Exploitatie van een ecologische parel

Mooie natuur is een uitkomst voor arme landen. Want met toerisme is een lieve duit te verdienen. Maar hoe voorkom je dat de toeristen massaal toestromen en het natuurgebied van zijn fraaiheid ontdoen? Een advies aan de regering van Guatemala. dr. J. Hartog is hoogleraar economie aan de universiteit van Amsterdam

Er omheen wonen talloze Indianenstammen, elk met een eigen uitbundige klederdracht. Hun samenkomst op de traditionele markten in de omgeving, zonovergoten, is een overrompelende sprankeling van kleuren, een aanblik die je nooit meer vergeet.

Deze wervende tekst voor een reisgids heb ik zelf ter plekke verzonnen. Er is geen woord van overdreven. Atitlán heeft een enorm toeristisch potentieel. Wat er nu aan toerist is, heeft een bescheiden omvang, maar vormt al een belangrijke inkomstenbron.

Guatemala is een arm land, met een inkomen per hoofd van niet meer dan een paar duizend gulden per jaar. Atitlán zou een goudmijn voor deviezen kunnen zijn maar een ondoordacht voortvarende aanpak zou tevens de ondergang van het gebied betekenden. Hoe los je zo'n dilemma op? Wat moet een arm land met een kostbare ecologische parel?

Vrije exploitatie door particulier initiatief zou hier fnuikend zijn. Zoals de Middellandse Zee een smerige badkuip is geworden met een opstaand randje van toeristentorens, zo zou Atitlán, eenmaal volgebouwd, zijn bekoring hebben verloren en stikken in de vervuiling. Woekerwinsten voor de eerste exploitanten, afgrazen van een sappige weide, achterlaten van een vertrapt kermisterrein. Als individuele ondernemers voor zichzelf mogen zorgen, gaat het collectieve belang ten onder, als in een overbeviste oceaan.

Alleen overheidsbemoeienis kan dat collectieve belang zeker stellen. De overheid kan zelf actief als toeristische ondernemer optreden, of het kan een collectief creëren, een Atitlán-schap waar elke toeristische ondernemer verplicht lid van is. Dat schap zou dan de opdracht krijgen om het gebied verstandig te beheren. Maar om de duurzaamheid te garanderen zou ik eerder mijn kaarten zetten op directe overheidsbemoeienis.

Overheid of verplicht kartel, essentieel is beperking van de toeristische belasting van de kwetsbare parel. Daarvoor is het nodig om een bovengrens te stellen aan het aantal bezoekers.

Dat zou je via de prijs kunnen afdwingen, je maakt het gewoon te duur voor veel bezoekers. Voor dat vastgestelde aantal bezoekers bereik je dan meteen de maximale opbrengst. Het betekent natuurlijk wel dat alleen de rijken zich toegang kunnen verwerven.

Als dat ongewenst is, kun je de toegangsbonnen op andere wijze verdelen. Gewoon, zoals bij het voetbalstadion: je stelt een prijs en verkoopt aan iedereen die langskomt, totdat je uitverkocht bent.

Een interessante variant wordt toegepast voor de Galapagos eilanden, het ecologische paradijs voor de kust van Ecuador waar Darwin inspiratie opdeed voor zijn evolutietheorie. Het voordeel van de eilanden is dat de toegang eenvoudig beheerst kan worden: alleen per boot of vliegtuig kun je er heen, het gebied is mooi afgeperkt.

De overheid heeft een maximum bezoekersaantal vastgesteld en hanteert twee tarieven: één voor ingezetenen en één voor buitenlanders.

Beperkte toegang plus maximale uitbuiting van rijke buitenlanders, dat is een ideale combinatie. Dat “arme” buitenlanders geen toegang hebben valt weg tegen het voordeel van een hoge opbrengst voor een arm land.

Het systeem werkt natuurlijk alleen als je de toegang kunt beheersen. Nationale parken in de Verenigde Staten werken ook op deze basis: afgrenzen van een kwetsbaar gebied, beheer door de overheid. Maar de VS zijn geen arm land en men stelt geen primair belang in het verkrijgen van een maximale opbrengst.

Men wil juist zoveel mogelijk Amerikanen laten delen in de natuurlijke schoonheid van 'Gods eigen land', en er is geen apart tarief voor buitenlanders. De nationale parken in de VS lopen nu ecologische schade op door te grote aantallen bezoekers.

Het Meer van Atitlán heeft op dit ogenblik maar een beperkt aantal toegangswegen. Dat schept mogelijkheden. De overheid is van goede wil, getuige haar exploitaitie van een 'ecopark': eenvoudige bungalows, verscholen in de natuurlijke vegetatie, in een sobere omgeving. Maar het tarief is veel te laag. Voor een tweepersoonskamer betaal je niet meer dan 90 quetzal, een gulden of dertig per nacht.

Dus ziehier mijn ongevraagd advies aan de regering van Guatemala: stel een Atitlán-schap in, voer er zelf een krachtig beheer en wees veel minder bescheiden in het aftappen van de rijkdom van de buitenlanders. Het advies is ook gratis: ik heb Atitlán al gezien, en voel mij vorstelijk beloond.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden