Fanny is verliefd op die onweerstaanbare Keats

Willem Jan Otten beschouwt films over onmogelijke keuzes. Vandaag: 'Bright Star'. Terwijl Otten schrijft, breekt de dood in.

'Wil je mij poëzie leren? Ik vind het vreemd en onbegrijpelijk." Met deze vraag begint, na enkele inleidende scènes, de korte, fatale liefdesgeschiedenis van Fanny Brawne met de dichter John Keats. We schrijven 1818. Keats is 23, Fanny bijna 18. Nog geen drie jaar later zal Keats gestorven zijn aan de tering - met achterlating van een klein oeuvre onuitwisbare gedichten. Volgens Jorge Luis Borges zullen Keats' 'Ode to a Nightingale' en zijn 'Ode to a Grecian Urn' net zo lang blijven bestaan als de Engelse taal.


Fanny stelt haar vraag in de hartbrekende speelfilm die Jane Campion in 2009 heeft gemaakt van deze liefde. De film heet 'Bright Star', naar een sonnet van Keats, waarin iemand zich richt tot een heldere ster. Die zou hij wel willen zijn, even 'standvastig', - zij het niet aan de verlaten hemel, neerkijkend op een besneeuwde aarde, maar: liggend of rustend op de borst van een ademende geliefde - om daar 'voor altijd te waken in zoete onrust'. Keats had dit gedicht vermoedelijk al geschreven vóór zijn eerste ontmoeting met Fanny.


"Wil je mij poëzie leren? Ik wil het begrijpen, maar ik weet niet waar te beginnen."


Fanny is letterlijk the girl next door, de oudste dochter van een gezin bestaande uit een moeder (weduwe), een puberbroer en een zevenjarig zusje. Om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen worden er kamers verhuurd - toevallig aan twee jonge mannen, die het geld dat zij niet hebben opmaken aan de poging om dichter te worden. Dat wil zeggen: de ene jonge man wordt verteerd door het verlangen om een dichter te zijn; de andere door dat om gedichten te maken.


De laatste is Keats.


Je begrijpt dat hij onweerstaanbaar is - dat zijn mensen die zich aandachtig over hun binnenwereld buigen nu eenmaal, je wilt bij ze zijn, niet zozeer naast ze, als wel binnen in ze. Ik kan het weten want ik ben met zo iemand. Daarom kan ik met enig gezag beweren dat 'Bright Star' een heel bijzondere film is. Ik geloof niet dat ik ooit op zo'n overtuigende wijze voor mijn ogen een verliefdheid op een binnenkerend mens heb zien ontstaan, die een roekeloze affectie wordt, en, ten slotte, een allesverterend gemis.


Niet alleen voor Fanny is Keats onweerstaanbaar, hij is dat ook voor zijn kamergenoot, Charles Brown. Een dichter kan nog zo middelmatig zijn (en aan te nemen valt dat Brown dat is), hij heeft altijd de verschrikkelijke gave om het talent van een ander te ruiken; ieder schrijvertje weet hoe genialiteit ruikt, hoe kleiner het talent, des te scherper de reukzin.


Het klassieke verhaal op dit gebied is dat van Salieri en Mozart - dat in Peter Shaffers


'Amadeus' (1984) het verhaal van een fatale rancune wordt, ten koste van Mozart zelf. In 'Bright Star' werkt het anders: Brown is niet zozeer jaloers op het talent van Keats, als wel op de aandacht die Fanny krijgt van Keats zodra zij gevraagd heeft 'wil je mij poëzie leren?'.


In Browns ogen is Fanny een dweepzieke bakvis, she makes a religion of flirt, zegt hij. Onuitstaanbaar de aanblik van Keats die op Fanny ingaat alsof zij een soulmate zou kunnen zijn, alsof zij het raadsel van de poëzie zou kunnen begrijpen! Brown is ervan overtuigd dat de verhouding met een vrouw het einde van Keats' dichterschap zal betekenen; zelf zal hij het voor vreesachtige mannen gebruikelijke kind bij het dienstmeisje krijgen, hetgeen, inderdaad, het einde van zijn dichtersleventje betekent.


Brown ziet iets niet wat Keats ziet: Fanny's ernst, haar eerlijkheid. Wat hij niet beseft, en vermoedelijk niet kan beseffen, is dat Fanny hém nooit zo dringend gevraagd zou hebben naar wat poëzie is. Fanny ruikt dat hij het antwoord niet in huis heeft. Dat hij misschien wel een dichter is, maar geen poëzie.


Iets later, als ze voor het eerst iets van hem gelezen heeft, zal ze tegen Keats zeggen: "Ik heb geprobeerd om het mooi te vinden." Ook dat is iets wat Brown nooit te horen zal krijgen; te vermoeden valt dat zijn gedichten 'in de smaak vallen'.


Jane Campion heeft een zintuig voor afkijken; ze lijkt te willen vertellen dat een liefde ontstaat door het zien van de hartstocht, of de begeerte, of de affectie, die degene naar wie we verlangen voor een derde heeft. Fanny's kalverbelangstelling voor Keats-de-geniaal-zwijgzame buurjongen verandert in iets anders, iets noodlottigers, als ze hem - samen met haar achtjarige zusje Toots - gevolgd is naar het huis van Tom, Keats' broer. Tom, weet ze, is ernstig ziek, hij geeft hoestend bloed op. Van een bijna voyeuristisch afstandje ziet ze hoe Keats zijn broer omhelst, tracht te troosten, doet bedaren. Wij weten dat ze in zekere zin de toekomst in kijkt: Keats zal eens op dezelfde wijze sterven, ver weg, in Rome, zonder haar. Het doet er niet toe dat Fanny deze gedachte helemaal niet letterlijk kan hebben - het is genoeg om te beseffen dat ze iemand zich ziet ontfermen over zijn broer, met een desperate affectie. Zo heeft hij lief, ziet ze, zo kan hij worden liefgehad, zo zal ik liefhebben.


Even later in de film, tijdens een soort huisconcert, zegt Keats tegen haar: "Vraag me niet naar Tom. Het enige wat ik kan doen is zeggen hoeveel ik van hem houd."


In een volgende scène geeft Fanny, wetende dat Tom inmiddels gestorven is, Keats een pakje. Zusje Toots verraadt wat erin zit: "Fanny heeft er de hele nacht aan geborduurd". Het is een boom, in de fijnst denkbare kruissteekjes, en Jane Campion zorgt er met haar feilloze strijklicht voor dat je even de adem inhoudt als je hem ziet: a thing of beauty is a joy forever. Fanny kent deze regel van haar buurman inmiddels en als Keats zegt dat hij de doek onder het hoofd van zijn gestorven broer zal leggen, beginnen we te begrijpen wat poëzie is. Het is, als het die van Keats is, een menging van liefde met sterfelijkheid, van eeuwigheid met lichamelijke eindigheid, hartstocht met verdwijning, het draait om 'onrustig waken in zoete hartstocht' op armlengte van de dood.


****


Hier aangekomen met mijn poging om chocola te maken van deze film, die ons het romantische raadsel van eerste liefde en dood opgeeft, hoor ik dat mijn broer Michiel gestorven is. Mijn broertje, welbeschouwd, anderhalf jaar jonger dan ik en nu drieënzestig.


Plotseling, in het ziekenhuis, vertelt aan de telefoon zijn vrouw. Hij was opgenomen voor iets waar hij voor behandeld zou worden, niet aan sterven. Er komt, vrees ik, geen fatsoenlijk eind aan dit stuk - de deadline is over enkele uren. Het moet eenvoudigweg af.


Het was mijn bedoeling om, aan de hand van de eerste kus die Keats en Fanny elkaar geven (precies midden in de film, in de 47ste minuut), iets steekhoudends te zeggen over de wonderlijke oneindige ervaring van tijdelijkheid die Keats met zijn werk heeft proberen te vangen, en die Jane Campion, op haar beurt, met haar film heeft willen realiseren. Het is een schaamteloos lichte film, zonovergoten, in veel scènes schijnt het witte Paaslicht van het vroegste voorjaar, als tussen het oude riet het eerst groen opschiet, het strijkt over de witte was op de bleek.


Aan de eerste kus herken je de filmmaker, lees ik in m'n aantekeningen, die inmiddels even onbegrijpelijk zijn geworden als een huurcontract voor een analfabeet.


Keats heeft zijn twee broers verloren - een aan de (in die tijd onherroepelijke) emigratie naar Amerika, en een aan de ziekte waar hij zelf ook aan zou bezwijken. Met de broederdood is zijn dichterschap begonnen. In de film verliest op haar beurt Fanny hém; het laatste derde van de film gaat over weten dat zij hem, en hij haar, zal verliezen. Keats schrijft aan Fanny de woorden die jonge geliefden van alle eeuwen elkaar, telkens in eigen bewoordingen, toefluisteren: "Ik wilde wel dat we vlinders waren die maar drie dagen leefden." Ze vragen om mínder tijd, in plaats van om meer, om sterfelijkheid in plaats van om eeuwigheid...


Mijn broer sterft niet jong, maar hij is een decennium geleden al eens klinisch dood geweest, en gereanimeerd, na een zware hartklap. Hij heeft de afgelopen jaren beschouwd als extra tijd, 'ik hoefde dus nog niet dood'.


Dit 'nog niet hoeven' gaf hem in dat hij moest willen leven. Hij leefde alsof hij een kennis bezat van hoe het is om gestorven te zijn. Soms, als we wat langer met z'n tweeën waren, bijvoorbeeld tijdens een autorit, probeerde hij die kennis aan mij te slijten - ik vrees dat ik hem niet altijd de zekerheid heb kunnen verschaffen dat ik hem helemaal begreep. Zijn bijna-doodervaring was een ruimtelijke geweest. Daar waar hij even (maar hij herinnerde zich geen duur) terecht was gekomen toen hij (begreep hij nadien) klinisch dood was geweest, daar was het licht. Ik heb hem één keer zelfs horen zeggen: "Het is daar van licht."


Hij vond het moeilijk om er meer dan ongeveer dit van te zeggen. Hij wilde niet de indruk wekken in het hiernamaals te geloven. Toch wilde hij kwijt dat hij wist dat er 'daar' hoe dan ook 'geen last en lijden is'. Het woord last nam ik, als het uit zijn mond kwam, letterlijk: mijn broer heeft zijn lichaam zijn hele leven lang gedragen als een lastezel. Hetzelfde lichaam als waarmee hij ook zichtbaar en merkbaar heeft genoten. Hij verloor als gevolg van zijn ziekte het gevoel in zijn vingertoppen - en toch is hij, toen hij geen penselen meer kon hanteren, schilderijtjes blijven maken, met zijn vingertoppen. Touch has its own memory, zegt Keats als hij, vlak voor het onherroepelijke afscheid, Fanny streelt.


Ook ging het gezichtsvermogen van mijn broer er gedurende zijn extra tijd maandelijks op achteruit. Toch genoot hij van mensen, van zijn levenslange vrouw, van de dochters, van het schilderen, van de telefoongesprekken met onze oude moeder. En van licht, dat vooral, van lichtval. En ook al bleef hij het sterven vrezen, en wilde hij zijn gelieven niet missen, hij was niet bang meer, zei hij, voor de dood.


'Bright Star', het moet over 'Bright Star' gaan, er moet een manier zijn om na te vertellen hoe onsterfelijk van sterfelijkheid Fanny en Keats zijn in hun liefde als de dood op hen af dendert, wat had ik hem graag aan Michiel laten zien.


Dichter en essayist Willem Jan Otten (1955) ontving voor zijn beschouwend proza de P.C.Hooftprijs.


Essayist Willem Jan Otten belicht in Letter&Geest maandelijks een film-tegen-beter-weten-in, over onmogelijke keuzes. Die is daarna te zien in debatcentrum De Balie. Daar bespreekt Otten de film na met een gast.


Wanneer? 'Bright Star' is te zien op dinsdag 7 februari, 20 u. Ottens gast is dichteres Hester Knibbe.


Waar? De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10 (Leidseplein), Amsterdam.


Kaarten?


Trouwlezers betalen geen euro 10, maar euro 8. Reserveer via www.trouw.nl/exclusief, of bel: 020-5535100.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden