Fantaseren over djihad en nazisme

Omdat het nationaal-socialisme algemeen geacht wordt het ultieme kwaad te vertegenwoordigen, met de Holocaust als het meest barbaarse dieptepunt, is het sinds jaar en dag verleidelijk de afkeuring van politieke standpunten te onderstrepen door er de kwalificatie ’fascistisch’ aan te verbinden. Weliswaar is deze eenvoudige methode gedurende de afgelopen decennia enigszins in onbruik geraakt, maar de opkomst van het moslimextremisme lijkt nieuwe kansen te bieden. ’Islamofascisme’ is een nieuw scheldwoord en wie, zoals Wilders en Jami, Mohammed met Hitler vergelijken, zijn volledig up tot date bezig.

Sommigen gaat dit losse woordgebruik niet ver genoeg. In het katern Letter en Geest van vorige week krijgt de politicoloog Matthias Küntzel het woord, die zojuist een boek heeft gepubliceerd waarin hij een rechtstreeks verband zoekt tussen de jodenhaat in Arabische en islamitische kringen en het nazistisch antisemitisme. Naar zijn mening is dat verband op een onbegrijpelijke manier genegeerd, terwijl het gemakkelijk valt aan te tonen.

Mogelijk bevat zijn boek voor deze stelling overtuigende bewijzen maar de samenvatting die in Trouw wordt gepresenteerd, hangt van loze beweringen aan elkaar. Kenmerkend voor de betoogtrant is bijvoorbeeld het plakken van etiketten die als argumenten dienst moeten doen. De strijd van Hamas tegen het zionisme heet bij Küntzel een ’nazi-achtig complotdenken’ en het verzet van de Palestijnen tegen de vestiging van Joden in Israël wordt suggestief omschreven als een streven het gebied ’Judenrein’ te houden.

Heel curieus is zijn ’ontdekking’ dat Mohammed Atta, een van de terroristen die op 11/9 het World Trade Center invloog, er een Weltanschauung’ op nahield die was gebaseerd op een ’nationaal-socialistische manier van denken’. Dat was namelijk de indruk die een andere medestander van Atta kreeg toen de aanslag in Hamburg in kleine kring werd voorbereid.

Atta leed volgens Küntzel aan ’nazi-achtige vernietigingsfantasieën’, gezien zijn overtuiging dat New York City, als het centrum van het wereldjodendom, door de terroristische aanslag vernietigend zou kunnen worden getroffen.

Maar Küntzel glijdt pas goed uit als hij Hitler in het spel brengt. Hij citeert uit het dagboek van Albert Speer dat Hitler aan het einde van de oorlog in extase raakte bij de idee dat een bombardement van New York de wolkenkrabbers in reusachtige brandende fakkels zou veranderen. Die extase werd volgens Küntzel ingegeven door Hitlers overtuiging dat hij daarmee New York, het hoofdkwartier van het jodendom, zou raken.

Helaas geeft Speer een heel andere en meer plausibele verklaring. Hitler, schrijft hij naar aanleiding van zijn fantasie over een brandend Manhattan, werd gebiologeerd door vuur. Hij kon maar niet genoeg krijgen van filmopnamen van het brandende Londen en Warschau. Jodenhaat wordt door Speer in dit verband nergens vermeld maar door Küntzel, via een niet onhandige tussenstap, als de eigenlijke verklaring ingevoegd.

Natuurlijk komt ook de groot-moefti van Jeruzalem, Amin al-Hoesseini, uitgebreid aan bod. Hij is de enige prominente Arabier en anti-zionist die met nazi-Duitsland connecties heeft gehad en hij wordt dan ook steevast opgevoerd bij iedereen die het Palestijnse verzet probeert te diskwalificeren.

De moefti, die van 1941 tot 1945 in Duitsland verbleef, krijgt door Küntzel ernstige misdaden in de schoenen geschoven, zoals schuld aan de dood van duizenden joodse kinderen. Toch zagen de geallieerden na de oorlog van een strafproces tegen de man af, volgens Küntzel omdat zij hun relaties met de Arabische wereld niet wilden verstoren.

De historicus Conor Cruise O’Brien komt met een heel ander verhaal. In zijn boek The Siege: The Saga of Israël and Zionism uit 1987, zonder meer sympathiserend met de joodse staat, meldt hij dat al-Hoesseini, in 1941, precies één keer door Hitler werd ontvangen, een monoloog van anderhalf uur moest ondergaan en zonder een handdruk en een kop koffie weer kon vertrekken. Voor steun aan de Arabische zaak voelde Hitler totaal niet en zelfs het verzoek om een verklaring in die trant wees hij af.

Volgens O’Brien bleef de moefti in Duitsland rondhangen maar speelde daar geen enkele rol van betekenis. Tijdens het proces in Neurenberg was er één getuige die hem beschuldigde van medeplichtigheid aan de Holocaust maar de aanklacht vond verder geen steun en werd als onwaarschijnlijk terzijde gelegd.

Voor het overige bestaat het betoog van Küntzel uit een exposé van het overbekende antisemitische taalgebruik in het Midden-Oosten in het algemeen en door moslimextremisten in het bijzonder, maar hij gaat weer volledig in de fout door als conclusie te spreken van de ’goed-gedocumenteerde link met nazi-jodenhaat’. Die wordt nergens aangetoond, en het is dan ook een raadsel waarom dit rammelende stuk onder de aandacht van de lezers van Trouw moest worden gebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden