Expositie Middeleeuwen / Deftige devotie in Noord-Brabant

Vandaag viert mr. F. Houben, ex-commissaris van de koningin in Noord-Brabant, zijn uitgestelde afscheid. Tegelijkertijd start te zijner ere in Uden een middeleeuwse expositie.

Deftige devotie' werd het thema van de Udense tentoonstelling, daarmee regelrecht verwijzend naar het deftige ambt van de gastconservator: commissaris van de koningin in Noord-Brabant mr. F. Houben. Die wilde de volksdevotie centraal stellen, maar museumdirecteur Léon van Liebergen vond het toepasselijker aandacht te schenken aan religieuze voorwerpen die in opdracht van de Brabantse elite waren gemaakt. En aldus gebeurde.

Het resultaat is een expositie die de smaak van deze bovenlaag van alle kanten belicht: van heel bijzonder tot heel alledaags, van ontroerende eenvoud tot kille rijkdom, maar alles wel geïnspireerd door een en dezelfde bron, het katholieke gedachtegoed.

Heel bijzonder is de onlangs gevonden gouden ring die wellicht bezit was van een birgittijnse abdis. De laat-middeleeuwse ring werd in Utrecht in een beerput ontdekt op het voormalige terrein van het klooster Maria-Veld. Omdat het Udense museum zelf gehuisvest is in een gedeelte van de birgittijnse abdij Maria-Refugie, mocht de ring hier niet ontbreken. Hij toont in reliëf het gelaat van Jezus met doornenkroon, typerend voor de aandacht van de birgittinessen voor de lijdende Christus.

In een vitrine pal ernaast ligt nog een prachtig klein maar fijn voorwerp: een palmhouten gebedsnoot. Zo'n zorgvuldig gesneden noot hing aan een rozenkrans of een gebedssnoer. De van buiten opengewerkte noot kan opengeklapt worden en laat dan twee heiligenvoorstellingen zien. In de fraaie tentoonstellingscatalogus wordt uitvoerig aandacht aan het fenomeen gebedsnoten besteed, maar de oorsprong ervan is nog steeds niet opgehelderd. In elk geval staat vast dat de bezitter geen arme sloeber was: palmhout, waarmee bukshout wordt bedoeld, was uiterst kostbaar en ook het filigreine snijwerk werd door begaafde, dus dure beeldsnijders uitgevoerd. Het aardige is dat in dezelfde vitrine een eiken beeldje staat van Maria Magdalena, die aan haar gordel een rozenkrans met zo'n opengewerkte gebedsnoot heeft hangen.

Boeiend zijn verder de rijk geïllustreerde handschriften, variërend van een groot graduale, een koorboek met gezangen, tot kleine gebedenboeken, bedoeld voor privé-devotie. Een aantal ervan ontstond in het schrijfatelier van het klooster Mariënwater. Dit klooster, ook wel bekend als Koudewater, lag in Rosmalen en behoorde eveneens tot de Orde van Birgitta van Zweden.

Het klooster is vooral bekend door de zogenaamde Meester van Koudewater. Het Udense museum bezit een flink aantal van de negen beelden die van hem bekend zijn. Een notenhouten beeld van de H. Catharina van Alexandrië, vervaardigd rond 1470, laat zien hoe begaafd hij was. De gezichtjes van zijn vrouwelijke heiligen hebben vrijwel altijd een hoog voorhoofd, geloken oogleden en een spits, haast zuinig, pruimenmondje. Met hun sjieke kleding en sieraden mogen deze maagdheiligen er zijn.

Een ander beeld dat de aandacht trekt is dat van de H. Machutus, minder eerbiedig ook bekend als 'pisheilige'. In de stad Utrecht was hij ooit populair, later werd hij onder meer in Vught vereerd. Het 15de-eeuwse beeld komt hier vandaan en toont de heilige bisschop, breeduit zittend. Machutus werd (en wordt) aangeroepen bij kinderziektes, maar ook bij kinderen die 's nachts nog in bed plasten.

De Brabantse adel en geestelijkheid bestelde verder kostbare liturgische voorwerpen, zoals monstransen. Er zijn enkele prachtige gotische exemplaren, verguld en rijkelijk voorzien van minuscule beeldjes. Ze herinneren aan de groeiende sacramentsverering in de late Middeleeuwen. Ook de twee schrijnen waarin de zogenaamde bloeddoek van Boxmeer werd bewaard, getuigen daarvan: de rode vlek in dit altaardoek zou tijdens de misviering zijn ontstaan om een twijfelende priester van de transsubstantiatie van brood en wijn te overtuigen.

Als pronkstuk van de expositie geldt de staf van de norbertijner abt Coenraad van Malsen. In 1534 bestelde hij deze kromstaf van verguld zilver waar je je ogen op uitkijkt. De maker was Joris Weijers uit Antwerpen, die al in de nieuwe renaissance-stijl werkte.

Behalve schilderijen van trotse geestelijken zijn er ook portretten van gegoede burgers. Zij illustreren hier de gang van zaken rond doop, communie en het sterven. De dodencultus wordt zichtbaar in haarschilderijtjes van jong gestorven kinderen en in bepaalde gebruiken. Zo is er een 19de-

eeuwse dodenlantaarn die ooit na de dood tegen het huis van de overledene werd gehangen. Als symbool van het uitgedoofde levenslicht werd een dergelijke lantaarn juist niet ontstoken.

De tentoonstelling begint in de Middeleeuwen en eindigt in de 20ste eeuw. De opkomst, de verbanning en het uitsterven van de Noord-Brabantse kloosters en abdijen kan zo worden gevolgd. De samenstellers willen kennelijk dat je door de knieën gaat voor de deftige devotie: de tekstbordjes staan óf op de grond óf bevinden zich laag onder de vitrine. Het is maar een klein minpuntje van een verder boeiend overzicht.

'Deftige devotie.' Tot 15 december in het Museum voor Religieuze Kunst, Vorstenburg 1, Uden. Geopend: di-vr: 10-17 uur, za en zo:

13-17 uur. De gelijknamige catalogus kost

22 euro.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden