Expositie belicht tropencultuur buiten Java en Bali

Insulinde in Leiden: 'Voorbij de Javazee'; Amerikaans boek 60, Nederlandse kijkwijzer 5. 'Buddha en Shiva op Java'; Nederlandse gids 20. Toegang voor beide exposities samen: 7,50 (museumjaarkaarthouders 4); tot en met 31 oktober. Voorouderbeeld, Leti, Zuid Molukken; hout en schelpjes, 41,2 x 13,2 x 9,5 cm; Nationaal Museum te Jakarta.

Indonesie is met ruim 13 000 eilanden de grootste archipel ter wereld. De meer dan driehonderd etnische- en taalgroepen hebben veel gemeenschappelijks, maar ze bezitten elk ook eigen trekken. De expositie gaat aan Java en Bali voorbij. Ze laat iets zien van de cultuur in acht andere belangrijke gebieden, in wat vroeger 'de Buitengewesten' werd genoemd. Verder is er een afdeling over de vorstenhoven buiten Java. In de jaren twintig van deze eeuw waren op Sumatra nog ruim honderd 'zelfbestuurders', sultans of arus met een traditioneel gezag: op Sulawesi (Celebes) 28 onder wie 6 vrouwen, op het grote Kalimanten (Borneo) 17 en op het kleine Sumba 18.

De bronzen keteltrom die de tentoonstelling een begin in de prehistorie geeft, is niet gaaf maar wel bijzonder groot: 90 cm hoog en 122 cm in doorsnee. Dit meesterwerk van een hoog ontwikkelde bronscultuur is met enkele kleinere exemplaren gevonden op een eilandje nabij Sumbawa. Het is, mogelijk al in de eerste eeuw van onze jaartelling, geimporteerd uit Noord-Vietnam (Dongson). De rijke decoratie met patronen en figuratieve taferelen wordt besproken in het Amerikaanse boek bij de tentoonstelling. Sommige motieven komen ook weer voor in veel 'jongere' Indonesische weefsels en snijwerken. Het staat niet vast dat ook die siermotieven ontleend zijn aan de Dongsonkunst.

In de tentoonstelling volgen de gebieden elkaar op als op de kaart, van west naar oost. Voor elk gebied zijn een of enkele aspecten van de regionale cultuur in het licht gesteld. Vooral de beelden lijken ons met hun bondige vormen directer aan te spreken dan de boeddhistische van Java. Dat komt door buiten-Europese invloeden op westerse kunst waaraan we gewend zijn. Maar de westerse kunstenaars die deze invloeden verwerkten, braken met hun traditie. De oud-Indonesische kunst daarentegen berust op tradities die de stukken betekenis geven. De voorwerpen zijn uitingen van een geestelijke creativiteit van vele generaties en daarover kan men in het boek iets vernemen.

Gekerstend

Voorouderbeeldjes vormen de hoofdzaak van de afdeling Nias. Op het gekerstende eiland is de adel, die vroeger slaven verkocht aan Chinezen en Nederlanders, rooms geworden. Het gewone volk koos voor het protestantisme. Houten voorouders zijn verbrand of verkocht. In Leiden ziet men nog een ris van naast elkaar gebonden beeldjes zoals die vroeger aan gevels werden bevestigd. Bij de afdeling Batak (Noord-Sumatra) staat een groot stenen grafmonument dat nu in het bezit is van een Zwitserse verzamelaar die in Geneve een eigen museum heeft voor zijn trofeeen. Overigens gaat het in deze afdeling vooral over huwelijksrelaties. De Batak onderscheiden vrouwelijke voorwerpen en mannelijke, zoals zwaarden. Maar een dolk op de tentoonstelling heeft enkele vrouwelijke aspecten, ter wille van het evenwicht.

In sommige Nederlandse huizen prijkt nog wel een van oorsprong rituele 'scheepjesdoek' uit de Lampungse Districten (Zuid-Sumatra). Onder de exemplaren in Leiden is een bijzonder zeldzame, gemaakt van kraaltjes. Bij de Dayak (Kalimanten) legt de expositie niet de nadruk op het koppensnellen maar op voorstellingen van dieren, planten en geesten. Voor de Toradja op Sulawesi (Celebes) is weer het leven met de voorouders gekozen, in het bijzonder bij de niet-gekerstende Sa'dan-Toradja. Hun geklede dodenpoppen op balkons aan de rotswand zijn kennelijk in de handel terechtgekomen. Ze zijn door niet-authentieke exemplaren vervangen om toeristen niet teleur te stellen.

Op de Kleine Sunda-eilanden gaat het, net als bij de Batak, om het evenwicht tussen tegenstellingen als mannelijk/vrouwelijk en jong/oud. In Leiden ziet men onder meer verfijnde ikatweefsels. Menigeen zal hier voor het eerst andere Zuidmolukse beeldhouwkunst zien dan de bekende kruidnagelscheepjes. Bijzonder treffend is een tenger, 140 cm hoog voorouderbeeld met geheven armen. Op Leti staren voorouders met schelp-ogen. Voor Irian Jaya (Nieuw-Guinea) beperkt de expositie zich tot de noordkust (Sentanimeer en Humboldtbaai).

Buddha en Shiva

Ook zonder de godin van de Opperste Wijsheid, die naar Java is gerepatrieerd en nu tijdelijk in de Amsterdamse expositie staat, bezit Leiden nog belangrijke Javaanse beelden uit de zesde tot en met de vijftiende eeuw. Met die eigen collectie is een expositie ingericht die beknopt en helder hetzelfde onderwerp behandelt als de tentoonstelling 'Het goddelijk gezicht van Indonesie' in Amsterdam. Eind maart zal een Nederlandstalige uitgave over de Leidse collectie gereed komen. Deze gids kan ook als een uitstekende inleiding tot de Amsterdamse expositie worden gebruikt.

Topstukken zijn in Leiden twee Dongson-keteltrommen, een Ganesha (een god met een olifantskop) en een demonische tempelwachter uit de 13de eeuw. Recente foto's van de Indonesier Yazir Marzuki tonen hoe de klassiek-Javaanse kunst er ter plaatse uitziet. Het museum biedt een aantrekkelijk programma met films, voorstellingen en voordrachten. Tijdens de weekeinden serveert het restaurant Indonesische hapjes.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden