Fantastique!

'Tot slot moeten we nog een pijnlijke vraag beantwoorden: welke opnamen zijn gewoon slecht? Van mijn 186 opnamen zou ik ruim driekwart niet willen missen en de 35 à 40 die ik nooit meer hoef te horen: zand erover.' De pedagoog Hugo Röling, liefhebber van muziek, vergelijkt 186 uitvoeringen van de Symphonie Fantastique van de Franse componist Hector Berlioz (1803-1869). 'Van Pierre Monteux zijn wel tien opnamen bekend. Ik ken er zeven. Met de oudste (Orchestre de Paris, 1930) was de maestro zelf zeer gelukkig, maar de opname is niet goed te beoordelen door het beroerde geluid. Het is alsof je, te laat op een concert, alleen vanachter de gesloten deur iets geweldigs hoort gebeuren.'

De Fantastique is zo'n stuk dat altijd als mijlpaal genoemd wordt in overzichten van de ontwikkeling van de symfonie. Waar andere componisten negen symfonieën nodig hadden, is de Fantastique die allemaal in één. Met niets en niemand ontziende onmatigheid worden de ideeën over je uitgestort. Hier realiseerde Hector Berlioz wat hij zo in Beethoven bewonderde: als het goed gespeeld werd, wist je na afloop niet meer waar je hoofd zat.

De eerste vraag die je je stelt bij het zoeken naar de ideale Fantastique is natuurlijk: hoe deed hij het zelf? Daarbij moet je door nogal wat tegenstrijdig bronnenmateriaal heen. Enerzijds afficheerde Berlioz zich als een sensatiezoeker. In zijn correspondentie voert hij steeds het 'effect' van de muziek op als maat voor het succes van een concert. Het publiek moest in een staat van duizelende opwinding de zaal verlaten. Er zijn ooggetuigen die beschrijven hoe Berlioz als een bezetene heen en weer sprong om het orkest te laten doen wat hij wou. Daarentegen zien we op de beroemde karikaturen hoe in de zaal een pandemonium uitgebroken is, terwijl Berlioz kaarsrecht koeltjes de maat staat te zwaaien. Rimsky Korsakoff was bijna verbaasd hoe sober Berlioz in St Petersburg dirigeerde. Hij deed daar de Fantastique, zijn allerlaatste, in december 1867. ,,Berlioz' maatslag was eenvoudig, helder, mooi. Geen enkel grillig vertoon in de nuances.'' Maar de arme Berlioz was dodelijk vermoeid en ziek tijdens die laatste Russische tournee. Zou hij in zijn jongere jaren niet wat meer tekeer zijn gegaan? Bekend is ook zijn uitspraak dat de goede dirigent beschikt over een warm hart en een ijskoud hoofd.

Ik ken geen andere compositie die in de verschillende uitvoeringen zo uiteenlopend aangepakt wordt. Elke dirigent brengt wel een detail naar voren dat je nog nooit zo gehoord hebt. Ik mag mij de gelukkige eigenaar noemen van 186 Fantastiques op lp, cd en dvd/video. De dirigenten die echt een opvatting over dit stuk willen overbrengen, zijn volgens mij in drie types in te delen.

In de eerste plaats is er het snelle analytische type: alles lijkt logisch, ze laten met vaart en precisie spelen, en verder niet knoeien. Maar subtiel variëren van tempo en intensiteit tilt de beste uitvoeringen van dit type naar het hoogste niveau. Er zijn misschien geen grote verrassingen, maar je hoort een consequentie, een greep op de noten, die je bij de strot pakt. Voordeel: zo staat het er. Nadeel: is vaak voorspelbaar en dreigt vlak te worden. Vooral Franse dirigenten vallen onder deze noemer.

Het tweede type wordt gevormd door dirigenten die meer uit deze muziek willen halen. Diepgang! Het tempo is kalmer, details worden uitgespeeld, tempowisselingen ingehouden gerealiseerd. Je mist nogal eens het vuur, maar op momenten waar andere dirigenten er overheen jagen, krijgt Berlioz een intensiteit die verloren gaat bij te nadrukkelijk effectbejag dat, toegegeven, door de meester ook voorgestaan werd. Maar is de echte opwinding er wel? Voordeel: gedetailleerd, je denkt dat je alles hoort. Nadeel: mist vuur en vaart.

Ten derde heb je de bewegers. Die zijn steeds bezig ergens naar toe te werken en weer af te bouwen. Niet alleen waar Berlioz 'animez', 'un peu plus vite' voorschrijft of waar 'retenu' staat of om een 'rallentando' gevraagd wordt, brengen deze dirigenten een accent aan (de partituur staat vol met dit soort aanwijzingen). Nee, elke climax, elk partituurcijfer is aanleiding om iets nieuws te gaan doen, eens flink op hol te slaan of de boel geheel stil te zetten. Voordeel: sensationeel en meeslepend. Nadeel: het staat vaak niet in de noten en wordt meestal knap vermoeiend.

Mijn eerste referentie is Pierre Monteux. Grote greep, helder, no nonsense. Subtiele veranderingen in nadruk en tempo maken dat de muziek ademt en enorm drama meekrijgt. Hij had het van Edouard Colonne, de man die de Berlioz-revival in Frankrijk aan het einde van de negentiende eeuw gestalte gaf. In diens orkest voerde Monteux een jaar of tien de altviolen aan, voordat hij zijn dirigentenloopbaan begon. Via Colonne is Monteux de meest directe erfgenaam van Berlioz in het fonografische tijdperk. Van Monteux zijn wel tien opnamen bekend. Ik ken er zeven. Met de oudste (Orchestre de Paris, 1930) was de maestro zelf zeer gelukkig, maar de opname is niet goed te beoordelen door het beroerde geluid. Het is alsof je, te laat op een concert, alleen vanachter de gesloten deur iets geweldigs hoort gebeuren. Maar de mooiste van Monteux vind ik de Vara-opname met het Concertgebouworkest uit 1948. Dat is dan ook mijn desert island-Fantastique, als ik er maar één mag meenemen. Het orkest volgt geweldig in een adembenemend concert. Ook hier gaat van alles mis, maar dat kan niet anders wanneer je met zoveel overgave en risico voor het hoogste gaat. Monteux is beslist flexibeler en avontuurlijker dan in zijn latere jaren, maar soms klinkt hij vlak. Haalt hij er wel alles uit? Gaat hij echt tot de bodem van deze geweldige partituur?

Voor meer diepgang moet je Colin Davis hebben. Doordacht, gedetailleerd, ook mooi ademend, laat dingen horen die weinig dirigenten er uit halen. Offert nooit een passage op om een speciaal effect uit te laten komen, alles is in balans. Zijn timing is geweldig en ik ken geen dirigent die zo met Berlioz vanuit de lage noten, de bassen denkt. De verschillen tussen zijn opnamen zijn relatief klein: Davis is hooguit wat feller geworden met de jaren, maar dat maakt hem alleen maar beter. Een waarschuwing is wel op zijn plaats: Sir Colin zingt steeds harder mee. Zijn laatste wordt er ongeveer door verpest, terwijl er héél erg goed gespeeld wordt. Maar verder: is Davis niet te flegmatiek, heeft de muziek bij hem wel het maximale effect? Is de pure opwinding er wel?

Wie een sensationele Fantastique zoekt, waar de dirigent echt iets aan de partituur toevoegt, kan terecht bij Bruno Walter, onverwacht want in tegenstelling tot de twee notoire Berlioziens hiervoor wordt hij nooit als specialist in dit repertoire genoemd. In zijn herinneringen noemt Walter het voorbeeld van Gustav Mahler, die met de Fantastique iets geweldigs moet hebben bereikt (met name een denderende Marche au supplice). Walters opnamen zijn van lang geleden, in zijn latere jaren waagde hij zich er niet meer aan. De beste is die met het Amerikaanse radio-orkest NBC uit 1939.

Wie de no nonsense-aanpak à la Monteux aanspreekt en een recente technisch goede opname zoekt, komt uit bij Pierre Boulez (Cleveland 1996). Boulez lijkt vastbesloten alleen de partituur te spelen en daar niets aan toe of af te doen. Velen zullen zeggen dat dat ook precies is wat je van een integere uitvoering mag verwachten. Voordeel: partituurtrouw, het zijn de noten. Nadeel: oppervlakkig, er mag niks; daardoor: saai. Voorstanders van de authentieke praktijk passen meestal ook in deze richting. De eerste was Roger Norrington die met de London Classical Players in 1988 ophef veroorzaakte doordat er werkelijk iets nieuws te horen was, onder andere een prehistorische kopersectie. Naar mijn smaak schiet de authentieke opvatting hier volledig zijn doel voorbij: het steeds afknijpen van lange noten doet ieder effect verloren gaan. In het algemeen lijkt me de authentieke aanpak een misverstand als het om Berlioz gaat: die was zijn hele leven op zoek naar kansen om de orkestklank te vergroten, dieper en preciezer te maken. Dat wil niet zeggen dat er geen mooie 'authentieke' opnamen zijn: John Elliot Gardiner (1991) bijvoorbeeld. Het blijft vlak, mechanisch, maar wel consequent en ook liefdevol. Gardiner vindt echt dat het zo terughoudend moet klinken. Sympathiek is ook, dat hij niet terugschrikt om de hele trukendoos van de moderne opnametechniek open te gooien. De klok in deel V lijkt wel een ver weg machtig galmende Domtoren van Utrecht. Als je de aanwijzingen in de partituur leest en ziet hoe Berlioz hier een sinister bovennatuurlijk effect zocht, kan niet anders concluderen dan dat hij graag naar dit soort technische hulpmiddelen had gegrepen. Heel authentiek dus.

Wie de meer bezadigde aanpak à la Davis mooi vindt, moet ook naar Gennadi Rozjdestwensky luisteren. Een dirigent, die echt van dit stuk houdt. Van de vier opnamen die ik van hem ken, is het concert in Londen met het Philharmonisch Orkest van Leningrad uit 1971 erg bijzonder. Gruwelijk gekuch, maar wat een orkest!

Maar de Davis-adept kan nog meer de diepte in. Dan kom je bij de echt zware jongens: rustig tot langzaam in tempo, details nadrukkelijk uitgespeeld, niet te veel beweging. Voordeel: nog meer details in deze fantastische partituur. Nadeel: suf, even opwindend als een sprintende schildpad. Otto Klemperer (1963), teutoons, maar zeer apart. En wie dit kan hebben moet Rudolf Kempe (1959) eens proberen. Of Bernard Haitink (1979), die laat het werkelijk als Bruckner klinken.

Je moet uitkijken de dirigenten die weinig hun eigen ego uitventen, niet te onderschatten: in de vergelijking vallen ze weg, omdat er niets bijzonders opvalt, maar je kunt het ook partituurtrouw noemen. Jean Fournet staat nadrukkelijk de opvatting voor dat hij niets aan de noten wil toevoegen. Willem van Otterloo, die gezien zijn drie opnamen beslist iets had met de Fantastique, is afgezien van de schitterende hobo's in Den Haag in deel III niet echt opvallend. Dat lijkt voor veel recente opnamen op te gaan. Ik weet niet waar het aan ligt, maar het lijkt erop dat uitvoeringen steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. Zeer persoonlijke, unieke accenten vind je veel vaker bij de oudere opnamen. De uniformerende werking van de grammofoon en van het gegeven dat alle dirigenten elkaars werk kunnen kennen, is onmiskenbaar (en stemt een beetje treurig). De meeste recente opnamen zijn niet slecht, maar zo braaf.

Dat brengt ons bij de vraag: Valt er iets zinnigs te zeggen over de veranderingen in de uitvoering, sinds we dat door opnamen kunnen nagaan? Ik ben natuurlijk enorm benieuwd naar de allereerste registratie door Rhené-Baton uit 1924. De reputatie is niet best. De oudste mij bekende opname is: Felix Weingartner (1925). Je wilt die natuurlijk een keer horen, maar hoe interessant ook, deze is niet te genieten. Veel portamento: lekker naar noten glijdende strijkers, verder bijna niet te beoordelen door het geluid dat lang niet alle partijen opvangt. Een bijzondere oude live opname is die van Oskar Fried (Staatsorkest USSR, 1937). Het idee, dat dat concert in Moskou heeft plaatsgevonden op het hoogtepunt van de Grote Terreur, terwijl binnen een straal van enkele kilometers Stalin gebogen zat over executielijsten, bemoeilijkt het rustig luisteren naar zo'n opname. Zo kan de veronderstelling dat de musici spelen alsof hun leven ervan afhangt in deze omstandigheden smakeloos zijn, maar het kan een uitvoering zeer ten goede komen. De Marche au supplice is uniek, beklemmender dan ooit. Of is dat alleen suggestie? Hermann Scherchen (1953) maakte een gedisciplineerde, strenge, dreigende opname met een sensationele tweede helft van deel I en een even furieuze Marche au supplice (de snelste mij bekend). Zo vallen er veel bijzondere dingen op in de oudste opnamen. De orkestklank is ongetwijfeld veranderd: dat naar noten toe glijden van de strijkers van voor de oorlog bestaat niet meer, het vibrato van de houtblazers is weliswaar niet uitgestorven (vooral in Frankrijk leeft het voort) maar wel veel minder geworden.

Mijn conclusie is, dat er geen eenduidige verandering in de uitvoeringspraktijk is aan te wijzen. Of het zou moeten zijn dat het tempo in de loop van de jaren wat langzamer is geworden in de delen I en III. Jacques Barzun die met zijn Berlioz and the romantic century (1950) de herwaardering van Berlioz inluidde, klaagde dat Berlioz meestal te snel gespeeld werd en als hij daarin gelijk had, is er iets ten gunste veranderd: tot ongeveer 1990 werden de tempi breder. Maar daarna gooiden de authentieken er weer een schepje bovenop. Dacht ik, en toen kwam de opname van Marc Minkowski (2002). Een dirigent geheel groot geworden in de authentieke uitvoeringspraktijk, maar hij is vaak langzamer dan Davis en vestigt zo een lengterecord voor deel III (één seconde langzamer dan Balzer). Je gelooft je oren niet hoe sloom dat wordt.

Tot slot moeten we nog een pijnlijke vraag beantwoorden: welke opnamen zijn gewoon slecht? Van mijn 186 opnamen zou ik ruim driekwart niet willen missen en de 35 à 40 die ik nooit meer hoef te horen: zand erover. Janos Ferencsik (1984) is middelmatig, maar ja, na afloop van dat concert viel hij dood neer, dus mooi dat zo'n plaat als eresaluut is uitgebracht. Maar wie heeft de perfecte moord op zijn naam staan? In deel I is mijn eerste verdachte: Paul Paray (1959). In deel III: Louis de Fourestier (±1960). Die draaien in een misdadig hoog tempo deze geniale muziek de nek om. Maar in het langzame komen ook Yuri Temirkanow (1991) in deel I en een aantal anderen dichtbij de absolute catastrofe. Wie zijn gewoon vervelend? Passons, want wie ben ik om excellente musici af te kammen?

Over de allerslechtste uitvoering in mijn collectie zult u mij niet horen klagen, want die is door een (Hongaars) amateur-orkest, in ieder geval met een amateur-dirigent gemaakt. Ik zou de eerste zijn om zo'n prestatie van liefhebbers te gaan toejuichen. Wanneer het een beetje heftig wordt, vertraagt hij het tempo om geen ongelukken te laten gebeuren, wanneer er uitgeademd moet worden, maakt hij tempo. Niet meer draaien. Maar om de door Berlioz zo uitzinnig bewonderde bard van de Avon te variëren: If the Fantastique be my food of life, play on, give me excess of it.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden