Handelsblad van 20 november over 'religie als een verleden waar men steeds afscheid van neemt, maar dat niet echt voorbij wil gaan'. Er sprak grote verba-zing uit over het feit dat het steeds maar niet lukt om religie te vergeten. Dat het, in tijden van spanningen tussen religieuze allochtonen en niet-religieuze autochtonen, mensen niet lukt te begrijpen dat ze hun angst op elkaar projecteren. Knip toch het licht der rede aan en zie, de spoken verdwijnen!, lijkt de oproep van Stuurman. Juist daarom scheren cultuurrelativisten alle religie graag over één kam. Religie zou niet meer hoeven bestaan in verlichte ogen en als het dan toch terugkeert, laten we het dan vooral zien als projectie van angsten. Wat doe je dan met die onverwachte terug-keer van religie? Verban haar naar het privé-leven, het enige domein dat de rede nog aan een dergelijke folie kan toestaan. Ieder is tenslotte verantwoordelijk voor zijn eigen gekte, nietwaar? Wat au fond de stem is van het vooruitgangsoptimisme dat de wanhoop in de eigen hoop (dat religie zal verdwijnen) ontkent en niet serieus neemt. De stem van het brave liberalisme, VVD tot en met GroenLinks, dat uitgaat van een curieuze tweedeling tussen goed en kwaad, waarbij het goede staat voor de ratio en de waarden van de Verlichting en het kwade voor religie. Weer die troosteloosheid van een onbegrepen splitsing, een omkering in het eigen bestaan. Ben je nog religieus? Ziek het vooral uit in de privé-sfeer. Maar laat ons in de waan dat de mens goed is, dat hij een 'redelijk dier' is. Helaas, mensen zijn niet redelijk en blijven ongeneeslijk religieus. Ze blijven dat bovendien in een bepaalde culturele setting en de vraag is dus of religie echte troost biedt of meegaat in de trompe-l'oeils van de rede. De rede die zal blijven verlan-gen naar iets dat niet gebeurt, die de eigen troosteloosheid cultiveert.

Wat ons bij het laatste punt brengt, de 'goe-de bedoelingen'. In Nederland word je be-oordeeld op je goede bedoelingen en niet op je resultaten of handelen, en kerken zijn daarvan de meest opvallende spreekbuis. Een recente kanselboodschap van de Protestantse Kerk in Nederland, na de moord op Van Gogh, meldde reeds dat we het 'goede voor elkaar dienen te zoeken'. Extremisme is in die visie natuurlijk vervelend, maar wordt toegeschreven aan slechts een zeer kleine minderheid binnen de echte en 'goede' islam. Want mensen van goede wil, wat ook hun geloof is, zullen elkaar toch altijd de hand reiken, nietwaar? Ook dat is een uiting van cultuurrelativisme, maar nu in zijn religieuze gedaante.

De Duitse theoloog Bonhoeffer schreef in zijn gevangenschap (1944): 'Wij dachten dat wij slaagden in het leven door redelijk te zijn en het goede te doen en als beide faalden, zagen wij geen mogelijkheid meer open. Ook in de historische ontwikkeling hebben wij telkens weer het belang van het goede en het redelijke overschat'. En: 'Wij hebben te sterk in gedachten geleefd en gemeend dat het mogelijk was, door het afwegen van mogelijkheden iedere daad tevoren zo zeker te stellen, dat ze vanzelf tot stand kwam. Iets te laat hebben wij geleerd dat de oorsprong van een daad niet ligt in de ge-dachte maar in de bereidheid verantwoordelijkheid te dragen.'

Je kunt dergelijke teksten niet ter harte nemen en toch doorgaan met 'het goede voor elkaar te zoeken'. Dan ontkennen we dat het christendom vanaf het begin heeft geïnsisteerd op het feit dat de mens het goede helemaal niet wil en dat je hem op dat vlak met gepast wantrouwen tegemoet moet treden. Dat Paulus al schreef dat de wil verdeeld was in zichzelf en dat morele geboden, het vertrouwen op het goede in de mens, niet de juiste insteek is voor geloof. Dat de Reformatie juist daar zijn uitgangspunt in zocht en geloof niet meer wilde zien als plichtenleer. Dan ontkennen we au fond het moreel faillissement van het christendom na WO II. Nee, ook dit religieus cultuurrelativisme ontkent de demaskerende kracht van religie en denkt dat we echt van 'vrede op aarde' dromen.

Kortom, het cultuurrelativisme degradeert het kerstfeest tot het verlangen naar ontroostbaarheid, het kent slechts de monocultuur van ratio en goede bedoelingen.

Het echte kerstverhaal daarentegen staat in het teken van 'Troost, troost, mijn volk' (Jesaja, 40). Troost die niet in het verlengde ligt van het besef dat een mens zo goed zou zijn, maar die een mens verheft nadat hij zichzelf verloren heeft. Troost die geïllustreerd wordt in dat harde verhaal van een zwangerschap die twee mensen te gronde dreigt te richten. Twee mensen die alleen maar troost kunnen vinden na dit failliet door de zwangerschap aan God toe te schrijven. Twee mensen die gedwongen worden de rol van vrouw, man, maagdelijkheid tegen het licht te houden en dus, à la Bonhoeffer, verantwoordelijkheid te nemen voor oud en nieuw in het leven, identiteit en verande-ring.

Er sneuvelt nogal wat aan brave romantiek, zoals de cultivering van de maagdelijkheid, het verstotingsrecht en honorabele familiegeschiedenissen. Het wordt allemaal ontmaskerd in de zoektocht naar troost. Want Maria wordt niet getekend in het kader van een plichtenleer, als feilloze vrouw, zij wordt getekend als iemand die de kloof in het eigen bestaan onder ogen moet zien (hoezo zwanger, bezoek gehad van een engel van een man?) en verantwoordelijkheid moet nemen. Een vrouw die op andere gronden dan haar eigen voortreffelijkheid een omgang met God weet te creëren. De stille ervaring van transcendentie waar ooit verzoening uit wordt geboren. Een vrouw die erkent dat geloof een volstrekte eerlijkheid afdwingt over de dubbele lagen in het bestaan en dat het geen hysterie verdraagt.

Een vrouw die beseft dat zij in het moeras van de goede bedoelingen is terechtgeko-men en op een andere kracht zal moeten vertrouwen om daaruit te komen.

Zouden we dat weer zien, dan zouden we de ontroostbaarheid voorbij zijn en eindelijk eens van troost kunnen spreken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden