Farid Azarkan

'Wilders had het over kopvoddentaks. Doek was te netjes, hoofd was te lief, het werden kopvodden.' (FOTO MARK KOHN)

„Het land staat in brand”, zei Tweede Kamerlid Laetitia Griffith toen Marokkaans-Nederlandse jongeren in Gouda gingen relschoppen. Farid Azarkan, voorzitter van SMN (Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders), verfoeit zulke ’populistische hijgerigheid’.

De ochtend is er een vol afspraken. Dat is dagelijkse routine in werkweken van zestig, zeventig uur. De middag heeft Farid Azarkan gereserveerd voor een lang interview. Thuis in Culemborg, met zon in de achtertuin, een pot muntthee op tafel, drie reusachtige dwergkonijnen op het gazonnetje en drie kinderen die ze bemoederen, vertroetelen en kunstjes leren.

Hij is wat later. Zijn laatste afspraak was in het cafetaria in Schoonhoven dat zijn broer beheert en dat ze samen bezitten. Er kwamen controleurs. Ze hadden, zo zeiden ze bij binnenkomst, twee uur uitgetrokken voor het checken van de papieren en het inspecteren of alles aan de kwaliteitseisen voldoet. Zij wel. Azarkan had die tijd niet. „Het kon blijkbaar ook binnen een half uur”, zegt hij lachend.

Hij is nog snel langs de markt gegaan om mediterrane hapjes te kopen en vers brood. Daar stond hij toen zijn dochter Samira (10) belde: „Papa, kom je? Je bezoek is er.”

Mooi jaren-dertig-huis, grote tuin, mooie plek. Zijn begin was anders. Hij werd geboren in 1971 in een minigemeenschap van drie huizen, net buiten het dorp Beni Bouayach in het noordelijke Rifgebergte. Geen gas, geen stromend water, geen licht. Geen vader in de buurt. Die werkte sinds 1968 in de zilverfabriek in Schoonhoven.

Op achtjarige leeftijd verhuisde de rest van het gezin naar Nederland, waar vader niet veel later werkloos werd. „We leefden met negen kinderen van een uitkering. Het meeste daarvan ging op aan eten. In de grote stad ben je op de markt veel goedkoper uit, dat was voor veel Marokkaanse Nederlanders reden om voor een grote stad te kiezen. Wij bleven gelukkig in Schoonhoven wonen. Daar waren we een kleine minderheid die gewoon mee moest doen met de meerderheid. Er was geen keuze. In zo’n kleine gemeenschap is het ons-kent-ons, en wij hoorden daarbij. ”

Zwarte wijken, zwarte scholen: daar beginnen volgens hem heel veel problemen. De ’intensieve Marokkanenhouderij’, noemt hij het.

Ik ben naïef geweest, zegt hij. „Ik ging er lang van uit dat elke nieuwe generatie Marokkaanse Nederlanders het beter zou doen dan de vorige. Maar dat is niet zo. Mijn generatie, de tweede, heeft de normen en waarden van hun ouders meegekregen. Weet wat het is om weinig te hebben. In onze opvoeding kregen we klappen, maar we leerden nog met respect met elkaar om te gaan. Wij hebben van dichtbij gezien hoe je moet knokken voor beter; er was geen andere optie dan slagen. Onze vaders hebben hun moederland verlaten, hun gezinnen een paar jaar achtergelaten op zoek naar een betere toekomst. Daar zijn we dankbaar voor. Maar mijn broertje is veertien jaar jonger, hier geboren. Dat is toch echt een andere generatie, een ander begin.”

Na de havo koos hij voor de Hoge Hotelschool in Leeuwarden, vervolgens studeerde hij in de avonduren beleid, communicatie en organisatie aan de VU in Amsterdam en deed nog een master of science in vastgoed. Hij was op zijn achttiende uit huis gegaan, kreeg een briefje van duizend gulden, een bed en een tas met kleren mee.

„Ik ben boos op mijn vader geweest. Hij is sinds 1985 jaar werkloos. Ik vind het verdrietig dat hij zo weinig heeft meegedaan in de samenleving. Ik ben een tijd nauwelijks thuis geweest. De sfeer was er niet positief, mijn vader die daar maar zat... dat was niet inspirerend.”

Het is wat volgens hem veel jongeren ontmoedigt: de situatie thuis. Vaders die als gastarbeiders kwamen maar al snel afgedankt werden. Of zich aan de kant gezet voelden. Heel weinig geld, grote gezinnen, kleine behuizing. Uitzichtloosheid.

„Veel van die jongens die overlast veroorzaken en later in de criminaliteit komen, zien hun kansen niet. Hebben het gevoel dat de samenleving ze uitkotst. Niets om voor te knokken, dan ben je bevattelijk. Dan heb je geen rem.”

Zelf liet hij de verlammende sfeer van frustratie, moedeloosheid en berusting achter zich. Studeerde, maakte carrière en trouwde in 1999 met de Limburgse bedrijfseconome Christianne Cornelissen. Toen had hij nog vrije tijd en die bracht hij deels door op de golfbaan.

Na de aanslagen van 11 september en de moorden op Fortuyn en Van Gogh veranderde zijn Nederland. En hij veranderde mee. Azarkan ergerde zich aan het inhakken op de Marokkaanse gemeenschap, vond dat er weinig weerwoord werd gegeven. Dat moet anders, dacht hij. „Maar dan moet je ook bereid zijn zelf een bijdrage te leveren.”

Hij raakte betrokken bij minderhedenorganisatie SMN (Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders).

Hij werd directeur, als tweede baan. En kwam steeds vaker op tv en in de krant, omdat ze hem wisten te vinden. En omdat er steeds weer incidenten waren. Rond ’haat-imams’ of ’straattuig’.

Iedereen wil een held zijn, er toe doen, zegt hij. „Ik heb het achttien jaar meegemaakt. Ik weet hoe het voelt als je minder hebt dan je vriendjes, je vader niet werkt, je wel een huis hebt maar geen thuis, je niet voor vol wordt aangezien.”

„De samenleving heeft last van puberjongens. Je ziet geen dertigers een lesbisch stel wegpesten. We kunnen niet wachten tot het vanzelf overgaat, tot die jongens volwassen zijn.

Hij heeft het over een horrorscenario. Marokkaans-Nederlandse jongeren zijn oververtegenwoordigd in justitiële trajecten, ondervertegenwoordigd in reguliere hulpverlening. „We herkennen de problemen niet bijtijds. En als er problemen zijn, werken instanties langs elkaar heen.”

Perspectief bieden: goed onderwijs, een baan. Daar zou het integratiedebat volgens hem over moeten gaan. Over taalachterstand. Over ander huisvestingsbeleid. Over 40 procent van de Marokkaans-Amsterdamse jongeren die op de armoedegrens leeft. „Maar het debat gaat bij ons over hoofddoeken, straatterroristen en islamisering.”

„De PVV noemt mij de huisbagatellist van de Marokkaanse gemeenschap. Met schelden kun je geen land regeren. Vergelijk het met het kind op het speelplein, dat continu ettert en provoceert en dan begint te huilen als er niemand meer met hem wil spelen en krijst: ik word buitengesloten. De PVV jankt, maar sluit zichzelf buiten.”

„Wilders had het over kopvoddentaks. Doek was te netjes, hoofd was te lief, het werden kopvodden. Hier werden doelbewust mensen gekwetst. Een geintje? Proefballonnetjes? Nee, dat is me te mager. Het tegengaan van de islamisering van Almere? Dat is hetzelfde als het aanpakken van prostitutie in Staphorst. Populistische prietpraat.”

Hij vertelt over een discussie die hij onlangs voerde met Anita Fahmel van Leefbaar Rotterdam. „Die kwam bij me met een verhaal over ontmoetingsplaatsen van Marokkaanse homo’s in het Kralingse Bos. Die homo’s moesten elkaar daar dan stiekem ontmoeten, terwijl ze overdag met hun vrouw hand in hand over straat gaan. Ze vond dat schandalig. Dat komt door jullie geloof, zei ze.

„Ik zei: het is goed dat u dat constateert, wat gaan we eraan doen? Maar een plan om moslimhomo’s te helpen, tja, dat is natuurlijk niet geloofwaardig voor mensen die tegen moslims zijn. Ze roepen zoiets alleen om er even snel politieke zieltjes mee te winnen.”

Hij juichte de kandidaatstelling van Job Cohen bij de PvdA van harte toe. Azarkan gaf aan dat Cohen in de ogen van de eerste generatie Marokkanen veel meer een staatsman en vader des vaderlands is dan Wouter Bos. „In deze groep is er behoefte aan een man met de statuur van Kok en Den Uyl”, zei hij.

Het werd hem niet in dank afgenomen. „Het was geen stemadvies. Maar toch moet ik het zó niet meer doen. Ik kreeg te horen dat ik politiek-neutraal zou moeten zijn. Maar waarom eigenlijk? Uit onderzoek blijkt dat 70 tot 75 procent van onze achterban PvdA stemt.”

Kiezers waren volgens hem teleurgesteld in PvdA door ’het gedraai rond Uruzgan’ en een ’keiharde integratienota’. Dat leverde onder meer stemmen op voor GroenLinks en D66.

Azarkan ziet D66 alleen maar groeien als tegengeluid voor de PVV. Maar hoe verder, dat hoort hij niet van Pechtold. De VVD vertolkt volgens hem op een fatsoenlijke manier het geluid van de witte woede, het CDA ziet hij het contact met de samenleving verliezen. „Mijn kinderen zitten op een katholieke school. Ook moslims geloven in christelijke normen en waarden, en naastenliefde. Maar de deur naar het CDA lijkt dicht. Ik kom tijdens bijeenkomsten van die partij af en toe een verdwaalde Surinamer tegen”

Dat de moslimpartijen nauwelijks steun kregen, ziet hij ook als een signaal. „Dat vind ik echt opvallend. We zijn in het debat steeds vaker allemaal moslims, in plaats van Marokkanen. Maar al die moslims stemmen dus niet religieus. Dat is toch ook integratie?

„Het is nu blijkbaar mode te zeggen dat je niet in de multiculturele samenleving gelooft. Hoezo geloven ze daar niet in? Waar zijn ze dan geweest de afgelopen vijftig jaar, sinds de komst van de eerste gastarbeiders? Onder welke steen zaten ze verstopt? De multiculturele samenleving: dat is de straat, de praktijk van alledag. Zeg dan dat je niet gelooft in samen leven, samen dingen bereiken.

„Of zeg dat je die kleine groep djihadisten vreest, of mensen die hier heel eventueel misschien volgens de sharia zouden willen leven. Dat piepkleine groepje waar Ayaan Hirsi Ali ons bang voor maakt, waar Wilders en Leefbaar Rotterdam met die zogenaamde islamisering van de samenleving voortdurend naar wijzen.”

Hij wijst liever op de Nederlandse geschiedenis van honderden jaren waarin katholieken, gereformeerden, protestanten, communisten en liberalen er „wonderwel in zijn geslaagd samen te leven”. De overheid zorgde er volgens hem voor dat het kruit nat werd gehouden: al die groeperingen werden bij elkaar gehouden.

„Nu hebben we een relatief kleine, nieuwe groep die hier in vijftig jaar geleidelijk is gekomen. Die in die vijftig jaar ongelooflijk grote stappen vooruit heeft gezet, qua taal, opleiding, participatie en inkomensontwikkeling. Allochtonen zijn politiek actief, we doen leuk mee in de economie en in het hoger onderwijs. Moet je eens kijken hoeveel goede Marokkaans-Nederlandse voetballers er in de eredivisie rondlopen. Voor de mooie dingen zijn we blind: Het gaat hartstikke goed met de integratie. Laten we toch niet vergeten dat de overgrote groep allochtonen hier gewoon geniet van de vrijheid en welvaart, van de kansen die je in Nederland hebt.”

„Papa, waarom praat je zoveel?” vragen zijn zoons Tariq en Yassin (8 en 6 jaar). Dat hun vader een keer vroeg thuis is, is pure winst. Maar dat hij geen tijd heeft om mee te spelen, valt wat tegen.

De thee op de tuintafel heeft plaatsgemaakt voor koffie met koekjes.

Niet vergoelijken wat hartstikke fout is, eerlijk benoemen. En dat mag soms keihard. Dat is Azarkans stijl. Strak in het pak, accentloos, welbespraakt voert hij het woord en werd hij het gezicht van een nieuwe generatie die de problemen in eigen kring aanpakt. „Het is over en sluiten met de slachtofferrol. Ik zeg altijd: stop met klagen, kom met ideeën, werk aan oplossingen. Er moet een einde komen aan die overlast en criminaliteit. Maar laten we ook investeren in jongens en meiden die graag willen. Laten we wat doen aan de gevoelens van uitsluiting, aan ongelijkheid in onderwijs en op de arbeidsmarkt.”

Ik hou ervan voorop te lopen, zegt hij. Toen rond de jaarwisseling de problemen tussen Marokkaanse en Molukse buurtbewoners in de Culemborgse achterstandswijk Terweijde escaleerden, stond hij weer voorop. „Het kwam dichtbij.... In mijn eigen woonplaats. Ik heb heel even nagedacht over de risico’s, voor mij, voor ons, voor de kinderen. Maar het moest. Het beeld dat werd geschetst was te zwart-wit. Het is overal hetzelfde: in Culemborg, Ede, Zaltbommel en Veenendaal. Het beeld van Marokkaanse daders, autochtone slachtoffers. Maar zo makkelijk is het niet. Ook Marokkaanse Culemborgers hebben last van overlast, zijn de dupe van criminaliteit en hopen dat politie en politiek ingrijpen.”

Om Terweijde van probleemfamilies te ’verlossen’, kondigden gemeente en woningbouwcorporatie een waarschuwingssysteem aan. Bij overlast van het gezin in de buurt, zelfs als de zoon rotzooi trapt een paar straten verderop, wordt gewaarschuwd, de tweede overtreding levert een gele kaart op. Twee keer geel is ’rood’, waarna bij de rechter een huisuitzettingsprocedure in gang wordt gezet. Hoe hard en meedogenloos ook, Azarkan steunt dat idee. „Als hun kinderen er een teringzooi van maken, als het binnen de wettelijke grenzen kan, als het goed gefundeerd en zonder aanzien des persoons is. Dus niet een speciaal Marokkanenwetje. Om deze misstanden op te lossen, moeten we nieuwe wegen inslaan.”

Rücksichtslos: „Ik behartig de belangen van de goedwillende, overgrote meerderheid. Ik ga het niet opnemen voor mensen die er een rotzooitje van maken. Die moeten een advocaat nemen.”

Heel langzaam melden zich steeds meer medestanders. Er was geen solidariteit om iets te organiseren, om een ander geluid te laten horen, ervoer hij. „Individualisering: dat is ook integratie. Ook veel Marokkaans-Nederlandse jongeren zijn vooral met hun eigen carrière bezig. En dat in een moeilijke samenleving, met hun eigen sores en vaak nog de verantwoordelijkheid voor een hele familie. Die mentaliteit van de eerste generatie, die moet terug”, zegt hij. „We moeten elkaar ondersteunen.”

Dat gaat dus nog niet vanzelf. Zo’n prominente plek in het debat, voor de camera, achter de microfoon, heeft zo zijn nadelen. „Mensen denken toch: Laat die Azarkan het maar opknappen. Die zal er toch wel veel aan verdienen. Ze geloven vast niet dat dit een hobby is van soms 35 uur in de week, tegen een kilometervergoeding die ik vaak niet eens durf te declareren.”

Als hij weer te laat thuis komt om zijn kinderen op bed te leggen, of weg moet als er iets leuks op school is, bekruipt hem dat gevoel wel eens: waarom? „Soms word ik er moedeloos van. Al dat gevlieg, geknok, dat overtuigen: Waar doe je het voor? Heeft het allemaal nut?”

Maar er zijn hoopgevende ontwikkelingen. Die houden hem op de been. „Pas, hier in Culemborg, bij een politiek debat. We hadden 200 man binnen, waarvan 100 jongeren. Er stonden slimme jongeren op, die trokken eindelijk hun scheur open. Dat ze de overlast zat zijn, dat ze iets willen doen om de sfeer te verbeteren. Dat is talent dat je een beetje richting kunt geven.”

Hij is bekend van het brandjes blussen, maar SMN doet veel meer, al 23 jaar. En dat is eigenlijk werk waar hij veel liever over praat: de opbouwwerkzaamheden. „Onze eigen agenda.” Hij somt op: afgelopen week werd, na twee jaar voorbereidend werk, een Marokkaanse ouderenbond opgericht. SMN traint al vier jaar jongeren tegen radicalisering, doet projecten op het gebied van arbeid en onderwijs. „Met een paar betaalde krachten die erg betrokken zijn, een goed bestuur en veel vrijwilligers zijn we dag in dag uit bezig met het werken aan een mooie samenleving.”

Hij maakt lange dagen. Maar: „Ik kan niet alles in één dag oplossen, niet alle taboes doorbreken. Het is noodzakelijk dat we flinke discussies voeren in de lokale Marokkaans Nederlandse gemeenschappen. De man-vrouw-verhouding in Marokkaanse gezinnen, overlastgevend gedrag van jongeren, eergeweld, normaal doen tegen homoseksuelen: er liggen nog aardig wat uitdagingen. Aan het verleden kunnen we niets meer doen, aan de toekomst wel.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden