Exodus Rohingya uit Burma nog niet voorbij

Mohammed Harun en zijn jonge gezin behoren tot de grote stroom Rohingya die vorig jaar wegvluchtte uit Burma. Nu zitten ze na een helse tocht in Maleisië, voor zolang het duurt. Intussen waarschuwt de International Rohingya Organisation voor een nieuwe exodus.

Mohammed Harun (23) geeft een slap handje bij zijn kleine huis, voor hij wat strompelend naar binnen gaat. Hij dirigeert het bezoek naar een bank, het enige meubelstuk. Zelf gaat hij op de vloer naast zijn vrouw Nur Ankis (21) zitten. Hun tweejarige dochtertje Nur Kaiaz is de enige in huis die vanmiddag zal lachen. Mohammed en zijn gezin vluchtten een jaar geleden uit Burma. Nu zitten ze na omzwervingen in een huisje aan de rand van de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur. Ze zijn hier veilig voor bruut geweld, maar als illegale vluchtelingen hebben ze geen enkele zekerheid en mogen ze officieel maar een jaar blijven (zie kader).

Dit jonge gezin is blij dat het nog leeft. In Burma worden de islamitische Rohingya, waar ook het gezin van Mohammed toe behoort, al jaren ernstig vervolgd. De wereld schrok op toen een jaar geleden boten vol uitgemergelde Burmese islamitische Rohingya-vluchtelingen bij buurlanden opdoken. De World Rohingya Organisation waarschuwde onlangs voor een nieuwe exodus: nog eens 200.000 Rohingya zouden dit jaar Burma willen ontvluchten.

Mog-milities

"'We willen hier geen moslims!' Dat riepen ze naar ons", vertelt Mohammed over zijn leven bij de stad Sittwe in Burma. 'Ze', dat zijn boeddhistische Mog-milities die van de islamitische Rohingya af willen in de deelstaat Rakhine in het westen van het land. De campagne tegen de bevolkingsgroep werd vanaf 2012 agressiever, merkte Mohammed. Zijn kostbaarste goed werd hem afgenomen: het land waarop hij gewassen verbouwde. Hun huis werd platgebrand. Dezelfde militie pikte het bootje in waarmee Mohammed zo nu en dan ging vissen. Toen het gezin zodoende geen bestaansmiddelen meer had, werd het geïnterneerd in een kamp bij Borwar Dil, dat bestierd werd door dezelfde boeddhistische Mog-milities.

De Rohingya-minderheid, er wonen volgens schattingen zo'n miljoen Rohingya in Burma, wordt stelselmatig onderdrukt. Het fundamentele probleem: de Rohingya-moslims zijn, volgens de boeddhistische meerderheid, geen echte Burmezen. Daarom gelden ze als stateloos en rechteloos. Rohingya worden gezien als islamitische indringers uit buurland Bangladesh, hoewel veel Rohingya al generaties lang in Burma leven. Mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch proberen het geweld in deelstaat Rakhine te documenteren, maar onderzoek ter plekke is bijna onmogelijk. Buitenstaanders komen het gebied niet in.

Het is ook praktisch onmogelijk Mohammeds verhaal te verifiëren, maar veel elementen komen terug in andere berichten. Het geweld in Burma en de specifieke methodes zijn bijvoorbeeld gedocumenteerd door mensenrechtenorganisaties. Een onderzoeksinstituut van de vooraanstaande Amerikaanse Yale-universiteit bestudeerde de vervolging en kwam, ondanks de beperkte onderzoeksmogelijkheden, vorig jaar oktober tot de conclusie dat er 'sterk bewijs' is dat een genocide op de Rohingya plaatsvindt.

Mohammed vertelt zijn relaas via een tolk die zich als activist sterk maakt voor de Rohingya-gemeenschap in Maleisië. Dat zijn bijna allemaal vluchtelingen - deels legaal, velen illegaal. Hij getuigt kalm, stapsgewijs en gedetailleerd over het lot dat hem en zijn gezin trof. In het interneringskamp zaten zo'n 125 Rohingya, vertelt hij. Ze hadden maar beperkt beschutting voor de brandende tropenzon: een stuk van 'ongeveer 25 bij 40 voet'.

De jonge pater familias is gekleed in een 'sarong', een soort wikkelrok die in Zuidoost-Azië veel wordt gedragen. Hij oogt soms wat onzeker, in tegenstelling tot zijn vrouw Nur Ankis, die juist zelfverzekerd oogcontact zoekt en regelmatig knikt om het verhaal van haar man kracht bij te zetten. Hun dochtertje Nur Kaiaz raakt niet uitgespeeld met de bandjes aan de rugtas van de verre gast.

Het feit dat de burgerrechten van Rohingya in Burma ontkend worden, maakt hen tot legitiem doelwit van vervolging en uitbuiting, in de ogen van boeddhistische milities in Rakhine. "Als ik zou zeggen dat ik Bangladeshi ben, dan had ik mogen blijven van de autoriteiten", vertelt Mohammed. Waarom doen ze dat niet? Mohammeds vrouw Nur Ankis neemt het woord: "Ik ben Rohingya en blijf Rohingya. Waarom zou ik mijn identiteit moeten veranderen?"

De boeddhistische milities gingen vreselijk tekeer tegen de Rohingya. "Veel vrouwen werden weggenomen uit het kamp, ook mijn nichtje Nur Aysha van 18. Ze kwam nooit meer terug", vertelt Nur Ankis. "Ook heb ik twee keer kinderen in een vuur gegooid zien worden." In de kampen werd ook het gezin van Mohammed vaak aangevallen door milities. Velen raakten zwaargewond en konden niet meer bewegen, vertelt Mohammed. Ook hij kreeg klappen, mede daarom heeft hij nog steeds last van zijn gewrichten.

Etnische zuivering

In een uitgebreid rapport uit 2013 zeggen ooggetuigen tegen Human Rights Watch dezelfde zaken te hebben gezien en meegemaakt. Het geweld tegen de islamitische Rohingya werd in die periode aangemoedigd door boeddhistische geestelijk leiders, concludeert dezelfde organisatie die meer dan honderd getuigen sprak en onderzocht wie verantwoordelijkheid draagt voor het geweld.

Human Rights Watch constateert dat er sprake was van 'etnische zuivering'. De boeddhistische milities willen immers het gebied permanent ontdoen van de Rohingya. De mensenrechtenorganisatie concludeert dat de Burmese overheid niets deed om het geweld te stoppen en in sommige gevallen zelfs actief meewerkte aan het geweld en het verdrijven van de islamitische minderheid.

Begin 2015 had het gezin een gelukje. Mohammed werd in het kamp benaderd door een lid van de Mog-militie die hij nog kende uit de tijd dat er minder spanningen waren. Hij bleek bereid het gezin te helpen ontkomen en bracht het in contact met mensensmokkelaars. Onder het mom van een baantje aan boord kon Mohammed inschepen op een boot. Zijn gezin mocht mee, tegen betaling van ruim 2700 euro. Een enorm bedrag dat ze konden lenen van familie. Met 700 anderen werden ze aan boord gezet van een klein rood-groen gekleurde vissersschip, vertelt Mohammed. Een naam of nummer van de boot kan hij zich niet herinneren, wel de naam van de eigenaar: Uman. Zijn smokkelaar heette Sharif.

Een week ronddobberen

"De overtocht naar de Thaise kust duurde 15 dagen. In die tijd kregen we maar één keer wat te eten, water was er amper. Bij de Thaise kust werden de stuurlui en smokkelaars van boord gehaald. Zonder motor bleven we ronddobberen, de omstandigheden waren afschuwelijk. Sommigen stierven, de kinderen waren er heel slecht aan toe. Ik raakte verzwakt en kon mijn vingers niet meer bewegen", vertelt Mohammed. "Na een week gooide een helikopter proviand op het schip, daar heb ik later foto's van gezien." Verder kregen ze geen enkele hulp.

Pas toen een Indonesische vissersboot in zicht kwam, bleek redding nabij. Vrouwen en kinderen, onder wie Nur Ankis en haar dochtertje, stapten over. De twee werden enkele dagen later afgeleverd in een vluchtelingenkamp in Sumatra waar ze formeel als vluchteling werden geregistreerd en wat hulp kregen. Nur Ankis laat haar registratiedocument van de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR zien.

Voor de meeste mannen aan boord zou de lijdensweg nog langer duren. Zo ook voor Mohammed, die gescheiden raakte van vrouw en kind. Hij kwam met een groep terecht op een Thais eiland waar ze direct als illegale immigrant in de cel belandden. Mensensmokkelaar Sharif, 'een erg machtige man', dook daar weer op. Nadat hij de politie omkocht nam hij de mannen over van de Thaise autoriteiten.

Hoewel concreet bewijs ontbreekt, zijn er veel geruchten over omkoping in het schimmige mensensmokkelcircuit. In de gebieden waar de smokkelaars hun 'waar' vasthouden zouden nieuwsgierige overheidsdienaren worden afgekocht om een oogje toe te knijpen voor de mensenstromen en smokkelaarskampen.

Sharif smokkelde de bootvluchtelingen naar zo'n kamp in het Thais-Maleisisch grensgebied. Mohammed zat daar weer een maand vast. "Er werden ongeveer 400 mensen vastgehouden. In de buurt was een stroompje. Als je daar wilde drinken en je vroeg niet vooraf om toestemming werd je doodgeslagen. Op een dag kwamen zo vier mensen om. Die moesten wij zelf begraven. We gooiden ze bij elkaar in een graf, zonder het af te dekken", vertelt Mohammed. "In die maand zijn zeker 25 vluchtelingen in het kamp gestorven."

Mohammed beschrijft een kleine, houten cel waarin hij met zijn knieën opgevouwen het grootste deel van de dag in zijn eigen ontlasting moest zitten. Slapen was onmogelijk. Hij kreeg weer pijn aan zijn gewrichten, waar hij ook al last van had door de klappen die hij in Burma kreeg.

Nadat weer eens geld was betaald aan de smokkelaars, dit keer door zijn in Maleisië wonende zwager, werd Mohammed aan de kant van een verlaten weg vrijgelaten. Zijn zwager pikte hem daar op. Diezelfde zwager regelde ook dat Nur Ankis vanuit Indonesië naar Maleisië kwam. Sinds november is het gezin herenigd in Kuala Lumpur, waar ze nu als ongedocumenteerden verblijven. In Maleisië geeft niemand iets om hen, klagen ze. Dolgraag zou Mohammed aan de slag willen om zijn gezin te kunnen onderhouden, maar zonder papieren is dat moeilijk. "Ik ben bang voor een derde keer gearresteerd te worden", zegt hij.

Komt er de komende maanden inderdaad een nieuwe vluchtelingenstroom van Rohingya op gang vanuit Burma? De VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR toonde zich tegenover de Singaporese krant Straits Times optimistischer dan de World Rohingya Organisation. Mensensmokkelnetwerken zijn volgens een woordvoerder teruggedrongen en na de democratische verkiezingen in Burma hopen Rohingya op betere tijden, zeker nu Nobelprijslaureaat Aung San Suu Kyi de grootste partij in het land leidt.

Denken Mohammed en zijn gezin dat ze onder een eventueel nieuw bewind terug kunnen naar Burma? "Ik houd van mijn land. Indien ik als Rohingya word geaccepteerd door de regering en met respect word behandeld, wil ik terug. Zo niet, dan blijf ik net zo lang in het buitenland tot ik word geaccepteerd", zegt Mohammed. "Maar eerlijk gezegd verwacht ik niet dat de regering mij ooit terug zal nemen."

Nur Ankis, haar vermoeide dochtertje op de arm, knikt weer eens.

Maleisië en Indonesië vangen beperkt Rohingya op

In april en mei vorig jaar was er internationaal mediaoproer over het lot van Rohingya-bootvluchtelingen die uitgemergeld voor de kust van Thailand, Maleisië en Indonesië aankwamen. In eerste instantie hielden deze landen de boot - letterlijk - af. De Thaise marine sleepte zelfs een door de bemanning verlaten schip vol verzwakte vluchtelingen terug naar open zee.

Onder druk van media en oproepen van de internationale gemeenschap kwam er na lang soebatten toch een akkoord over opvang van de groep vluchtelingen. Eind mei vorig jaar zetten Indonesië en Maleisië de deur open voor zevenduizend legale Rohingya bootvluchtelingen. Officieel mogen zij maar een jaar blijven. Over drie maanden moeten zij dus weer terug naar Burma of een ander land.

Hun opvang wordt grotendeels betaald door de internationale gemeenschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden