Fabrieksbaas in de kunst

Tabak was zijn vak, kunst was zijn passie. Hij combineerde die twee in een fabriekshal in Zevenaar. Hij werd er beroemd mee.

Soms liep Alexander Orlow in z’n eentje op zaterdagmiddag door de sigarettenfabriek van Turmac in Zevenaar, als de werknemers al naar huis waren. In die tijd, begin jaren zestig van de afgelopen eeuw, werkten ze ook nog op zaterdagmorgen. Niemand zag hem, maar toch wisten de fabrieksarbeiders het meteen op maandagmorgen als ’de grote baas’ was geweest. Dan waren bijvoorbeeld alle kalenders weggehaald. En dan ging het niet eens om kalenders met blote vrouwen erop. Die hingen er ook niet, want dat kon in die tijd echt niet in Zevenaar. Nee, doodgewone kalenders met alleen de dagen van de maand erop of een braaf plaatje. Maar Orlow vond dat niks, zo’n allegaartje aan lettertypes en vormgeving aan de muur. Hij haalde ze persoonlijk weg en gaf grafisch vormgever Wim Crouwel opdracht om een standaard kalender te ontwerpen. En vervolgens kregen de werknemers met de kerst allemaal een fraai vormgegeven exemplaar met strakke designletters.

Alexander Orlow hield van kunst en omringde zich graag met mooie dingen. Dat werkte stimulerend en prikkelde de verbeelding, vond hij. En wat voor hem zelf gold, waarom zou dat ook niet zo zijn voor arbeiders in een fabriek? Als jongen had hij veel in fabrieken gewerkt en zich er altijd over verbaasd dat bedrijven hun mensen in zo’n geestdodende omgeving lieten werken met sombere en donkere kleuren. Dat leek hem niet bevorderlijk voor de arbeidsvreugde en productiviteit. Toen hij na de Tweede Wereldoorlog de leiding kreeg over de sigarettenfabriek in Zevenaar, liet hij de muren rood, geel en blauw schilderen. De kleuren die hij ook zo waardeerde in de schilderijen van Cobra-kunstenaars als Corneille en Karel Appel. Maar omdat de mensen daar op een gegeven moment ook weer aan gewend zouden raken, kwam hij op het idee om moderne kunst op te hangen in de fabriek. Die kon je regelmatig wisselen. Hij vroeg dertien kunstenaars uit verschillende Europese landen om een groot schilderij voor de productieruimtes te maken over het thema ’Levensvreugde’. Sommige kunstenaars weigerden: ze vonden het beneden hun stand om kunst voor de werkvloer te maken. Maar op een nacht werden dan toch dertien kolossale kleurrijke doeken boven de machines gehangen, want het moest een verrassing zijn. De fabrieksarbeiders wisten niet wat ze zagen toen ze ’s morgens aan het werk gingen. De reacties waren aanvankelijk nogal negatief, herinnert Frans Wienk zich, die in die tijd productieleider was. De twee figuratieve werken vielen nog wel enigszins in de smaak. De elf abstracte doeken ontstegen in de ogen van de meeste arbeiders het stadium van ’kinderkrabbels’ niet. Maar na verloop van tijd kantelde dat, bleek ook uit enquêtes die Orlow liet houden. De werknemers raakten uitgekeken op het figuratieve werk, terwijl ze in de abstracte schilderijen telkens weer nieuwe dingen zagen.

’Joie de vivre’ was het levensmotto van Alexander Orlow, die zijn drang om het leven te vieren met de paplepel ingegoten kreeg. Met de toen nog niet geboren Alex vluchtten zijn ouders na de Russische Revolutie van 1917 naar het westen. Hun doel was Amsterdam, dat toen de grootste tabaksmarkt van Europa was. De Orlows zaten al generaties in het mengen en proeven van tabak. In Berlijn moest een tussenstop worden gemaakt, omdat Alex zich aankondigde. Niet lang daarna arriveerden de Orlows in Amsterdam, berooid, maar met hun smaak voor tabak. De jonge Alexander werd ook klaargestoomd voor de tabakshandel. Hij werkte op tabaksvelden in Georgia (VS), in tabaksfabrieken in Londen en kreeg een managementopleiding in Zwitserland. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij via Frankrijk naar Engeland en voegde zich bij de geallieerde troepen, waar hij verbindingsofficier werd.

Een paar jaar na de oorlog werd hem gevraagd of hij de sigarettenfabriek van Turmac, die bij een bombardement zwaar beschadigd was, wilde opbouwen. Orlow maakte er een modern bedrijf van, met tl-buizen, airconditioning en goed sanitair. Zijn initiatief om kunst boven de machines te hangen, kreeg tot in het buitenland aandacht. Gemiddeld hingen er veertig schilderen en elk half jaar werden die gewisseld. Het was het begin van een almaar uitdijende kunstverzameling, die bekend werd als de Stuyvesant Collectie, genoemd naar een van de sigarettenmerken die in Zevenaar werden geproduceerd. Omdat de tabakswet alle reclame voor tabaksproducten verbiedt, heet deze verzameling – met 1500 kunstwerken een van de grootste bedrijfscollecties van Nederland – tegenwoordig BATartventure Collectie, genoemd naar British American Tobacco, de fabrikant die de Turmac-fabriek overnam en vorig jaar heeft gesloten. Orlow liet zich bij zijn kunstaankopen adviseren door achtereenvolgens Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, hoofdconservator Renilde Hammacher van den Brande van museum Boijmans Van Beuningen, directeur Wim Beeren van Boijmans en Martijn Sanders, oud-directeur van het Concertgebouw.

Voormalig Turmac-productieleider Frans Wienk komt er rond vooruit dat Alexander Orlow hem naar kunst heeft leren kijken. „Als je elke dag omringd wordt door kunst, ga je je daar toch in verdiepen. Er werden hier ook avonden belegd met Pierre Jansen, die uitleg kwam geven. We konden redelijk goedkoop grafiek kopen en mochten hier ook zelf exposeren.” Maar praten met Orlow over de schilderijen die hij kocht, nee, dat was toch een stap te ver. Daarvoor was de afstand tussen directeur en werkvloer te groot. Wienk: „Als hij hier rondliep door de fabriek, straalde hij echt uit dat hij de baas was en kweekte hij een bepaald ontzag.”

Vormgever Wim Crouwel kan zich dat wel voorstellen. „Alex was een baas, hoor. Hij was vriendelijk, had een heel zachte stem, maar sprak zeer overtuigend. Hij was echt de directeur en mensen waren soms zelfs een beetje bang voor hem, omdat hij ook heel lastig kon zijn. Ik vond het een heel imposante man, een echte Rus ook met zijn stevige gestalte.” Crouwel leerde Orlow in de jaren zestig kennen via fotograaf Paul Huf. „Huf en Orlow waren vrienden en omdat Huf mijn werk goed vond, introduceerde hij mij bij Orlow. Ik heb jarenlang heel veel opdrachten gekregen. Voor de Turmac-fabriek heb ik het ophangingssysteem voor de schilderijen ontworpen. Ook deed ik de vormgeving van affiches, briefpapier en uitnodigingen en van alle exposities in binnen- en buitenland.” Crouwel werd ook uitgenodigd op de feesten en partijen die Orlow en zijn vrouw Jacobine Brink in de jaren zestig gaven in hun door architect Hein Salomonson ontworpen moderne villa aan de Apollolaan in Amsterdam. Crouwel: „Een prachtig staaltje architectuur, dat helaas door de latere bewoners, het echtpaar Loek en Miep Brons helemaal is verprutst. Gelukkig is het nu weer goeddeels in oude glorie hersteld door de nieuwe bewoners.”

Er werden ook regelmatig verkleedfeesten gegeven in de villa, maar dan liet Crouwel het afweten. „Dat vond ik niks, maar het paste wel in de sfeer van de kringen waarin de Orlows zich bewogen. Dat was echt de Amsterdamse jetset met mensen uit de kunst- en modewereld. Frans Molenaar kwam daar ook en Cees Nooteboom. Die schreef toen een boek over Saint-Tropez voor de Orlows, waarvoor ik de vormgeving heb gedaan.”

Over die flamboyante feesten kan de voormalige galeriehouder Herman Krikhaar, bij wie Orlow regelmatig over de vloer kwam om kunst te kopen, smakelijke verhalen vertellen. Jacobine Orlow, die voor haar huwelijk als model werkte voor het chique modehuis Metz & Co, stal meestal de show met haar creaties. Krikhaar: „Het was een wilde tijd met veel feesten. De Orlows gingen ook graag naar openingen in galeries. Ze waren er ook bij toen ik de danser Nurejev had gevraagd om een expositie te openen van Toer van Schayk (danser en beeldend kunstenaar, red.).”

Later verhuisden de Orlows met hun enige dochter Patricia (1952) naar landhuis Amstelrust, waar ze van 1972 tot 1999 woonden. De laatste jaren van zijn leven, die hij in Frankrijk en Zwitserland doorbracht, ging zijn gezondheid achteruit en droogden de contacten met zijn Amsterdamse vrienden op. Zijn wens om de levenscirkel te sluiten in Amsterdam – de stad waar hij het meest het leven had gevierd – is vervuld. De urn met zijn as zal worden bijgezet op begraafplaats Zorgvlied. De door hem bijeengebrachte kunstcollectie ligt sinds de sluiting van de fabriek opgeslagen bij Sotheby’s en wordt waarschijnlijk geveild, als de crisis voorbij is. Tabaksfabrikant BAT vindt kunst niet passen in de bedrijfsfilosofie. Burgemeester Jan de Ruiter kondigde afgelopen week aan dat hij gaat proberen een museum te vestigen in de oude Turmac-fabriek. Mede als hommage aan de man die op zo’n bijzondere wijze investeerde in de werkvloer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden