Fabelverteller en taalvernieuwer

Dickerdack, Bulle Bas, professor Prlwytzkofsky en natuurlijk Ollie B. Bommel. De kleurrijke inwoners van Rommeldam uit de maatschappijkritische fabels van striptekenaar en schrijver Marten Toonder, woensdag overleden, symboliseren de menselijke psychologie en onze sociale structuren. R ustig in zijn slaap gestorven.

Het past wel bij de 'heer van stand' die afgelopen woensdag op 93-jarige leeftijd overleden schrijver en tekenaar Marten Toonder, net als zijn voornaamste schepping Ollie B. Bommel, was. Overigens moeten we ervoor uitkijken die twee te zeer met elkaar te identificeren. Ollie B. Bommel is een nouveau riche, een patser soms ook die het liefst alle roem toegezwaaid krijgt, ondanks de aanzienlijke blunders en onnozelheden die hij vaak begaat. Marten Toonder daarentegen liet zich in zijn publieke leven juist kennen als een bescheiden mens, bezonken en vol relativeringsvermogen. Maar Bommels uiteindelijke verlangen naar een vorm van huiselijke romantiek hoorde wel degelijk bij zijn maker. Niet toevallig ging Toonder, in navolging van zijn beer in ruitjesjas, in 1966 in een knus kasteel wonen in zijn favoriete land dat we ook in de strips wel terugzien: Ierland.

Het is karakteristiek dat heer Bommel als bijproduct ontstond, alsof Marten Toonder bij toeval ontdekte wie zijn favoriete personage was. In 1938 begon hij de Tom Poesverhalen, over een avontuurlijke, betweterige en ongeslachtelijke kat, die na een tijdje een schreeuwerige Amerikaanse vreemdeling in een ruitjesjas tegenkomt: Ollie B. Bommel. Zo is het dus, Bommel is van oorsprong Amerikaan en hij schaft zich in de vorm van Bommelstein een zo te zien Europees romantisch verleden aan: net als Toonder schept hij op die manier zijn eigen universum.

De beeldverhalen van Toonder, met name die over Tom Poes en Ollie B. Bommel, hebben altijd een sterk intellectuele uitstraling gehad. Je bent eerder geneigd ze bij de literatuur te zetten dan bij de stripverhalen. Geen wonder, het zijn onmiskenbare maatschappijkritische fabels, vol verwijzingen naar de actualiteit van onze wereld en naar de ideologieën die haar beheersen. Maar ook het feit dat Toonder geen ballonstrips schreef maar eerder een soort rijk geïllustreerde verhalen, trok de gevorderde lezers of 'lezertjes', zoals Toonder zelf zou zeggen, over de streep. In de wereld van Bommel worden verstandig denken en amusement gelijkelijk gevoed.

Enerzijds het opmerkelijke karakter van Bommel, de opschepper met het gouden hart, en de uitgesproken karakters van de andere bewoners, anderzijds Toonders visie op de maatschappij verklaren het succes van de Bommel-verhalen. Ze verbeelden in het quintessentiële stadsstaatje Rommeldam de menselijke psychologie en onze sociale structuren.

Zo zien we een staatsapparaat vol macht(lief) hebbers, burgemeester Dickerdack, plechtstatig maar vol persoonlijke zwakheden, Bulle Bas, formalistisch dienaar der wet, Dorknoper, preciezige krentenweger. Daarnaast een wetenschappelijke kliek van ambitieuze slechtheid, in de persoon van professor Sickbock, en van blind objectivisme: professor Prlwytzkofsky. Ook de middenstand en de kleine burgerij kenmerkt zich door een aanzienlijke kleingeestigheid kruidenier Grootgrut is op de penning en snel in zijn middenstandseer gekwetst, Bommels dienaar Joost neigt ondanks zijn hoogdravende taalgebruik tot peccadilles en biedt om de haverklap zijn ontslag aan. Allemaal bekrompenheid die Toonder overigens met een karakteristieke houding benadert: kritisch maar met liefde. Daar staan dan de meer magische krachten tegenover van de kabouter Pee Pastinakel, met zijn geniale uitvindingen en de boosaardige machtsgrepen van tovenaar Hocus Pas. Deze magiërs, die dichter bij de natuur staan, zijn in zekere zin onbedorven. Pas in zijn slechtheid, Pastinakel in zijn naïviteit. Grosso modo zou je kunnen zeggen: de beschaving bederft de mens, maakt hem dubbelzinnig, de natuur is eerlijk.

Het feit dat de wereld van Toonder bevolkt is met aangeklede dieren zegt iets over zijn visie op de mens. Daarbij is het opvallend dat zijn bestiarium, dat nogal wollig en speelgoedachtig begon, in de loop der tijden qua fysionomie steeds meer menselijke trekjes gaat vertonen, zodat je je als kijker soms nauwelijks meer realiseert dat het beren, hondjes, poezen, giraffes of varkens zijn. Als om ons steeds aan hun afkomst te herinneren, laat Toonder overigens Tom Poes steevast naaktlopen, terwijl heer Bommel het grootste deel van de dag alleen zijn bovenjasje draagt.

Ongetwijfeld waren de Bommelverhalen voor Toonder zelf een vorm van escapisme. Hij vluchtte als romantisch individualist in zijn zelfgemaakte wereld, maar hij is ook wel degelijk een boodschapper. Zo waarschuwt hij tegen allerlei maatschappelijke wantoestanden, zoals racisme, volksmisleiding, milieuvervuiling, de waanzin van economische macht (bijvoorbeeld in het verhaal 'De Bovenbazen', een van zijn bekendste fabels waarin heer Bommel per ongeluk een economisch wereldleider wordt, met fatale gevolgen), massahysterie (in 'Het monster Trotteldom' vlucht de bevolking telkens voor een monster dat zij ten slotte zelf bij elkaar blijken te vormen).

Maar Toonder is nooit een uitgesproken moralist, hij loopt niet gelijk zijn Zwarte Zwadderneel voortdurend met een opgeheven vingertje rond. De verpakking van zijn boodschap is belangrijker dan die boodschap zelf. Meer dan met zijn levensvisie of zelfs de uitstalling van al die verschillende, soms spreekwoordelijk geworden karakters (Grootgrut, Dickerdack, Dorknoper) heeft Toonder de naoorlogse Nederlandse cultuur beïnvloed met zijn bijzondere taalgebruik.

Juist vanuit een gevoel voor de kracht van het archaïsche schiep hij nieuwe woorden, zoals 'denkraam' en 'minkukel', die niet meer uit het Nederlands zijn weg te denken. Ook uitdrukkingen als 'een eenvoudige doch voedzame maaltijd' werden door hem verankerd. Het zou geen verbazing wekken als Toonder de naoorlogse grootleverancier van Van Dale zou blijken te zijn.

Zijn plezier in het taalspel is bijzonder aanstekelijk. Zo laat hij bediende Joost liefst een soort verouderd Nederlands spreken, met woorden als 'astrant' en 'bottines', maar evengoed verzint hij iets onbestaands plastisch, bijvoorbeeld 'flevelhuisje' voor elektriciteitshuisje. Of het Duitse Nederlands van Prlwytzkofsky, 'der hemeldonderweder', 'Schaft u zich voort, u bent ontlaten'.

Een favoriet: 'weetmuts', naar Toonders fabel over nutteloze kennis 'De weetmuts'. 'Sofocles merkte ook al op dat het treurig is kennis te hebben als ze tot niets dient', weet heer Bommel, die door een of ander wonderlijk toeval een geniale paddestoelhoed, de weetmuts, op de schedel heeft gekregen. Maar kennis kan wel tot macht leiden. Daarom besluit de alwetende heer op zeker moment een atoombom te fabriceren. 'Het was een akelig tafereel, want we zien hier het beeld van een wetenschapper, die wetenschapt zonder naar moraal te vragen', stelt de schrijver vast. Gelukkig raakt heer Bommel weer bevrijd van de lastige weetmuts. Want zo is het wel in alle Toonder-verhalen: het loopt goed af met de wereld en aan het eind zit het gezelschap altijd aan een voedzame maaltijd, al loopt soms een enkele outsider, Sickbock bijvoorbeeld, nog boos buiten te kniezen.

Die traditionele slotscènes geven Toonders verhalen een tijdloze allure: het knusse Rommeldam zal niet ten onder gaan aan economische en technologische vooruitgang. Juist die tijdeloosheid maakt zijn verhalen inmiddels tot sprookjes, want het Nederland waar Toonder ons in zekere zin ter voorbeeld stelde, lijkt tot het verleden te behoren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden